Baardman

Beards01Orthodoxe joden, de Amish, ayatollah’s, zeer orthodox gereformeerden, geestelijken van de Taliban, ze hebben allemaal hun baard met elkaar gemeen. De laatste twee willen bovendien ook nog wel eens hetzelfde type baard vertonen: korte – of geen – snor in combinatie met een forse baard. Waar komt dat verband tussen gezichtshaar en gelovigheid vandaan?

Ik moet eerlijk bekennen dat ik u het antwoord voor de christelijke baardmannen schuldig moet blijven. De enige passage in het Nieuwe Testament over hoofdhaar, betreft nu juist niet de baard, maar een wat mopperige afkeuring van mannen met lang haar (1 Kor 11:14). Mogelijk hebben christenen aangesloten bij dezelfde teksten die joden uit de Hebreeuwse bijbel haalden met betrekking tot de baarddracht.

In die Hebreeuwse bijbel is namelijk wel een tekst te vinden die uitgelegd kan worden als een verbod op het scheren van het gezicht: Leviticus 19:27, dat verbiedt de randen van het hoofdhaar rondom weg te halen en de hoeken van de baard. In de orthodoxe joodse uitleg worden de hoeken van de baard doorgaans aan de veilige kant uitgelegd als ‘de hele baard’. Het verbod op het ‘rondom’ weghalen van het hoofdhaar heeft geleid tot de typisch joodse peyes, ‘pijpenkrullen’.

Er staan meer teksten in de Hebreeuwse bijbel over de baarddracht, maar die hebben óf betrekking op de regels rond melaatsheid en de reiniging daarvan, óf ze gaan over het misvormen van de baard als uitvloeisel van rouw of afgodendienst. In het laatste geval wordt het misvormen van de baard vaak in één adem genoemd met het maken van kerven in de huid. Beide gold als verboden, want teveel een zaak van afgodendienaars.

Dit thema van het bewust maken van onderscheid in uiterlijk tussen de incrowd van gelovigen tegenover de outcrowd van hen die niet bij de club horen, zien we ook terug in de islam. In de koran staan geen regels over het dragen van een baard, dus moslims moeten het doen met anekdotes die islamitische verzamelaars in de eerste drie eeuwen van de islam hebben verzameld. In de gezaghebbende verzameling van de Iraniër Moeslim staan er een paar op een rij (boek 2, anekdote 498 t/m 501):

498. Ibn Oemar zei: De boodschapper van Allah zei: Knip de snor kort, en laat de baard groeien.
499. Ibn Oemar zei: De boodschapper van Allah beval ons de snor kort te knippen en de baard te sparen.
500. Ibn Oemar zei: De boodschapper van Allah zei: Handel niet zoals de veelgodendienaars, knip de snor kort en laat de baard groeien.
501. Aboe Hoeraira vertelde: De boodschapper van Allah zei: Knip de snor kort, en laat de baard groeien, en handel niet zoals de vuur-aanbidders.

De eerste twee anekdotes lijken een herhaling van elkaar, beide door dezelfde persoon verteld. In de brontekst staat er na de verteller – ibn Oemar – echter nog een lange keten van overleveraars, zeg maar van ibn Oemaar tot en met Moeslim. Dat wil zeggen dat van dezelfde verteller hetzelfde verhaal via twee verschillende routes is overgeleverd. Daarbij is de letterlijke weergave iets gewijzigd geraakt.

De derde anektode, die zijn oorsprong bij dezelfde verteller vindt, lijkt een versie te zijn die het voorval iets vollediger weergeeft. Kennelijk is er bij de overlevering van de eerste twee anekdotes informatie weggevallen. Dat wordt bevestigd door de laatste anekdote waarin hetzelfde, langere verhaal wordt verteld, maar die ook tot een andere bron dan ibn Oemaar herleid kan worden. Ook hier is wat informatie veranderd geraakt: het is niet helemaal duidelijk of het nu om veelgodendienaars gaat of om vuuraanbidders. Die laatstgenoemden, Perzische zoroastriërs, werden niet gezien als polytheïsten. Om de verwarring compleet te maken, bestaat hetzelfde verhaal ook nog in een derde versie, die eindigt met:  ‘… en handel zo niet als de volken van het boek’, waarmee joden en christenen worden bedoeld.

Duidelijk is in ieder geval wel dat deze vier verslagen hetzelfde voorval betreffen. Het is ook duidelijk dat de context van de voorschriften rond de baarddracht geïnspireerd lijkt te zijn door de gedachte om zich te onderscheiden van leden van een andere club. Een nog veel uitgebreidere anekdote gaat daar verder op in:

Aboe Oemama vertelde: De profeet kwam eens bij een paar oude mannen van de Ansaar (de oorspronkelijke bewoners van Medina, die Mohammed en zijn volgelingen hielpen na hun vlucht uit Mekka in 622). Deze mannen hadden hele witte baarden. Toen hij ze zag, merkte de profeet op: ‘O mensen van de Ansaar, verf uw baarden in rode of gouden kleuren en volg niet deze mensen van het boek’. Ze antwoordden: ‘O profeet, deze mensen van het boek dragen geen shalwars (een soort broek) noch lendedoeken’. Hierop zei de profeet: ‘Draag shalwars en lendedoeken en volg niet deze mensen van het boek’. Ze antwoordden: ‘O profeet, deze mensen van het boek dragen schoenen noch sokken bij het bidden. Hierop zei de profeet: ‘Draag schoenen en sokken en volg niet deze mensen van het boek’. Ze zeiden: ‘O profeet, deze mensen van het boek maken hun snorren lang en scheren hun baarden’. Hierop zei de profeet: ‘Knip uw snorren en maak uw baarden lang en volg niet deze mensen van het boek’.

Dit verhaal, overgeleverd door de vroege moslimgeleerden Abu Da‘ud en Ahmad ibn Hanbal, zou in zijn compleetheid wel eens de bron kunnen zijn geweest van alle voorgaande anekdotes. Het lijkt in eerste instantie een oproep te zijn om anders te zijn dan zij die een ander geloof aanhangen, maar tegen de achtergrond van islamitische verplichtingen blijkt het een hele andere betekenis te hebben.

Het verven van de baard, noch het dragen van lendedoeken en broeken, noch het bidden met schoenen en sokken aan, zijn in de islam verplichtingen. Integendeel: bij het bidden trekt men de schoenen juist uit. Als dit verhaal niet gaat over verplichtingen, dan kan het vierde geval, het knippen van de snor en het lang laten groeien van de baard, ook geen verplichting zijn.

De pointe ligt dan ook anders: de oude mannen meenden dat ze, door de gebruiken van ‘de mensen van het boek’ te imiteren, voldeden aan hun religieuze verplichtingen. Dat was een idee dat ook in de koran te vinden was:

En Wij hebben vóór jouw tijd slechts mannen uitgezonden aan wie Wij een openbaring gegeven hadden – vraagt de mensen van de vermaning maar, als jullie het niet weten (Q 21:7 en 16:43 in de vertaling van Fred Leemhuis).

Het verhaal over de mannen met baarden wees de gelovigen erop dat daarmee beslist niet bedoeld werd dat ‘de mensen van het boek’ tot in de kleinste details geïmiteerd moesten worden. Pas dankzij latere rechtsgeleerden, die slechts delen van deze anekdote overleverden, is een verhaal dat neerkwam op ‘het hoeft niet, het mag ook anders’ een verhaal van ‘het moet’ geworden.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Koran, Religie en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s