Thuisonderwijs

Eén van mijn vaste reageerders maakte onlangs een opmerking over mijn voornemens aangaande de religieuze opvoeding van mijn dochter: “Ah, thuisonderwijs met al zijn subjectieve bezwaren en voorkeuren.”

Naar aanleiding van die opmerking ben ik me eens gaan afvragen wat ikzelf eigenlijk te danken heb aan ‘thuisonderwijs’, want hoewel ik gewoon een gebruikelijk schoolcurriculum doorlopen heb, hebben mijn ouders me in niet geringe mate bijgespijkerd en ik denk dat dat voor de meeste ouders geldt. Een inventarisatie.

Muziek

Van mijn vader heb ik niet alleen gregoriaans leren zingen maar ook leren luisteren naar – voor de meeste mensen onbegrijpelijk lelijke – moderne muziek, etnische muziek (en waarom en hoe dat anders is dan westerse), polyfonie en boventonen (vooral het luiden van klokken en Mongolenzang). Daarnaast kan ik dankzij hem behoorlijk goed uitleggen hoe een orgel werkt, naast een schip zo’n beetje het ingewikkeldste apparaat dat een pre-industriële samenleving kan voortbrengen. Ik heb ook iets opgestoken over de kwintencirkel, stemmingen en ik kan noten lezen (maar dan ook niet méér, het is eigenlijk meer ‘ontcijferen’).

Ik weet ook iets over de diabolus in musica: de overmatige kwart (het interval tussen fa en ti in do-re-mi-fa-sol-la-ti-do), die in westerse muziek altijd klinkt als er stront aan de knikker is. Op zich niets meer dan een borreltafelfeitje, maar zo kan het je zomaar overkomen dat het interval je precies op het juiste moment opvalt in de filmmuziek van de kaskraker Titanic (die met la Winslet). Dat zorgt dan toch voor een extra ervaring, zeg maar.

Pakweg het eerste half uur van de film zie je alleen shots die de enorme omvang van die boot benadrukken en de muziek schalt vrolijk fa-sol-la-do etc, met weglating van de ti. En dan, als het verhaal is neergezet, de personages zijn geïntroduceerd, het publiek weet dat de ramp zich nu kan gaan ontvouwen, de camera voor het eerst uitzoomt naar een punt ver boven in de lucht zodat we een héle grote Atlantische oceaan zien met daarin een héél klein Titanicje en je je als kijker ineens realiseert dat die reus eigenlijk maar heel nietig is, sluit de muziek af met een kleine variatie op het muzikale thema van de avond: fa-sol-la-ti-do. Ja hoor: daar komt die vermaledijde ijsberg.

Talen

Ik heb wel eens geblogd over het feit dat mijn beide ouders MULO hadden en dus Frans én Duits én Engels vloeiender spraken dan ik mijn beste taal sprak toen ik van het VWO af kwam. Dat heeft op zichzelf al invloed op een kind: je leert ervan dat het heel normaal is om een paar talen te kennen en je elders anders uit te drukken. Mijn vader was nog erger: die leerde voorafgaand aan een vakantie de hele Berlitz taalgids uit zijn hoofd en was bovendien slim genoeg om uit de standaardzinnen in de taalgids grammaticaregels te destilleren en zelfstandig toe te passen.

Zo heeft hij behoorlijk Spaans, Grieks en Italiaans geleerd en zelfs Ivriet ging hem redelijk af. Van die eerste drie talen is bij mij flink wat blijven hangen, van de laatste weet ik alleen nog achat, sjetajiem… Er bestaat een foto van hem met een Griekstalige krant in de hand. Dat alfabet kon hij niet lezen, maar onder zijn invloed leerde ik het wel (als jongetje van tien) en zo kon ik in het museum van Delphi een Oud-Griekse inscriptie waar ik verder niets van begreep, toch hardop voorlezen. Als kind leer je hier van dat het leren van een andere taal niets bijzonders is, dat je er eigenlijk alleen doorzettingsvermogen en tijd voor nodig hebt.

Die talenkennis werd ook actief gestimuleerd. Van mijn vader herinner ik me twee ‘projecten’: het verzamelen van de uitdrukking ‘smakelijk eten’ in zoveel mogelijk talen en het opsporen (we hadden er zelfs een schrift voor) van Franse woorden in het Nederlands. Dat laatste project was een voorbereiding op ons eerste bezoek aan Frankrijk. Eenmaal daar werden we er zélf op uit gestuurd als we wat wilden van de natives. Had ik een mes nodig? ‘Ga het zelf maar vragen’, riep mijn moeder. Couteau, ik weet het nu nóg… en wie mijn bio leest op dit blog, ziet vanzelf waar dat toe geleid heeft.

Kunst

Datzelfde jongetje van tien kon moeiteloos Romaans van Gotisch van Classicistisch van Barok en Rocococo onderscheiden, wist wat le Corbusier zoal had gebouwd en kon een Hamadan onderscheiden van andere Perzische tapijten. Het was vooral mijn moeder die ons ‘bouwstijlen’ bijbracht en ons ook liet zien dat gotiek er in Engeland anders uit zag dan in Duitsland of Frankrijk. Zij heeft me geleerd wat clair obscure was en van haar heb ik ook nog steeds een grote voorliefde voor iconen overgehouden.

Nederlands

Mijn moeder heeft haar hele werkzame leven Nederlands gegeven op middelbare scholen. Dat vak had ik ook op school, maar van mijn moeder heb ik toch de meest nuttige dingen geleerd. Twee voorbeelden.

Om te bepalen of een voltooid deelwoord een ‘d’ of een ‘t’ aan het eind moet krijgen, leert iedereen de truc van ’t fokschaap (of ’t kofschip). Ik trouwens niet, mijn school deed daar niet aan en ik weet niet meer welke oplossing zij dan wel hanteerden. Nadeel van die ezelsbrug is dat bij sommige werkwoorden de medeklinker waar het om gaat nog wel eens wil wijzigen van een stemhebbende naar een stemloze (dat is het eigenlijke criterium) en je in zulke gevallen verkeerd kiest. Mijn moeder had een betere truc: maak er een bijvoeglijk naamwoord van, dan hoor je het vanzelf. Werkt perfect – en altijd – voor native speakers.

Als tiener kon ik absoluut niet samenvatten, wat toch een behoorlijk belangrijk onderdeel is van het vak Nederlands en bovendien ook nuttig voor andere talen. Wat ik ook probeerde: ik bleef maar slechte cijfers halen. Het was mijn moeder die dat in één klap met één überbasic constatering oploste: ‘Je moet niet opschrijven wat je zelf denkt, je moet opschrijven wat de auteur denkt.’ Het kwartje viel onmiddellijk, nooit meer problemen mee gehad. Soms is onderwijs geen kwestie van didactiek of pedagogiek, maar gewoon in staat zijn op het meest ondenkbaar basale niveau het juiste probleem te identificeren.

Cultuur

Grieken zeiden ‘nee’ als ze ‘ja’ bedoelden en smeten het servies kapot als ze tevreden waren over het eten in een restaurant. Joden trapten een glas kapot tijdens een bruiloft en hielden hun hoed op in de sjoel, terwijl wij die in de kerk juist af deden. Een orthodoxe mis duurde wel drie, vier keer zo lang als die van ons, en je moest er bij blijven staan ook nog. Engelsen gebruikten bij elk verzoek ‘please’, zelfs al was het de Bobby die je aanhield en om je rijbewijs vroeg. Die Bobby was trouwens onbewapend en de straffen voor het doden of verwonden van een politieagent waren in Engeland dan ook heel erg hoog.

In het zuiden van de Verenigde Staten waren er zwarte gemeenschappen die hun overledenen ten grave droegen onder begeleiding van vrolijke jazz, en daar zat een gedachte achter. In Malawi gebruikte je een huis alleen om in te slapen. De rest van je leven speelde zich daar buiten af op de pa nkomo. In China was de uitdrukking ‘dankjewel’ eigenlijk alleen gebruikelijk als iemand zojuist je leven had gered. Eskimo’s boden je bij wijze van gastvrijheid hun vrouw of dochter aan (en missionarissen aldaar maar denken dat het een losgeslagen bende was).

Ik heb er al eens over geblogd: één van de meest nuttige lessen die ik thuis heb opgestoken, is het besef dat mensen de dingen elders anders deden, en dat men daar ook goede redenen voor had, net als wij die hadden voor onze manier van doen. Cultuurrelativisme, ik ben ermee gebóren…

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Mijzelf en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

6 reacties op Thuisonderwijs

  1. henktjong zegt:

    Je bent er niet mee geboren: je bent het gemaakt.

  2. mnb0 zegt:

    U mag zich gelukkig prijzen. Mijn vader verdween onvrijwillig uit mijn leven toen ik zes was en keerde terug (eigenlijk keerde ik naar hem terug) toen ik bijna 18 was en er middels thuisonderwijs niet zoveel meer viel te verhapstukken. Van mijn moeder heb ik alleen goede manieren geleerd en van mijn stiefvader hoegenaamd niets – ik gaf geen donder om hem. Voor mijn zesde was ik al wel met enige klassieke muziek geconfronteerd (ik herinner me dat ik een passage uit deel 1 van de Symphonie Pathetique associeerde met een kudde op hol geslagen paarden); bovendien zat ik vanaf mijn tiende of elfde op muziekles.
    Gelukkig heb ik op inhoudelijk goede scholen gezeten. Dat mijn Frans en Duits ernstig te wensen overlaten komt vooral door mijn ernstig gebrek aan talentalent (mijn zoon heeft dat gelukkig van zijn moeder). Ik kan geen woordjes leren (ook geen telefoonnummers en dergelijke). Ik was jaargenoot van wijlen Joost Zwagerman, maar nooit in dezelfde klas. Maar ik herken gemakkelijk de invloed van de middelbare school op zijn schrijfstijl; diezelfde invloed heb ik ook ondergaan. Overigens deel ik zijn afkeer van die periode.
    Verder heb ik het helemaal zelf gedaan. De diabolus in musica ken ik, als zovelen van mijn generatie, middels Black Sabbath. Omdat ik niet alleen de kwaliteiten maar ook de beperkingen van die band al vroeg inzag heb ik dat akkoord nooit met duivelse zaken in verband kunnen brengen; mijn vroegtijdig ongeloof (vanaf mijn 13e of zo) hielp ook. Vanaf mijn 18e verloor ik tijdelijk mijn belangstelling voor hardrock en heavy metal en dook in de klassieke muziek. Sindsdien weet ik aardig wat af van de Russen. Er zijn er niet zoveel in Nld. die beter bekend zijn met Tchaikovsky dan ik. Andere favorieten zijn Mussorgsky, Shostakovich en de zwaar ondergewaardeerde Roslavetz en Ustvolskaja (die dame timmert de schedel net zo hard in als de hardste rocker). Die hebben mij zodanig aan atonale muziek doen wennen dat ik aan de ene kant de schoonheid van Alban Berg’s vioolconcert kan herkennen terwijl ik Schönberg helemaal niets vind; maar aan de andere kant heb ik soms moeite de spanningen te herkennen die met conventionele, tonale middelen wordt gewekt. Al vroeg had ik door dat atonaliteit een geliefde illustratie is in griezelfilms.

  3. mnb0 zegt:

    (vervolg)
    Twee van mijn dierbaarste culturele herinneringen zijn concerten van het Leningrader Philharmonie in De Doelen en het Concertgebouw. In Rotterdam speelden ze het Eerste Pianoconcert van Prokofjev; ik kon me levendig voorstellen hoe gechoqueerd de conservatief Glazunov geweest moet zijn. De uitvoering van Shostakovich’ Zevende was ronduit overweldigend. In het Concertgebouw speelden ze als toegift een Menuet van Mozart. Nooit heb ik 120 man zo zachtjes en subtiel horen spelen. De Grote Mravinsky was thuisgebleven; maar dit had ik al op TV gezien. Misschien de ruigste muziek uit de Twintigste Eeuw en de man is een volstrekte minimalist. Ik heb net weer even gekeken en geluisterd, met tranen in mijn ogen.

    Net als JonaL was de openbare bibliotheek een reddingsboei. Politiek en politieke geschiedenis was als tiener mijn andere passie (nooit helemaal verdwenen), dus ik las wat er te vinden was. Qua literatuur maakte ik geen enkel onderscheid, behalve middels mijn onderbuik. Karl May verslond ik net zo hard als Simon Vestdijk en later misdaadromans.
    Ook mijn voorkeuren op filmgebied heb ik zelf ontwikkeld. Ook schaken (passief en actief) en voetbal (passief) zijn passies die uit die tijd stammen. Over geen zal ik uitweiden, want ik neem al te veel ruimte in beslag. Het punt is slechts dat ik die niet van oudere generaties heb overgenomen.

    De enige doorslaggevende invloed die ik heb uitgeoefend op mijn zoon is hardrock. Hij was volstrekt kansloos; het eerste wat hij kon zingen als peuter was Black Sabbath’ Iron Man, met eigen tekst (een hele verbetering naar mijn mening; jammer dat ik hem nooit heb opgeschreven).

  4. henktjong zegt:

    Moeten we nu allemaal onze autobio hier plaatsen?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s