Apoftegma

de Maltawet

Advertenties

Begin jaren tachtig trokken archeologen massaal aan de bel: ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland (lees: bouwactiviteiten) bedreigden archeologische resten in de bodem. ‘Het Bodemarchief’ zou – als dat zo doorging – weldra ‘op’ zijn. Voorbodes daarvan waren al aan te wijzen: zo waren er geen ongeschonden grafheuvels uit de Bronstijd meer over voor archeologisch onderzoek. Nu waren die merendeels wel onderzocht, maar dat gold niet voor de grootste hap van het bodemarchief, dat ongezien en ongekend verloren ging als gevolg van bouwactiviteiten. Tussen 1950 en 1980 zou – volgens schattingen – één derde van het bodemarchief al zijn verdwenen.

Dat kwam deels omdat bouwactiviteiten niet gebonden waren aan een archeologische onderzoeksplicht en deels omdat het werk van archeologen destijds een kwestie was van slechts een handvol in overheidsdienst werkende archeologen en verder alleen onbetaalde vrijwilligers en studenten. Het ontbrak de Nederlandse archeologie eenvoudig aan regelgeving, mankracht en financiën. Daar moest verandering in komen en na veel aan de bel trekken en flink gelobby tekende minister Hedy d’Ancona in 1992 het Verdrag van Malta.

Dat verdrag regelde in Europees verband het idee dat archeologisch onderzoek voortaan onderdeel moest gaan uitmaken van die ruimtelijke ontwikkelingen. Die ontwikkelingen moesten enerzijds behoud van archeologisch erfgoed mogelijk maken, anderzijds moest dat erfgoed bijdragen aan de ruimtelijke ontwikkeling. Ondertekenende lidstaten beloofden dat idee in wetgeving om te zetten.

Begin jaren negentig was dat in Duitsland sofort geregeld. Een ware volksverhuizing van Nederlandse archeologen richting Duitsland kwam op gang, waaronder auteur dezes, want plots kon je als archeoloog ook gewoon een salaris verdienen. In Nederland heeft het – formeel – tot 2007 geduurd voordat de wet was aangepast, maar in de praktijk gingen diverse grote bouwprojecten en gemeenten al werken ‘in de geest van Malta’. Op vrijwillige basis, via convenanten, of via slimme wettelijke constructies die al mogelijk bleken, werd ‘interimbeleid’ toegepast, waardoor een deel van die volksverhuizing al vrij snel weer terug golfde naar Nederland, mede geholpen door het instorten van de Duitse archeologische markt.

Archeologen zagen dankzij deze wettelijke veranderingen de zilvervloot al binnenvaren. Het in het Verdrag van Malta vastgelegde principe ‘de verstoorder betaalt’ zou gaan zorgen voor een gegarandeerde stroom aan geld waarmee archeologisch onderzoek kon worden betaald. En niet onbelangrijk: uitgevoerd onderzoek kon dan ook worden gepubliceerd, want dat was de Achilleshiel van het archeologische bestel tot dan toe: het grootste deel van alle archeologisch onderzoek bleef onuitgewerkt op de plank liggen omdat zich na elke opgraving wel weer een volgend noodgeval aandiende. Archeologen waren vooral bezig met opgravingsgewijs redden wat er te redden was.

Die zilvervloot viel uiteindelijk een beetje tegen, niet qua omvang, maar wel qua vrijheid,  want met het verdrag van Malta werd in Nederland ook ‘marktwerking’ ingevoerd. Voortaan zouden archeologische bedrijven op een archeologische ‘markt’ bouwheren (en dames) en projectontwikkelaars gaan bedienen. Dat leidde niet alleen tot concurrentie tussen archeologen onderling (nota bene op – wat God verhoedde! – prijs!!), maar ook tot opdrachtgevers die zich met verve gingen bemoeien met de manier waarop archeologisch onderzoek werd uitgevoerd.

Het overgrote deel van de samenleving beschouwt archeologie namelijk vooral als een interessante hobby, met de nadruk op het woord ‘hobby’. En dat gevoel is natuurlijk wat sterker als je moet gaan betalen voor de hobby van een ander, waarbij die ander ook nog eens bepaalt hoe je die hobby moet uitoefenen. Al snel leidde dat tot hilarische ontwikkelingen in de archeologische markt. Maar daar blog ik een andere keer over. Vandaag wil ik alleen iets constateren dat me al jaren opvalt, maar waar ik nog nooit een archeoloog over heb gehoord.

We dachten in de jaren tachtig dat de Nederlandse archeologie op zou raken, maar sinds we werken volgens de bepalingen in het Verdrag van Malta, blijkt Nederland stamp- en stampvol te zitten met archeologie. Dat bleek zó snel dat er al tijdens de interim-periode archeologen waren die waarschuwden voor een zodanige overmaat aan archeologisch onderzoek dat de beroepsgroep het allemaal niet meer zou kunnen behappen: het ‘rapportenkerkhof’.

Sinds de invoering van het werken volgens Malta heb ik nooit meer een archeoloog horen klagen over het dreigende op raken van het Nederlands archeologisch bodemarchief (een uitzondering zijn scheepsarcheologen, maar dat is dan ook een héél ander verhaal). Dat is natuurlijk logisch als het land bij nader inzien toch nog stampvol met archeologie blijkt te zitten. Maar ik heb ook nog nooit een archeoloog horen opmerken dat onze inschatting van het Nederlandse potentieel aan bodemarchief uit de jaren tachtig er kennelijk grondig naast zat. En dat is wél eigenaardig.

Advertenties