Cordoba (slot)

Cordoba_Mosque_07In vier eerdere blogposts behandelde ik de Cordobaanse martelarenbeweging: een groep christenen die door het islamitisch bewind in Spanje in de negende eeuw ter dood werd gebracht om vergrijpen als blasfemie, proselitisme en afvalligheid en waarvan een fors deel zichzelf aangaf of zelfs het eigen doodvonnis wist te forceren.

De bronnen die we voor de gebeurtenissen hebben, voldoen echter niet goed. We hebben er maar één die uitgebreide informatie verschaft, maar die is bevooroordeeld en niet bedoeld als feitelijk verslag. Alle andere bronnen bieden niet meer dan losse feitjes waarvan we nauwelijks kunnen bepalen of ze bij het grote verhaal van onze enige echte bron passen. Wat kunnen we nu dan wél weten over de vraag waarmee ik deze serie begon: hoe vreedzaam was de omgang tussen verschillende religies in islamitisch Spanje?

Een éénduidig antwoord op die vraag is nauwelijks te geven, maar bij Eulogius’ relaas van de Cordobaanse martelarenbeweging zijn wel wat kanttekeningen te plaatsen. Zo vallen er in de eerste plaats een paar gevallen op waarbij de rechters zich niet hielden aan de eigen regels zoals we die kennen uit negende eeuws Spanje. Flora beriep zich terecht op het feit dat ze van jongs af aan christelijk was opgevoed en dat ze haar islamitische vader eigenlijk nooit gekend had, toch werd dat door de rechters niet aanvaard. Rodrigo’s broer kon diens bekering tot de islam niet volgens de regelen der kunst hard maken, toch werd die als afvallige behandeld.

In diezelfde twee gevallen speelden overduidelijk disfunctionele familiebanden mee. Flora’s broer liet zijn bloedeigen zuster door de autoriteiten afranselen. Rodrigo’s broer sloeg aan het fabuleren, met de dood van zijn familielid tot gevolg. We moeten aannemen dat dit niet in alle gezinnen met leden van gemengde religieuze gezindte heeft gespeeld en dat Eulogius de onfortuinlijke uitkomst heeft geboekstaafd van wat niet alleen religieuze, maar ook uit de hand gelopen persoonlijke conflicten moeten zijn geweest. Je kunt je ook afvragen of de twee echtparen die hun eigen kinderen goed onderbrachten, alvorens moedwillig hun eigen dood te zoeken, wel getuigden van een ordentelijk functionerend gezinsleven.

Ook opvallend is het gegeven dat veel van de ‘martelaren’ kloosterlingen waren of anderszins een kerkelijke functie bekleedden. Van de 61 bekende gevallen waren er 34 monnik, non, priester of diaken. Van 15 is het onbekend en 12 waren leek. Met minimaal 56% clerus in de groep is in ieder geval sprake van een behoorlijke oververtegenwoordiging.

Onder die clerus was een zeer groot deel op enigerlei wijze verbonden met een klooster in of in de omgeving van Cordoba: 28 (46%). Dat waren kloosterlingen uiteraard, maar ook wereldlijke geestelijken en zelfs twee leken. Dat lijkt erop te wijzen dat er geen sprake was van een door de gehele geloofsgemeenschap gedragen ‘beweging’, maar van de gedrevenheid van een groep kerkelijken en hun aanhang. Ook de vele onderlinge (familie) banden tussen de ‘martelaren’ laten dat zien.

Ik meldde al dat de geschoktheid van de moslims die de priester Perfectus naar zijn mening over Mohammed vroegen, wees op een merkwaardige onbekendheid met de opvattingen van ‘de ander’. In dat verband is het opvallend dat enkele van de ‘martelaren’ behoorlijk goed op de hoogte waren van zowel een aantal islamitische verhalen, zoals dat van de vrouw van Mohammeds adoptiefzoon, als van het islamitisch recht, dat enkelen perfect wisten te bespelen.

Op dat punt is wellicht het meest eigenaardige van deze hele geschiedenis te zien: gedurende de gehele periode lijkt niets erop te wijzen dat aan de bestuurlijke kant iemand heeft bedacht dat dit provocaties waren. Provocaties die perfect gebruik wisten te maken van het op dat moment nog allerminst uitgewerkte islamitische recht. Er waren regels tegen blasfemie, proselitisme en apostasie, maar geen regels voor gevallen waarin die regels apert werden misbruikt voor andere doelen.

Dat gaf activistische christenen de gelegenheid om de autoriteiten onder druk te zetten en te dwingen: als er eenmaal duidelijk genoeg geblasfemeerd was, kónden die niet anders meer dan een doodvonnis vellen. Het bestuur zat klemvast in de eigen regels. Geen rechtsgeleerde lijkt geopperd te hebben dat de christelijke provocaties misschien beter genegeerd konden worden, of een poging ondernomen te hebben om bij die benadering argumenten te bedenken.

In later tijden zijn er in de islamitische wereld wel degelijk rechtsgeleerden gesignaleerd die meenden dat iemand die willens en wetens blasfemeerde, beseffend dat daar de doodstraf op zou volgen, onmogelijk compos mentis kón zijn en dus vrijgesproken diende te worden. Wie dat levensgevaar niet besefte, was uiteraard sowieso niet bij zinnen.

Vergelijkbare redeneringen zijn in recente tijden gebruikt voor moslims die zich tot het christendom hadden bekeerd en daar hun mond niet over konden houden. Islamitische rechters zijn van oudsher verplicht om – wanneer een doodvonnis dreigt – actief op zoek te gaan naar dubbelzinnigheden in de regelgeving of in de situatie, met als expliciete doel dat doodvonnis te voorkomen.

De rechtsgeleerden in al-Andalus in de negende eeuw zijn daar niet in geslaagd. Althans, niet altijd, want gevallen waarbij het wél werkte, zijn ook bekend. Dat gegeven doet mij een hypothese opperen. De gebeurtenissen die Eulogius opschreef als waren het de religieuze handelingen van religieus geïnspireerde mensen, zijn mogelijk meer geweest dan alleen religieus.

Wellicht, maar hier betreed ik het terrein der speculatie, is de kerk, of een deel daarvan actief de confrontatie op gaan zoeken met het islamitische bestuur en heeft men daarbij doelen voor ogen gehad die naast religieus ook min of meer politiek waren. Dat maakt de episode van de Cordobaanse martelarenbeweging veel meer een geschiedenis van een actiegroep, dan het verhaal van de multireligieuze omgang tussen verschillende bevolkingsgroepen.

Er is voor die visie ook wel wat steun te vinden in de bronnen. Daar wordt – afgezien van een boel religieuze motivatie – ook geklaagd over het feit dat goed opgeleide jonge christenen Arabisch spreken en niet eens meer een fatsoenlijke brief in het Latijn kunnen opstellen. Vanuit christelijk geloofsperspectief is dat volkomen onbelangrijk en al helemaal geen reden die een rol zou moeten spelen in de zoektocht naar het martelaarschap.

De verschuiving in taal illustreert echter wél dat de Leitkultur van Spanje aan het verschuiven was van christelijke in islamitische richting. Voor de bevolkingsgroep die gewend was de maatgevende cultuur te vertegenwoordigen, moet dat pijn gedaan hebben en geen groep zal dat beter gevoeld hebben dan kloosterlingen en clerus, de vertegenwoordigers van de christelijke cultuur bij uitstek.

Als die hypothese klopt, is de geschiedenis van de Cordobaanse martelarenbeweging geen goede bron om een antwoord te zoeken naar de vraag waarmee ik begon: hoe vreedzaam was de omgang tussen verschillende religies in islamitisch Spanje? De beweging was dan veel meer een particulier initiatief van een beperkte, en niet noodzakelijk representatieve pressiegroep met bepaalde religieus-politieke standpunten, die erin slaagde het bevoegd gezag met succes volledig op het verkeerde been te zetten.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geschiedenis, Religie en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s