Den koe slachtte de slager

anaufhinternebeninMijn vader (hij was van 1926) vertelde me ooit dat op zijn lagere school (dat moet dus tussen 1932 en 1938 zijn geweest) door de leerlingen al hard gelachen kon worden om bovenstaande zin. Destijds had het Nederlands nog naamvallen en dankzij dat ‘den koe’ was volkomen duidelijk en ondubbelzinnig dat hier niet de slager het slachtoffer was, maar den koe.

Toch had het taalgevoel van de leerlingen inmiddels de overhand gekregen en dat was niet meer gebaseerd op gevoel voor naamvallen, maar voor de woordvolgorde. Als de koe de slager slacht, is er wat geks aan de hand en als de slager de koe slacht, gebeurt er iets wat een koe nu eenmaal kan overkomen.

Iets vergelijkbaars leerde ik toen ik begin jaren ’90 in Duitsland kwam te werken en daar mijn middelbare school-Duits mocht ophalen aan échte native speakers. Zo had ik op school keurig het rijtje an, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor und zwischen geleerd. Dat waren de voorzetsels die ‘met de derde of vierde naamval gingen’. Met welke van de twee, was afhankelijk van of het iets met beweging of stilstand te maken had. Het ezelsbruggetje dat we leerden was: met een auto op drie wielen blijf je stilstaan, met een auto op vier wielen kun je rijden.

Ik heb er op school nooit wat van begrepen. Het kwartje viel pas toen mijn Duitse collega’s me het verschil in betekenis uitlegden door gebruik te maken van twee zinnen die allebei beweging inhielden: ich fahr auf dem Weg en ich fahr auf den Weg. In beide zinnen staat exact hetzelfde, met hetzelfde voorzetsel, alleen met een andere naamval voor der Weg. En ze betekenen iets verschillends.

Ich fahr auf dem Weg, is derde naamval en zou dus stilstand moeten betekenen, maar ja: je rijdt toch? De stilstand heeft hier betrekking op het feit dat je op de weg rijdt en daar op blijft rijden. Ich fahr auf den Weg – vierde naamval – houdt beweging in, in dier voege (sorry, dat kon ik niet laten), dat je naast de weg staat en erop rijdt.

Ich fahr auf dem Weg en ich fahr auf den Weg, versus ik rijd op de weg en ik rijd de weg op. Een verschil dat in het Duits uitgedrukt kan worden met een andere naamval, is in het Nederlands verschoven naar de woordvolgorde. Geleerden spreken in dit geval van synthetische talen versus analytische talen. Synthetische talen maken uitbundig gebruik van vervoegingen (voor werkwoorden) en verbuigingen (voor zelfstandige naamwoorden) om betekenis over te brengen, analytische talen hebben dat veel minder: die vertrouwen op woordvolgorde en hulpwerkwoorden.

Ich fahr auf den Weg is een synthetische oplossing, ik rij de weg op een analytische. De slager slachtte de koe is een analytisch geformuleerde zin, den koe slachtte de slager is synthetisch, al maakt dat voor het lot van de koe niet uit.

Ik moest daar aan denken toen ik de bijdrage van Suzanne Adema las op het blog van mijn goede vriend Jona. Hij is momenteel vragen uit de nationale wetenschapsagenda aan het behandelen en één van die vragen gaat over het steeds minder ingewikkeld worden van de grammatica van talen. Vroeger, toen we nog Grieks, Latijn en Proto-Indoeuropees spraken, moesten we ons eindeloze hoeveelheden vervoegingen en verbuigingen meester maken voordat we een taal fatsoenlijk konden spreken. Nu – met talen als bijvoorbeeld Engels en Nederlands – is dat bij lange na niet meer het geval.

Suzanne Adema kon daar beter antwoord op geven dan Jona, vandaar haar gastbijdrage, waarin ze voorzichtig twijfel zaait aan de vooronderstelling bij de vraag: is een taal met een minder ingewikkelde grammatica ook wel echt eenvoudiger? Het antwoord is bij Suzanne nog een voorzichtig ‘nee’, maar dat kan wat mij betreft een behoorlijk snoeihard ‘nee’ worden.

Vervoegingen en verbuigingen hebben het voordeel dat je ze uit je hoofd kunt leren, ze zijn een soort van overzichtelijk. Maar welke betekenisveranderingen er gepaard gaan met het in een andere volgorde zetten van woorden, kan sterk verschillen, afhankelijk van wélke woorden je gebruikt. Dat is veel minder overzichtelijk en stukken lastiger uit je hoofd te leren: op de weg en de weg op versus blijft bij je en blijft je bij, leg het maar eens aan een buitenlander uit.

Ik zou zo gauw ook niet weten hoe je een analytische hulpwerkwoordencluster als ik zou jou wel eens hebben willen zien durven blijven staan kijken in zinnig Latijn (synthetisch) of klassiek Arabisch (nog veel synthetischer) vertaalt en hoe je erbij uitlegt dat je voor deze betekenis ook alleen deze volgorde kunt gebruiken. Dan heb ik het nog niet eens over de vloek van de Nederlandse taal: het woordje ‘er’.

En ook Engels is zo makkelijk niet. Het is de taal met de grootste woordenschat, omdat voor vrijwel elk begrip wel een woord beschikbaar is uit elk van de drie strata waaruit het Engels is opgebouwd: Keltisch, Anglosaksisch en Frans. In de praktijk hebben die drie synoniemen in de loop der tijd of een nét iets andere betekenis gekregen, of kun je bepaalde woorden met dezelfde betekenis maar een andere herkomst alleen gebruiken binnen een bepaald taalregister. Dat maakt Engels tot één van de lastigste talen om goed te leren spreken, in weerwil van een wijdverbreid misverstand.

Ik vergeet altijd wat analytisch en synthetisch ook alweer waren, dus dat moest ik even opzoeken op Wikipedia. Wat zag ik daar? De meest extreme vorm van een analytische taal is een isolerende taal. Die heeft helemaal geen vervoegingen en verbuigingen meer. Wat blijkt? Juist isolerende talen hebben sterk de neiging om toontaal te worden: een taal – denk aan chinees – waarin de toonhoogte mede betekenisdrager wordt.

Hoezo makkelijker?

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Taal en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

16 reacties op Den koe slachtte de slager

  1. Klaas zegt:

    Een mooie illustratie is de zeer synthetische taal Fins, waarin je naast een overvloed van naamvallen slechts één onregelmatig werkwoord hebt: ‘olla’, dat zowel voor ‘hebben’ als ‘zijn’ gebruikt wordt. Hoe zie je welke van de twee betekenissen aan de orde is? Door naar de naamval van het onderwerp te kijken… Ik heb me trouwens nooit gerealiseerd dat woordvolgorde zo belangrijk is in analytische talen.

  2. mnb0 zegt:

    “Vervoegingen en verbuigingen hebben het voordeel dat je ze uit je hoofd kunt leren”
    Dat is voor mij per definitie een nadeel – ik kan mijn eigen mobiele telefoonnr. al niet eens onthouden. Geef mij maar woordvolgorde.

  3. Rob Alberts zegt:

    Helder!

    Dani voor deze uitleg.

    Vrolijke groet,

  4. Emigrant zegt:

    Den koe was fout in het vooroorlogse ABN. Koe is vrouwelijk, dus in de akkusatief (vierde naamval): de koe. In het een of andere dialect spreekt men wel eens van ‘den koe’, maar dan is het geen naamvalsuitgang.

    • Verdraaid, daar zou je best wel eens gelijk in kunnen hebben! Dit was echter wel het voorbeeld dat ik van mijn vader hoorde (opgegroeid in Vlaardingen en Rotterdam). Misschien dat hij het originele – en correcte – voorbeeld ook niet meer wist? Iets met stier? Ik kan het hem niet meer vragen…

  5. Hopelijk leest Marc van Oostendorp dit relaas. Ik zou benieuwd zijn naar zijn reactie.

  6. Erik Hofmans zegt:

    Wat mij met name zou interesseren, is de verschuiving van synthetisch naar analytisch, zoals die zich in de mij bekende Indo-Europese talen heeft voorgedaan (en zich nog steeds voordoet).

  7. Pingback: Meer NWA: Oude talen – Mainzer Beobachter

  8. Oom Paspasu zegt:

    Is de enige bron voor “Juist isolerende talen hebben sterk de neiging om toontaal te worden” de Nederlandse Wikipedia? Toon is een fonologisch verschijnsel en kan alleen betekenisverschil maken op woordniveau, niet op zinsniveau. Het kan dus ook niet een gebrek aan morfosyntaxis compenseren.

    • Nee, maar makkelijker wordt een taal daar niet van, dat was mijn punt.

      Ik weet van het Chinees dat homoniemen via toonverschillen qua betekenis uit elkaar gehouden kunnen worden. Van andere isolerende talen weet ik dat niet, maar ik vraag me af of toonverschillen echt alleen op woordniveau kunnen functioneren.

      Van het bijbels Hebreeuws weet ik dat de cantillatie de geleding van de zin reguleert, en bij gelegenheid het verschil kan uitmaken tussen ‘Ik ben Esau, uw eerstgeborene.’ en ‘Ik ben het. Esau is uw eerstgeborene.’ (Gen 27:19) Of tussen ‘Een stem roept: In de woestijn…’ en ‘Een stem roept in de woestijn: …’ (Jes 40:3 / Mc 1:3)

      Geen idee of geleding onder morfosyntaxis valt. En de masoretische cantillatietekens zijn wellicht een latere toevoeging aan de tekst, maar het lijkt me dat er mogelijkheden zouden moeten zijn om toonvariatie te laten functioneren op een betekenisniveau boven het niveau van het woord (zonder een verbuiging of vervoeging in een toonvariatie te stoppen natuurlijk, want dan schuif je toch weer op richting synthetische oplossingen met andere middelen).

      Vraag twee is dan of zoiets in werkelijkheid ook echt bestaat. Geen idee.

      • Oom Paspasu zegt:

        Intonatie kan inderdaad op zinsniveau betekenisverschil maken, ook gewoon in het Nederlands: “Jij bent aan de beurt” : “Jij bent aan de beurt?” Dit heeft niets van doen met toontaal. Beide kunnen samen of los van elkaar voorkomen.
        In een toontaal zijn twee woorden die enkel van elkaar verschillen door de toon, geen homoniemen maar minimale paren.

        De Hebreeuwse voorbeelden hebben volgens mij meer met pauzes (gemarkeerd door scheidende accenten) te maken dan met intonatie.
        Enkel אָנֹכִי kan toch niet “Ik ben het” betekenen? Of vergist u zich en bedoelt u eigenlijk dat vanwege het scheidende accent op בְּכֹרֶךָ de zin niet “Ik, Esau, uw eerstgeborene, heb gedaan wat u mij gezegd heeft” betekenen?

        De moeilijkheidsgraad van een taal heeft voornamelijk met je uitgangspositie te maken. Objectieve moeilijkheden lijken mij regels die per woord kunnen verschillen, zoals stamtijden en onregelmatige meervouden. Het Duitse naamvalsysteem is qua vormen en gebruik erg simpel, maar je kan het alleen goed toepassen wanneer je van elk woord het geslacht weet.
        Interessanter lijkt me de vraag of talen altijd de neiging hebben om analytischer te worden, of dat door middel van grammaticalisatie het omgekeerde net zo goed kan gebeuren; en welke omstandigheden (bijv. intensief taalcontact of isolatie) daar invloed op hebben.

        • Er zijn twee mogelijkheden om Gen 27:19 te vertalen: ‘Ik ben het, Esau, uw eerstgeborene, ik heb gedaan…’ en ‘Ik ben het, Esau is uw eerstgeborene, ik heb gedaan…’
          Beide vertalingen worden door de Hebreeuwse tekst niet weersproken, maar de Masoretische accenten geven een voorkeur voor de versie waarin Jacob heel strikt genomen niet liegt: ‘Ik ben het, Esau is uw eerstgeborene, ik heb gedaan…’
          Dit Jezuïtische argument werd in de Middeleeuwen gebruikt door de Rabbijnen in reactie op verwijten van christelijke kant dat de Joden een leugenachtig volk waren, kijk maar naar Jacob (= Israel) daar begint de ellende al…

        • Oom Paspasu zegt:

          Het Masoretische accent op אָנֹכִי is een azla, die tot de verbindende accenten behoort. De Masoreten lazen hier dus “Ik ben Esau”.

        • Nee, het is een pashta, een scheider. Een azla hoort volgens mij ook niet thuis in een zaqef-reeks, waar het in staat.

        • Oom Paspasu zegt:

          U heeft helemaal gelijk. Mijn docent Hebreeuws leerde ons dat de domste uitspraken niet worden gedaan door mensen die van een onderwerp niets af weten, maar door hen die op dat gebied een beetje kennis hebben. Op de accenten zijn we nooit uitgebreid ingegaan.

        • Wij ook nooit, maar omdat ik nu eenmaal gregoriaans zanger ben, ben ik ook ooit in die cantillatie gedoken. Ik moet het alleen eens afmaken en mijn bar mitswa-diploma halen!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s