Traditie onder druk

Qur'an 7th century 1 Cadbury Research LibraryEnige tijd geleden blogde ik over de koolstofdatering van een koranmanuscript in Birmingham, over de vragen en opmerkingen die daarover in de media zoal verschenen en de herkomst van het manuscript. Ja, het leek erop dat de koran als complete tekst al zeer vroeg in de geschiedenis van de islam aanwezig was. En nee, iedereen zag over het hoofd dat diezelfde datering ook een zéér alternatieve hypothese kon ondersteunen: namelijk dat de koran dateerde van vóór het optreden van Mohammed, dat in 610 begon en eindigde met zijn dood in 632. Het lijkt er nu op dat die laatste optie niet alleen tot de journalistieke media is doorgedrongen, er blijkt ook meer steun voor te bestaan dan alleen deze ene koolstofdatering: andere manuscripten blijken al even oud, of ouder. Dat zet het traditionele islamitische verhaal over het ontstaan van de koran onder druk.

Eerst maar eens dat traditionele verhaal. Volgelingen van de profeet zouden al tijdens zijn leven losse verzen en hoofdstukken op schrift hebben gesteld. Op wat in de zevende eeuw gold als ‘kladpapier’: schouderbladen van kamelen, potscherven en palmbladeren. Meer was ook niet nodig, want de koran was een tekst die men vooral moest reciteren, uit het hoofd. Een schriftelijke notering ervan was niet volledig mogelijk met het destijds gebruikte Arabische schrift en ook niet echt nuttig: je kon het alleen gebruiken als geheugensteuntje voor als je de tekst toch al uit je hoofd kende. En natuurlijk alleen als je lezen kón.

Onder kalief Abu Bakr (632-634) zou de voormalige secretaris van Mohammed de opdracht hebben gekregen een volledige tekst op schrift te stellen. De reden zou het sneuvelen zijn – in de slag bij Yamama – van een wel heel groot aantal mensen die de hele koran uit hun hoofd kenden. Voor je het wist was de koran ‘kwijt’ en dat kon toch niet de bedoeling zijn. Die eerste volledige koran werd in 634 overgedragen aan de nieuwe kalief Umar, die het na zijn dood naliet aan zijn dochter Hafsa, tevens weduwe van Mohammed.

Onder de derde kalief Uthman (644-656) waren de veroveringen van de Arabieren behoorlijk gevorderd: het rijk strekte zich uit over Egypte, de Levant en Iran en behoorlijk wat niet-Arabieren begonnen zich voor de koran te interesseren. Dat leidde tot discussies over de correcte uitspraak. De enorme afstanden leidden bovendien tot plaatselijke verschillen in de gereciteerde tekst en ook daar ontstond ruzie over. Dezelfde secretaris kreeg wederom de opdracht een standaard tekst samen te stellen. Daarbij speelde het inmiddels in vergetelheid geraakte exemplaar van Hafsa uiteraard een grote rol. Zo gaat dat in dit soort verhalen en men gaat er dan ook van uit dat die eerste codificatie onder Abu Bakr een verzinsel is. Niet in het minst omdat de islamitische traditie ons een lijst heeft overgeleverd van gesneuvelden uit de veldslag bij Yamama. Daar zitten maar twee mensen tussen die bekend stonden als koranreciteerder.

Toen de standaardtekst er eenmaal was, verordonneerde Uthman dat alle afwijkende koranteksten moesten worden verbrand. Dat werd hem bepaald niet door iedereen in dank afgenomen. De koran verbranden was – ook destijds al – iets wat een fatsoenlijk mens niet deed. De hoofdoorzaak was het niet, maar het was wel één van de redenen die eraan bijdroegen dat Uthmans huis in 656 tijdens ongeregeldheden in Medina werd bestormd en de kalief werd vermoord.

De koranverbrandingen van Uthman zijn buitengewoon effectief geweest. Alle tegenwoordig nog bekende koranteksten gaan terug op de versie die op bevel van Uthman is vastgesteld. Tot 1972 is er nooit één manuscript gevonden dat een overduidelijk niet-Uthmanische korantekst bevatte. Maar we weten er wel wat van. Zo is uit de islamitische geschiedschrijving bekend dat enkele oude vrienden van Mohammed hun eigen korantekst hadden, die ze niet wilden inruilen voor de tekst van Uthman. Vroege islamitische geleerden hadden er lol in om alles wat ze nog wisten over de verschillen op te schrijven en zo weten we dat die behoorlijk konden zijn. Eén tekstversie miste bijvoorbeeld de hele eerste soera.

Terug naar Birmingham en de koolstofdateringen. Zoals gezegd: Mohammed opereerde tussen 610 en 632. De codificatie van de koran zoals we hem nu kennen zou tussen 644 en 656 zijn geschied. Het manuscript uit Birmingham – dat een volledig Uthmanische tekst heeft – dateert met 95% zekerheid uit de periode tussen 568 en 645. Dat levert een paar aparte bevindingen op. (ik negeer hier even de al eerder opgemerkte mogelijkheid dat er oud perkament is gebruikt)

Ten eerste, de datering van het manuscript – het oudste manuscript dat Uthmans tekst nauwkeurig weergeeft – overlapt slechts één jaar met diens kalifaat. Goed, de koolstofmethode levert een statistische datering en het jaar 645 is het einde van een periode die met 95% zekerheid vastgesteld kan worden, het kunnen een paar jaar meer zijn maar toch: er is bijzonder weinig tijd over voor Uthman om zijn standaardtekst vast te stellen. Verreweg het grootste deel van de gedateerde periode valt vóór Uthmans kalifaat (76 jaar).

Ten tweede zijn er zo’n 42 jaar aan het begin van de dateringsperiode over die vóór het begin – in 610 – van Mohammeds optreden als profeet liggen. Het idee dat de koran van vóór het optreden van de profeet zou dateren is al eens geopperd door iemand die wees op de vele onbegrijpelijkheden in het Arabisch van de koran in vergelijking met de afwezigheid van dergelijke taalkundige problemen in de vroeg-islamitische Arabische literatuur. Die laatste is geschreven in perfect begrijpelijk klassiek Arabisch. De koran is een ander verhaal: zou dat een oudere taalfase kunnen zijn?

Een paar andere details zouden ook in die richting kunnen wijzen. Zo weet niemand wat de losse letters zouden kunnen betekenen waar 29 soera’s mee beginnen. Speculaties genoeg, ook onder vroege islamitische geleerden, maar niemand die het weet. Ook de identiteit van een derde groep monotheïsten die in de koran naast de joden en christenen worden genoemd, de sabi’un, is volkomen onduidelijk, ook al voor de vroegste islamitische commentatoren. Is hier sprake van in de loop der tijd verloren geraakte kennis?

Naast het manuscript uit Birmingham hebben we nog andere dateringen van vroege manuscripten. Het beroemdste is dat uit Sanaa, ontdekt in 1972 en inmiddels volledig gepubliceerd en gedateerd met de koolstofmethode: 578 – 669. Dat is ietsje later dan het manuscript uit Birmingham. Bijzonder aan dit manuscript zijn twee dingen: het bevat een tekst die overduidelijk niet Uthmanisch is en het is inmiddels een aantal keren gedateerd. Uit de recentere dateringen komen nóg vroegere data: 543 – 643 voor één fragment en zelfs 433 – 599 voor een ander. De eerste datering ligt grotendeels vóór het begin van Mohammeds optreden (67 jaar ervoor, 33 erna), de tweede datering ligt in zijn geheel vroeger.

Dat is zó vroeg dat enkele geleerden zich af begonnen te vragen of de datering wellicht fout gegaan was. Dat is op zich goed mogelijk. Voor een koolstofdatering heb je apparatuur nodig die zéér, zéér goed schoongehouden moet worden en perfect gecalibreerd. Zo af en toe gaat daar iets bij mis en dan moeten er correcties worden gepubliceerd in het internationale tijdschrift Radiocarbon. Inmiddels zijn er nieuwe dateringen gedaan om de mogelijkheid van een fout uit te sluiten en ook die leveren zéér vroege dateringen op, té vroege.

Het probleem is niet dat deze dateringen aangeven dat de koran wel van vóór het optreden van Mohammed móet dateren, integendeel. Binnen de marges van de dateringen zijn er nog mogelijkheden genoeg om de koppeling tussen de profeet en de koran te handhaven. Het probleem is wél dat er veel te weinig tijd lijkt te resteren voor de periode uit het traditionele verhaal waarin de vastlegging van de tekst nog in ontwikkeling was. Dáár moet het traditionele verhaal op zijn kant, iets wat we op grond van inhoudelijke argumenten al konden vermoeden.

Eén oplossing kan zelfs steun vinden in de islamitische traditie, waar ook verhalen in circuleren als zou het niet Abu Bakr zijn geweest die de koran voor het eerst liet codificeren, maar diens opvolger Umar. Wellicht zijn de twee separate codificatie-acties later verzonnen om elkaar tegensprekende overleveringen glad te strijken. Het feit dat dezelfde secretaris van beide codificaties de projectleider zou zijn geweest, valt dan in een ander licht: mogelijk is er slechts één codificatie-actie geweest, gestart door Abu Bakr – of Umar – en pas tot een einde gekomen onder Uthman. Of wellicht al eerder onder Umar, want er is in de islamitische traditie ook een verhaal bekend dat Uthman de codificatie van de koran al voltooide onder het kalifaat van Umar. Als dat klopt, is Uthmans codificatie in later tijd toegeschreven aan zijn kalifaatsperiode.

De oplettende lezer zal het inmiddels wel zijn opgevallen dat die islamitische traditie zoiets is als elke willekeurige heilige schrift: je kunt er alle kanten mee op. Een Fundgrube voor ad hoc oplossingen. Het probleem is dan ook niet zo groot als wel wordt verondersteld: niet zozeer de islamitische traditie moet op de schop, maar het zal wellicht noodzakelijk blijken onze voorkeuren voor bepaalde tradities te herzien.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geschiedenis, Koran en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s