Truc

NieuweKerkDelftMisschien heeft u erover gelezen in de krant: het archeologische onderzoek naar de begravingen in de Nieuwe Kerk in Delft. Die zaak woedt momenteel voor het gerecht.

Eerst even wat achtergrondinformatie. In Nederland is het zo geregeld dat wie ergens iets wil (ver/her)bouwen en daarbij de bodem in gaat, verplicht kan worden te bekijken of er geen archeologische resten ongezien verloren gaan en er zo nodig voor te zorgen dat die resten worden beschermd of netjes gedocumenteerd. De overheid kan dus archeologisch onderzoek afdwingen via de vergunning die je doorgaans voor dat soort werkzaamheden nodig hebt. Toen de Protestantse Gemeente Delft de gemeente verzocht om een bouwvergunning voor de aanleg van een keuken in de Nieuwe Kerk, konden ze verwachten dat er archeologisch onderzoek aan zat te komen.

De Nieuwe Kerk is namelijk een Rijksmonument, een keuken er aan de buitenkant aanbouwen kwam daarom nicht in Frage. Geen nood, dan bouw je de keuken inpandig en ondergronds. Dat betekende wel dat er zo ongeveer 2.100 graven geruimd moesten worden en aangezien die graven van behoorlijk historisch belang zijn – er wordt al tijden niet meer in de kerk begraven, tenzij je van koninklijken bloede bent – had de Protestantse Gemeente ook wel door dat daar archeologisch onderzoek aan te pas zou komen.

Nu is er weinig archeologisch onderzoek zo tijdrovend en dus kostenintensief als grafonderzoek. De Protestantse gemeente kwam dan ook met de gemeente Delft een compromis overeen: als ze nu eens een steekproef zouden laten onderzoeken, minimaal zo’n 80 graven (± 3,8%), was dat dan goed genoeg? De kosten zouden dan ongeveer drie ton bedragen (dat is zo’n € 3.750,- per dode Delftenaar), maar dat kon de Protestantse Gemeente wel opbrengen. Afhankelijk van hoe het onderzoek verliep, konden – vooral binnen de kerk, waarover we nog weinig wisten – van dat budget nog wel iets meer graven worden gedocumenteerd. De gemeente ging akkoord en zo’n 2.000 oude Delftse graven (of als het meezat, iets minder) mochten dus zonder archeologisch onderzoek geruimd worden.

Dat kan en dat mag. Het is immers de taak van het openbaar bestuur dat zij belangen tegen elkaar afweegt die niets met elkaar te maken hebben. In dit geval werd het belang van het behoud van archeologische kennis over het Delftse verleden afgewogen tegen het belang van de Protestantse Gemeente om wat extra bij te verdienen door het ontplooien van commerciële activiteiten in het kerkgebouw. Appels met peren inderdaad, maar de bestuurlijke praktijk bestáát uit niks anders. Bij die afweging heeft het College van B&W zich ongetwijfeld laten adviseren door hun eigen archeologische dienst. Delft heeft die als één van de weinige Nederlandse gemeenten. Wat hun advies is geweest, weet ik niet.

Maar plaatselijke amateur-archeologen waren not amused en stapten naar de rechtbank om de vergunningverlening aan te vechten. Ze werden in het ongelijk gesteld. Op dit moment loopt een hoger beroep tegen die uitspraak bij de Raad van State. Half archeologisch Nederland is nu in rep en roer, want het lijkt erop dat er nu een bom ligt onder de strekking van het Verdrag van Malta, waar de Nederlandse archeologie-wetgeving op is gebaseerd en waarin is geregeld dat ‘de verstoorder betaalt’. Half archeologisch Nederland leest daarin dat de verstoorder betaalt voor het documenteren (of beschermen) van alle archeologisch erfgoed dat hij dreigt te verstoren. De andere helft leest dat niet zo en weet niet beter of dit soort afwegingen van belangen zijn al jaren de dagelijkse praktijk in de Nederlandse archeologie dus waar zeuren we over?

Hoewel het in de Nederlandse praktijk vrijwel altijd de amateur-archeologen zijn die naar de rechter stappen, worden hun opinies ook gedeeld door professionele archeologen. Een paar maanden geleden trof ik er één, een hoge nog wel en naar mijn mening ook een zeer deskundige, die zijn mening gaf over de Delftse kwestie. Zijn visie was bepaald een openbaring voor me, niet in het minst omdat hij inhoudelijk behoorlijk op de hoogte was van de redenen die het college van B&W hadden gehad om tot hun beslissing te komen.

Zo waren er in het recente verleden wel meer grafvelden in kerken uitgebreid en systematisch onderzocht: In Eindhoven en Oldenzaal bijvoorbeeld. In Delft zou men geargumenteerd hebben dat wéér een volledig grafveld in een kerk opgraven wellicht wat teveel van het goede was. Dat is een pertinente overweging. In de praktijk wordt in Nederland altijd gekeken naar de zeldzaamheid van bepaalde typen vindplaatsen en naar hoe goed en hoe vaak die in het recente verleden zijn onderzocht. Vindplaatsen waar heel weinig over bekend is, jargon spreekt van ‘kennislacunes’, eindigen hoger op het prioriteitenlijstje en zullen zo nodig enthousiaster en completer worden onderzocht.

Maar mijn zegsman volgde die redenering niet. ‘Eindhoven en Oldenzaal zijn compleet verschillende gemeenschappen vergeleken met Delft’, zo was zijn commentaar. En dat is waar. Wie even op een stoel gaat zitten en nadenkt, zal zo een lijstje met tien verschillen hebben opgesteld die allemaal zo hun weerslag gehad kunnen hebben op wie er wel en niet in de respectievelijke grafvelden terecht zijn gekomen en hoe.

Hij had nog een bijkomend argument, dat ik nog indrukwekkender vond. Juist nu we de resultaten van het onderzoek in Eindhoven en Oldenzaal hadden, konden we bij het onderzoek naar nieuwe, vergelijkbare grafvelden onze onderzoeksvragen bijstellen en preciseren. Delft zou, met andere woorden, nieuw onderzoek naar een nieuw grafveld worden, niet het zoveelste onderzoek in een rij van gelijkaardige onderzoeken . Wie dat dacht, zo concludeerde hij, ‘die houdt zijn vakliteratuur niet bij’.

Alles wat deze archeoloog te berde bracht is waar, ontzettend waar. Er is geen speld tussen zijn betoog te krijgen, dat strikt logisch tot maar één conclusie leidt. Ik was diep onder de indruk, maar meer vanwege wat anders.

Het is een ontzettend gave truc.

Natuurlijk kunnen vindplaats X, Y en Z niet op dezelfde plek liggen, dus je kunt altijd beweren dat ze van elkaar verschillen: verschillende mensen hebben er in verschillende tijden, in een verschillende omgeving aan ‘gewerkt’. En wellicht hebben ze dat dus ook wel gedaan met verschillende middelen, verschillende bedoelingen en verschillende overtuigingen. Wilt u per se dat twee op het eerste gezicht op elkaar lijkende vindplaatsen totáál verschillend worden, dan is er altijd wel een lijstje goede redenen bij te vinden. Kwestie van even doelgericht nadenken totdat je er bent.

Dat op zichzelf maakt elke individuele vindplaats al uniek, maar je kunt ook van ieder onderzoek stellen dat het uniek is omdat elk onderzoek tot nieuwe vragen leidt, die bij het volgende onderzoek een rol kunnen gaan spelen. Stel dat ik er, ondanks wat hierboven staat, in slaag twee gelijkaardige vindplaatsen te localiseren en dat ik die achter elkaar onderzoek. Volgens mijn zegsman zou ik de tweede opgraving – vooropgesteld dat ik mijn vakliteratuur bijhoud natuurlijk – anders opgraven, want mijn eerste opgraving heeft me nieuwe vragen opgeleverd die ik als goed archeoloog zal meenemen in mijn tweede onderzoek.

Volgens deze denkwijze zal de zeldzaamheid van mijn type vindplaats nooit afnemen en de kennislacune nooit slinken. Dat is zelfs zo als ik vandaag mijn vindplaats X opgraaf, er vannacht een wonder gebeurt en hij er morgenochtend weer als nieuw bij ligt en ik hem nog eens kan opgraven. De vindplaats blijft even zeldzaam en de kennislacune net zo groot, of groter als je pech hebt.

En dat is gek. Waarom? Nou, omdat alle archeologen bij het bepalen van de waarde van een archeologische vindplaats rekening houden met ‘zeldzaamheid’. Dat moeten ze zelfs, het staat keurig beschreven in de KNA, de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Waardebepaling is het dagelijks werk van een archeoloog, want op basis dáárvan wordt bestuurlijk besloten of een ‘verstoorder’ verplicht moet worden om archeologisch onderzoek te laten doen. Maar als het begrip ‘zeldzaam’ in de praktijk terug wordt gerationaliseerd tot het besef dat elke vindplaats maximaal zeldzaam (want: uniek) is, dan levert dat bestuurlijk nogal wat consequenties op.

Er zijn niet weinig archeologen die denken langs de lijnen van de rationalisatie die ik hierboven schets en die – ook op leken – daarmee behoorlijk wat indruk maken, omdat hij inhoudelijk gewoon wáár is. Je ziet het ook werken op een lager niveau: dat van de individuele graven. De Protestantse Gemeente stelde oorspronkelijk voor 10 tot 20% van de graven te onderzoeken. Dat is een zéér behoorlijke steekproef, maar als u wat rond googlet over deze kwestie, treft u voornamelijk reacties aan van archeologen die zo’n steekproef veel te klein vinden.

Dat vinden ze op basis van eenzelfde kwalitatief argument als wat ik hierboven al als eerste noemde: net zoals de ene vindplaats de andere niet is, is ook het ene graf het andere niet, een steekproef is alleen goed als alle te verwachten categorieën graven erin vertegenwoordigd zijn en u raadt het natuurlijk al: van die categorieën kun je er een heleboel noemen en uiteindelijk is de enige steekproef die écht deugt alles onderzoeken. Voor zo’n kwantitatieve claim geven archeologen trouwens nooit een kwantitatieve onderbouwing, maar dat even terzijde.

Zoals ik al zei: het is een redenering die klopt als een bus, er zijn hier echt geen archeologen bezig de boel te flessen of zo en niemand debiteert een drogreden. Maar eenmaal toegepast, blijkt het een truc, een rationalisatie waarmee je altijd uit kunt komen op het door jou gewenste vooringenomen standpunt. Daarmee is het gebruik van het argument niet meteen fout, maar wel aan grenzen gebonden. Het houdt een keer op.

Het idee dat gebeurtenissen uit het verleden uniek en onvergelijkbaar zijn stamt uit de 19e eeuw, toen men bedacht dat geschiedschrijving een vak was en geen literair genre. Maatschappelijke gegevenheden moesten volgens deze eerste professionals verklaard worden vanuit hun geschiedenis, die nu eenmaal bestond uit individuele mensen en gebeurtenissen. Die moesten op hun beurt weer vanuit hun eigen geschiedenis worden verklaard, dus u begrijpt dat er alleen al statistisch gezien weinig ruimte was voor de werking van meer algemene wetmatigheden zoals we die bijvoorbeeld uit de sociologie, economie en psychologie kennen.

Geschiedenis moest vooral vanuit zichzelf worden verklaard en geschiedkundige gebeurtenissen bezien vanuit hun eigen tijd. Het werk van de historicus was niets meer dan te laten zien wie es eigentlich gewesen was. Deze opvatting staat bekend als ‘historisme’ en is in de afgelopen honderd jaar onderwerp geweest van behoorlijk wat debat onder wetenschappers. Niet dat er iets verkeerd aan is, maar er zitten forse nadelen aan en andere geschiedkundige visies hebben daar terecht op gewezen. Dat is uitgebreide stof op theoriecolleges op de universiteit. Een academicus die spreekt in termen van ‘elke vindplaats is uniek’, moet zich bij wijze van Pavlov-reactie realiseren dat hij iets zegt waar al sinds pakweg een eeuw nogal wat kanttekeningen bij staan.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Samenleving, Wetenschap en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

3 reacties op Truc

  1. Ellen Wendel zegt:

    Een kijkje in de keuken van de archeologie.
    Leerzaam!

  2. Pingback: MoM | Het backfire-effect – Mainzer Beobachter

  3. Pingback: Het backfire-effect - Sargasso

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s