Uitsluiten

Onlangs blogde ik over de foutieve inschatting die archeologen in de jaren tachtig maakten over de snel slinkende omvang van het bodemarchief. Die inschatting bleek onjuist toen de wetten en regels aangaande de archeologie werden gewijzigd en men binnen bouwprojecten voortaan ook zorg moest dragen voor archeologische resten in de bodem. Nederland bleek nog steeds stampvol met archeologie te zitten. De wijzigende regel- en wetgeving zorgde voor een min of meer gegarandeerd financieringsmodel voor archeologisch onderzoek: ‘de veroorzaker betaalt’ werd het principe en waar iemand de bodem verstoort, moet dus geld beschikbaar komen voor archeologisch onderzoek.

De overheid besloot om de archeologie te laten regelen via de ‘tucht van de markt’. Tot dan toe mocht oudheidkundig bodemonderzoek uitsluitend worden uitgevoerd door instanties (het Rijk, universiteiten en een enkele gemeente) die daarvoor een vergunning hadden. Eigenlijk een verkeerde benaming, want het uitvoeren van bodemingrepen met het doel oudheidkundige voorwerpen te bekomen is bij wet verboden. Het was dus eerder een opgravingsontheffing.

Dat vergunningstelsel werd zo gewijzigd dat bedrijven er ook mee konden gaan werken en het monopolie dat overheden en universiteiten tot dan toe hadden, werd doorbroken. Maar de archeologische wereld, die eerst vooral de zilvervloot had zien binnenvaren, zag ineens donderwolken aan de hemel verschijnen. Dit betekende namelijk dat in principe zomaar iedere archeoloog archeologisch onderzoek kon gaan doen. Dat was natuurlijk niet de bedoeling!

Ik vrees dat ik dit even moet uitleggen. Archeologen – verder prima mensen hoor, sommige van mijn beste vrienden zijn archeoloog – hebben geen enkele last van welke vorm van beroepssolidariteit dan ook. Archeologen kijken vooral met grote argusogen naar elkaar en elkaars werk. Het is een wat onsympathiek trekje, maar wij nemen onze collega’s graag de maat en eigenlijk doen we dat uitsluitend in negatieve zin. In het oude systeem werd dat min of meer opgelost door eigen territoria. De Rijksdienst deed geen onderzoek binnen een gemeente met een eigen archeoloog, behalve als het om een Rijksmonument ging. Ook de universiteiten hadden zo hun eigen ‘plekjes’ in Nederland, zodat de gelegenheden voor onderlinge kinnesinne zo beperkt mogelijk werden gehouden.

Nu werd dat allemaal anders. In potentie kon nu iedereen overal archeologisch onderzoek gaan doen, want het waren de opdrachtgevers die gingen bepalen wie ze zouden gaan inhuren. Het gonsde al rap van de geruchten over de ‘commerciële archeologen’, de civieltechnische adviesbureau’s die graag een graantje mee zouden pikken,  de opdrachtgevers die zouden gaan betalen voor het ‘gewenste onderzoeksresultaat’, de ‘snelle jongens’ die hun ethiek voor het grote geld wel opzij zouden willen zetten en de ‘cowboys’.

Al snel werd binnen de beroepsgroep nog maar over één ding gesproken: uitsluitingsmechanismen. Hoe houden we de beunhazen buiten de deur? Voor nogal wat archeologen was dat het grootste deel van de beroepsgroep. Zo moest er een beroepsvereniging komen die leden die buiten de pot pisten, kon royeren. Dat vroeg op zijn beurt om een ethische code, want anders kun je de rand van de pot niet bepalen. Nu waren er ook buitenlandse beroepsverenigingen met eigen ethische codes waar sommige archeologen al lid van waren. Dus kwam de roep er om een beroepsregister waar alleen ‘registerarcheologen’ zouden worden toegelaten die lid waren van zo’n vereniging.

Behalve de ethische code zouden er ook kwaliteitseisen moeten komen. Daar was ook onder opdrachtgevers grote behoefte aan, dus dat kwam mooi uit. De minister zag niet veel in het vastleggen van goede wetenschap in de wet en liet dat aan de beroepsgroep over. In de wet werd een artikel opgenomen waarin werd geëist dat archeologisch onderzoek moest gebeuren ‘volgens de in de beroepsgroep gebruikelijke normen’. Daar doken de archeologen bovenop.

In een mum van tijd werd door een commissie van belangrijke archeologen (het College voor de Archeologische Kwaliteit – CvAK – later het Centraal College van Deskundigen – CCvD), in samenwerking met CBE consultants, de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie opgesteld, die werd gepresenteerd als de ‘in de beroepsgroep gebruikelijke normen’. In een memorie van toelichting op de wet kwam dat ook te staan: wie volgens de KNA werkte, werd geacht volgens die in de beroepsgroep gebruikelijke normen te werken.

Maar die KNA was alles behalve dat: het beschreef een werkproces voor verschillende soorten onderzoek dat in de hele geschiedenis van de Nederlandse archeologie nog nooit eerder was vertoond. De KNA lanceerde iets volslagen nieuws: een hele reeks processpecificaties waarin nauwkeurig werd beschreven uit welke stappen onderzoeken bestonden en controlemomenten waarbij de archeoloog van dienst op een formulier zijn paraaf of handtekening moest zetten ten teken dat hij of zij de stap gecontroleerd had.

En die archeoloog van dienst mocht niet zomaar een archeoloog zijn, nee zeg, kom nou. De KNA introduceerde zogenaamde ‘actoren’: de ‘KNA-prospector’ bijvoorbeeld en de ‘senior-KNA-archeoloog’ met daarbij een hele reeks opleidings- en ervaringseisen aan de hand waarvan je kon bepalen of je nu wel of niet gerechtigd was om een gat te graven, het gat van een ander te controleren of daarover te rapporteren.

Rond de tijd dat de eerste versie van de KNA verscheen, was de Maltawetgeving in Groot Brittannië al ingevoerd. Engelse archeologen zijn doorgaans zéér goed opgeleid en er bestonden daar al goed functionerende archeologische bedrijven. Eén van de meest basale opleidingseisen in de KNA was dan ook een studie in de archeologie van noordwest Europa. In een voetnootje werd daarbij gemeld dat het hierbij ging om het vasteland en niet de Britse eilanden. Wij archeologen waren er als eerste bij met de Brexit.

Ik herinner me nog goed hoe een voorzitter van een nieuw in het leven geroepen beroepsvereniging een archeoloog met een – zeer goed aangeschreven – buitenlandse opleiding probeerde buiten de club te houden met een beroep op een aantal statuutsbepalingen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat achteraf bleek dat die bepalingen helemaal niet in het statuut stonden, maar het illustreert wel waar archeologen destijds met hun hoofd zaten: de barbaren stonden voor de poort, alle hens aan dek.

Tot slot kwam er een Rijksinspectie voor de Archeologie (RIA, later opgegaan in de Erfgoedinspectie), die de naleving van de KNA namens het ministerie zou gaan controleren. Dat deden ze vooral voor bedrijven, want in die commerciële hoek werden de barbaren verwacht. De gevestigde archeologen bij de universiteiten en overheden waren vanzelfsprekend te vertrouwen. Daar is overigens langzaam en veel later – en met véél moeite – wel verandering in gekomen.

Het was de Inspectie die bij gebleken tekortkomingen de vergunning van bedrijven kon laten intrekken. Bij mijn weten is het daarvan nooit gekomen, want het was een uiterste middel, maar de Inspectie wist onder dreiging van deze straf ervoor te zorgen dat archeologen in het veld hun parafen op het juiste moment op de juiste formulieren zetten, of het in ieder geval achteraf op papier zo konden laten lijken.

Ik ken een archeoloog die bij een onaangekondigde inspectie vroeg of hij het zojuist aangelegde profiel eerst even mocht documenteren. Dat mocht niet, het was een verrassingsbezoek en ze wilden de parafen nú zien. Terwijl de inspecteur zich om de kwaliteit van het onderzoek bekommerde, hoorden ze in de achtergrond het profiel met een luide plof instorten. Daarmee kon het hele onderzoek worden afgelast.

Ik ken een andere archeoloog die de inspectie met hun eigen wapens bestreed. De opgraving die werd bezocht, lag op een terrein waar medewerkers verplicht waren een veiligheidspasje bij zich te hebben. Dat pasje kreeg je pas na het doorlopen van een eendaagse cursus. U raadt het al: geen pasje? Wegwezen!

Het was ook de Rijksinspectie die in 2005 een groot gat in de uitsluitingsmechanismen wist te dichten door te bepalen dat het zetten van boringen als vorm van archeologisch vooronderzoek hetzelfde was als archeologisch opgraven en dus onder dezelfde regelgeving viel. Tot dan toe waren daar – zelfs onder archeologen – uitsluitend grappen over gemaakt.

Alleen het beroepsregister kwam er – ondanks lang en nadrukkelijk aandringen van allerlei partijen – nooit en dat zou zo gebleven zijn als de minister niet op enig moment had bedacht dat die controle vanuit de overheid wel wat minder kon. Zou het niet beter zijn als de beroepsgroep zichzelf ging controleren? Zo kwamen we aan ‘certificering’ van bedrijven en van individuele archeologen. Daar blog ik misschien een andere keer nog over, zo gauw ik er uit ben hoe ik dat een beetje vriendelijk kan opschrijven, want certificering tart werkelijk elk redelijk én onredelijk pessimisme.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Erfgoed en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op Uitsluiten

  1. fbikker zegt:

    Moet dit stukje niet in een landelijke krant op 1 van de wetenschappelijke pagina’s? Is toch echt een giller.

  2. Pingback: Livius Nieuwsbrief | November 2018 – Mainzer Beobachter

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s