Opvoeding

travel02Mijn ouders hebben in de loop van mijn jeugd – zo begrijp ik nu – iets niet helemaal goed gedaan: ons – de kinderen – mee op reis genomen. Allebei mijn ouders werkten, wat best bijzonder was, want in dezelfde periode was het in brede kring nog behoorlijk gebruikelijk dat je als gehuwde vrouw niet werkte, ja zelfs je baan automatisch kwijt raakte als je trouwde dan wel een kind kreeg. Mijn ouders waren dus tweeverdieners in de tijd dat het belastingstelsel daar nog niet optimaal op ingespeeld was. Het waren bovendien geen grote spaarders. Mijn vader vond dat je geld beter kon uitgeven aan iets nuttigs.

Die nuttige besteding werd gevonden in reizen. Verre reizen en dat ook meermaals per jaar. Dat laatste was niet zozeer het gevolg van het feit dat mijn ouders het konden betalen als wel dat mijn vader de vaste organist was van een behoorlijk beroemd koor, dat de gewoonte had eenmaal per jaar een reeks concerten in het buitenland te geven. Die concertreizen speelden zich voornamelijk af in centraal Europa. Mijn ouders zelf namen vooral zuidelijk Europa voor hun rekening.

Allebei mijn ouders hebben MULO gehad en spraken dus behoorlijk vloeiend zowel Frans als Duits als Engels, en elk van die talen beter dan ik mijn beste buitenlandse taal sprak toen ik jaren later van het VWO kwam. Van een taalbarrière hadden ze dus nauwelijks last en zelfs waar die er wel was, hadden we mijn vader, die steevast de Berlitz taalgids uit zijn hoofd leerde. Er was een tijd dat hij behoorlijk in het Spaans en Grieks uit de voeten kon.

Ik ben dus al vroeg gewend geraakt aan het gegeven dat er weinig Nederland was en héél veel buitenland, en aan de noodzaak om zo af en toe buitenlands te kunnen spreken. Mijn eerste pogingen tot Duits schijn ik in Salzburg te hebben ondernomen op ongeveer zesjarige leeftijd. Goed gelet hebbende op de omgangsvormen aldaar, sprak ik tijdens een toeristische rondrit door de stad de koetsier aan met ‘Herr Professor’.

Ik ben ook al vrij snel gewend geraakt aan het idee dat hoe wij de dingen thuis deden niet altijd overeen kwam met hoe men elders de dingen deed. Hoe wij de dingen thuis deden was alleen thuis vanzelfsprekend en hoe anderen de dingen elders deden was daar weer vanzelfsprekend. En beide vormen van vanzelfsprekendheid hadden zo hun redenen, die niet per se voor elkaar onder hoefden te doen.

Mijn ouders lieten hun kinderen niet alleen naar het buitenland reizen. Zo zijn we ooit – ik meen in Utrecht – meegenomen naar een joodse bruiloft. Vooraf werd ons verteld dat joden in de synagoge hun muts ophielden waar wij die in de kerk juist afdeden. Maar we deden het allebei voor God en dat was nog Dezelfde ook. En we mochten beslist niet in de lach schieten als de bruidegom een glas kapot trapte! Mijn broertje en ik waren de enige twee in de hele sjoel die hun ponum in de plooi hielden bij die gelegenheid. Je pikt ze er zo uit die tofele monen.

Andere mensen deden de dingen soms anders dan wij en dat was niet alleen volkomen normaal, er waren ook goede redenen voor. Wie de wereld zo leert kennen, wordt iets ontnomen: na zo’n opvoeding kun je de dingen zoals we ze thuis doen, niet meer zien als vanzelfsprekend, laat staan als beter dan hoe ze elders of door anderen worden gedaan. Niet dat je nooit denkt: dat doen wij beter. Dat denk je natuurlijk met enige regelmaat, maar je bent je veel meer bewust van het feit dat het een mening blijft ook als je er heilig van overtuigd bent, zoals de ander ook maar een mening heeft. En beide meningen zijn – ik noem het woord toch maar – net zo hard door je cultuur bepaald als door je overwegingen.

Er gebeurt trouwens ook nog iets veel verstrekkenders: het onderscheid tussen ‘wij hier’ en ‘hullie daar’ vervaagt. Het kan zomaar gebeuren dat je beseft dat hoe anderen de dingen elders doen, bij jouw is gaan horen. Een cultuurrelativist was ik dus al voordat ik de jaren des onderscheids had bereikt. Nu blijkt dat er voor die blik op de wereld een woord bestaat: oikofobie, de angst voor het eigene.

Een instinctieve neiging de eigen cultuur, de eigen gebruiken, de nationale identiteit en geschiedenis af te vallen. Belachelijk te maken. Te verzwakken, te beschimpen.

Ik citeer degene die het begrip in Nederland heeft geïntroduceerd (maar niet heeft uitgevonden) Thierry Baudet, iemand die ik tot dusverre alleen maar kende vanwege zijn – hoe zal ik het netjes zeggen – wat onmodieuze ideeën over de omgang met vrouwenOikofobie ‘doortrekt’ – aldus Baudet – ‘de hele maatschappelijke elite’. Die angst voor het eigene heeft geleid tot multiculturalisme, het Europese project, modernisme in de kunst en het toejuichen en stimuleren van ongebreidelde immigratie.

Ik moet meneer Baudet teleurstellen. Oikofobie is een heleboel, maar het is alles behalve een fobie, het is eerder een gebrek aan. Ik raak niet zo snel van slag als de dingen ineens anders gaan dan thuis, als de mensen ineens andere kleren aan hebben, andere muziek maken, andere dingen mooi vinden of anders met mij omgaan dan ik ‘thuis’ gewend ben. Ik ben niet zo bang voor een beetje buitenland, erger nog: ik ben het gewend en ervaar het vaak niet eens meer als ‘anders’. Maar als het gaat zoals het klokje thuis tikt, wordt ik er echt niet onrustig van.

En het heeft ook bijzonder weinig te maken met een attitude jegens dat oikos. Want wat ik ervaar als het ‘eigene’, dat bepaal ik zelf wel. Dat ‘eigene’ ligt voor mij bij heel wat meer dan bij ‘de eigen cultuur, de eigen gebruiken, de nationale identiteit en geschiedenis’. Die zijn leuk, interessant en zéér de moeite waard, zoals ook de cultuur, de gebruiken, de nationale identiteit en geschiedenis van anderen zéér de moeite waard kunnen zijn.

En dat is niet de enige dimensie waarin dat ‘eigene’ kan verschillen van het ‘eigene’ van anderen. Een klein maar belangrijk deel van mijn ‘eigene’ bestaat bijvoorbeeld uit religieus erfgoed dat binnen onze cultuur bij voorkeur wordt ingeruild voor wat men ‘humanistische’ en ‘liberale’ waarden noemt. Ik heb het hier dus niet over gregoriaans. Die waarden zijn wel degelijk onderdeel van de geschiedenis van onze cultuur, maar de erosie ervan is inmiddels kenmerkender voor die cultuur dan het behoud (terzijde: hier kunt u lezen hoe ver – en sluipend – dat gaan kan).

Het kan nog gekker: Baudet ziet als één van de uitvloeisels van oikofobie de atonale muziek. Ik citeer nog even:

Kunst moet geen geborgenheid bieden: kunst moet shockeren. De vervreemdende klanken van de atonale muziek; de onbegrijpelijke stellages en kleurstrepen in moderne musea; de afschrikwekkende bouwsels die in elke stad verrijzen

Het draagt volgens Baudet allemaal bij aan ‘een wereld zonder thuis’. Wat is dat toch met die reactionaire geesten? De Britse psychiater Theodore Dalrymple kon ook al zo tekeer gaan tegen Le Corbusier als maatschappelijke misstand. Maar goed, dat is stof voor een andere blogpost.

Ik ben de zoon van een organist, iemand uit de lower class, en het is onmogelijk om in de twintigste eeuw op te groeien als zoon van een organist zonder kennis te maken met types als Olivier Messiaen, een Franse componist van muziek waar je naar moet leren luisteren. Ik weet niet of Baudet het ‘atonaal’ zou noemen, dat is het namelijk niet altijd, maar ik heb zo’n vermoeden dat hij het wel zo ervaart en de voorkeur geeft aan meer ‘pijnloze muziek’.

Ik kan hiervan genieten, mij shockeert het niet, maar ik begrijp ook dat mensen het lelijk kunnen vinden. Dat ze het aanduiden als een teken van maatschappelijke ontwrichting vat ik op als een hyperbolische verwoording van de hardgrondigheid van hun afkeer. Maar ondertussen weet ik: dit zijn gewoon mensen die nooit goed hebben leren luisteren. Ja, dat is elitair ja. Kan ik het helpen dat ik een goeie opvoeding heb gehad?

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Samenleving en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

7 reacties op Opvoeding

  1. Rob Alberts zegt:

    Een open oog voor de waarden en normen van een ander verlangt kracht en zelfvertrouwen.

    Jammer genoeg overheerst de angst steeds meer in Nederland.

    Vriendelijke en bezorgde groet,

  2. Ook ik ben de zoon van een organist die alleen een MULO-diploma had en ik kan getuigen dat zo iemand vloeiend Engels, Duits en Frans kan lezen, schrijven en spreken. Of zoals A.J. Klei het ooit in Trouw uitdrukte: “Een doctorandus is iemand die vroeger een MULO-dploma had”. Maar dit terzijde: het viel mij op dat de kunstopvatting van Baudet veel gelijkenis vertoont met de kunstopvatting van de Nazi’s, samengevat in het begrip “Entartete Kunst”. Ook de Duitsers van toen was hun ‘thuis’, hun identiteit, door de geallieerden van de Eerste Wereldoorlog (buitenlanders dus) ontnomen. En niets is zo gevaarlijk als een individu c.q. een heel volk zijn identiteit bedreigen. Dan gaat het wild om zich heenslaan om zijn leven te redden. Dat is de essentie van fascisme. Met Baudet en ‘het populisme’ zitten we een in voorstadium. Laten we zo verstandig zijn naar ze te luisteren in plaats van ons arrogant terug te trekken in veilige en abstracte ivoren torens hoog boven de realiteit van waaruit we lekker op het gepeupel kunnen neerkijken. Er liggen al genoeg onbetaalde rekeningen.

    • Ik ben doorgaans een groot voorstander van theedrinken, maar of ‘luisteren’ hier een oplossing is, vraag ik me af. Dat is een echt dilemma: soms ontkom je niet aan arrogantie. Soms wéét je gewoon dat je het beter weet en weet je ook hoezo en waarom je het beter weet en zelfs van het hoe en waarom de ander het gewoon bij het verkeerde eind heeft. Ik vergelijk het wel eens met het opvoeden van jonge kinderen: soms weten ouders het gewoon beter, en weten ze ook waarom die kinderen ongelijk hebben, niet in het minst omdat ze ooit zélf kinderen waren. Gekmakend moet dat zijn voor die opgroeiende kinderen. Misschien ook wel voor de ouders, dat ga ik nog meemaken 🙂

  3. mnb0 zegt:

    “en elk van die talen beter dan ik mijn beste buitenlandse taal sprak toen ik jaren later van het VWO kwam.”
    Ah – ik kwam in 1981 van het VWO en mijn Engels was beter dan dat van mijn vader, die ruim twintig jaar eerder van de MULO kwam en daarna naar de kweekschool ging. Maar ik geef meteen toe dat mijn Duits en Frans verschrikkelijk zijn en bovendien nooit beter geworden.

    “Baudet ziet als één van de uitvloeisels van oikofobie de atonale muziek.”
    Ach ach. Baudet heeft duidelijk nog nooit de elegantie van de volstrekt atonale Roslavetz mogen ervaren. OK. Maar dat hij nog nooit een diep ontroerende van het evenzeer atonale vioolconcert van Alban Berg (“To the memory of an angel”) laat toch wel zien dat hij even conservatief is als de critici die dik 200 jaar geleden Beethoven verwierpen.
    Overigens vind ik Messiaen saai. Ik luister liever naar – zeer shockerend – Uvolstkaja.

    Dat is pas vervreemdend – en de uitdrukking van wat een op het eerste gezicht lieftallig oud vrouwtje (ze was 66 of 67 toen ze het schreef) ervoer.

  4. Ik mag Baudet graag maar ik vind zijn afwijzing van de moderne, atonale muziek wel wat paradoxaal. Baudet houdt namelijk vooral van de 19de eeuwse romantische muziek, maar is de atonale muziek niet gewoon de voortzetting van die romantische muziek (zoals Reinbert de Leeuw nooit moe wordt uit te leggen dat de atonale muziek is begonnen met de ouverture van Wagners’ ‘Tristan und Isolde’)? Sowieso denk ik dat alle moderne kunst in wezen romantische kunst d.w.z. christelijke kunst en dus bij uitstek westerse kunst is:
    http://gebandvanjoop.blogspot.nl/2015/05/alle-moderne-kunst-is-romantisch-en.html

    Dat moderne kunst zo ‘lelijk’ is (al ben ik er dol op), komt aldus dat het subliem in plaats van schoon wil zijn (waarbij het geestelijke geheel het lichamelijke heeft overwonnen; het christelijke leven in de geest in plaats van het vlees), maar heeft ook te maken met die ‘opvoeding’ waar Richard over spreekt. De Griekse filosofie is – zo zou je kunnen zeggen – voortgekomen uit het contact met andere culturen waardoor het eigene niet meer vanzelfsprekend was en filosofen gingen zoeken naar het ware op grond van een universele rede. Zoals bekend moest Socrates sterven vanwege het filosofisch project, maar de moderniteit – opnieuw onder invloed van het christendom dat ‘alles nieuw maakt’ (de Renaissance) – zou dit kritisch rationalisme tot haar hoogtepunt voeren en zo elke traditie en elke zekerheid vernietigen. De moderniteit is een continuum van crises en moderne kunst is daarvan een weerspiegeling. Op z’n best schept de moderne kunstenaar – na de dood van God – als een kleine god zijn eigen waarheid, maar Baudet lijkt bij het verdwijnen van de 19de eeuwse schone kunst ten gunste van de moderne kunst bevangen door de verontrusting die Nietzsche zo mooi beschreef als de mens al zijn houvast verliest:

    “Hoe hebben wij de zee kunnen leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de horizon uit te vegen? Wat hebben wij gedaan, toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? In welke richting beweegt zij zich nu? In welke richting bewegen wij ons? Weg van alle horizonnen? Vallen wij niet aan één stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, naar alle kanten? Is er nog wel een boven en beneden? Dolen wij niet als door een oneindig niets?”

  5. Pingback: Tellen en schatten | Apoftegma

  6. Pingback: Thuisonderwijs | Apoftegma

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s