Daniel

Majoor Daniel Tulleken, commandant van het derde bataljon Bataafse jagers, zou 10 september 1799 niet overleven, dit ondanks het feit dat hij in Alkmaar zat als aanvoerder van de achterhoede. Maar er werden die dag twee fouten gemaakt.

Ten eerste liet de opperbevelhebber, generaal Guillaume Brune, zich niet afdoende voorlichten door de locals waardoor hij een kanaal op de kaart aanzag voor een weg, via welke hij het eerste deel van het centrum van zijn troepen beval op te rukken. Die troffen geen begaanbare weg aan en kozen een andere, noordelijker gelegen weg, waarover de rechterflank had moeten oprukken, die op zijn beurt weer besloot om zijn aanval dan maar naar het noorden, naar een ander dorp, te verleggen.

Ten tweede verbleven de soldaten van het tweede deel van het centrum van de troepen nog in Alkmaar. Toen ze ten strijde trokken de stadspoort uit, werden ze gehinderd door een groot aantal wagens die uitgeladen moesten worden. Ze kwamen niet op tijd aan, waardoor de commandant ter plaatse, luitenant-generaal Jean-Baptiste Dumonceau, gedwongen was om honderd grenadiers te lenen van het eerste deel en om de achterhoede van Daniel Tulleken in te schakelen, anders kon zijn aanval op het dorpje Krabbendam niet op tijd met voldoende kracht ingezet worden.

De aanval werd ondersteund door slechts één houwitser, meer artillerie had hij niet. Het uiteindelijke doel was om de dijk rond de Zijpepolder – vlak achter Krabbendam – over te komen en zo de daarachter gelegen Engelse troepen tot de terugtocht te dwingen voordat de Russische versterkingen aan de kust van Noord Holland zouden landen. Dat lukte niet.

De Engelsen hadden hun terrein voor de invasie goed uitgekozen: een uitstekend aangelegde Hollandse polder met een forse dijk eromheen en daar weer een fors boezemwater omheen. Een onneembare vesting. Aan de linkerflank – dichter bij de kust – lukte het de Franse troepen wél om de polder te bereiken, maar de meeste soldaten verzopen in de boezem, of ze werden gedood of gevangen genomen aan de voet van de dijk.

Van de hele operatie was alleen de aanval op Krabbendam succesvol: ze verdreven de Engelsen en namen het dorpje in, vooral dankzij de inzet van het derde bataljon jagers onder leiding van Daniel Tulleken, zoon van ritmeester Oswald Tulleken, voormalig burgemeester van Hattem en nazaat van een geslacht dat zijn afstamming kon traceren tot 1444. Daniel maakte de inname niet meer mee. Hij kreeg een eervolle vermelding in het verslag dat luitenant-generaal Jean-Baptiste Dumonceau achteraf van de aanval schreef:

Le brave major Tulleken, qui commandait ces chasseurs, eût la tete emporté d’un boulet de canon.

Ik las dat voor mijn werk, omdat ik voor een opdrachtgever iets moest zeggen over de vraag of er in het plangebied waarin hij een waterberging wilde gaan graven, kans bestond op archeologische resten van deze veldslag. Nee dus, het lag te ver binnen de ringdijk, waarbinnen niet gevochten was. Maar dat eût la tete emporté… Hoe krijg je dat uit je pen?

De dood komt langs, niet als magere Hein, maar in de gedaante van een kanonskogel: “Ach mijnheer Tulleken, neemt u mij niet kwalijk, uw einde is daar. Mag ik zo vrij zijn u uw hoofd te ontnemen en het langs de kant van de weg neer te leggen? Dank u zeer. Het duurt maar een fractie van een seconde, zo snel, u merkt er waarschijnlijk niets van.”

Nadat dat hoofd plechtig is weggedragen, ligt het langs de kant van de weg. Het ziet niet hoe Krabbendam wordt ingenomen, hoe de troepen ineens en onverwacht op de vlucht slaan, hoe Krabbendam nóg eens wordt ingenomen en hoe de hele aanval uiteindelijk eindigt in een impasse omdat ze de dijk maar niet over komen en het opperbevel besluit tot de terugtocht.

Maar zo is het niet gegaan. Daniel stormde met zijn 200 kompanen van het bataljon op Krabbendam af, over de Westfriese Dijk, korte infanteriesabel in de hand. Dan knalt een stalen bal ter grootte van een mandarijn tot sinaasappel zijn hoofd aan flarden. Het bloed en de hersenen, de botsplinters en de tanden moeten zijn rondgespat op zijn karmozijnrode boord en groene epauletten, zijn strijdmakkers en de Noord-Hollandse kleibodem. Zijn lijf is gevallen en door de verder stormende jagers de modder in getrapt.

Na afloop hebben soldaten zijn onthoofde overschot op een kar gegooid met de andere gesneuvelden, 477 doden en gewonden in totaal bij Krabbendam, waarvan 23 officieren. Aan zijn kledij hebben ze zijn rang herkend en zo zal het uiteindelijk luitenant-generaal Dumonceau ter ore zijn gekomen dat Daniel Tulleken, zesentwintig jaar, gesneuveld was, en hoe.

Oswald was al twee jaar daarvoor overleden en hoefde het verlies van zijn zoon niet meer mee te maken. Daniel werd door zijn moeder, vier broers en vijf zussen ten grave gedragen. Ik meen te weten dat enkele van die broers en zussen nu nog levende nazaten hebben. Daniel was niet getrouwd en had – voor zover ik weet – geen kinderen.

Dit bericht werd geplaatst in Geschiedenis en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

3 reacties op Daniel

  1. jan kroeze velsen-noord zegt:

    Lees ook : Dagverhaal der doormarcheerende troepen, van J. Venetien, A. Schweitzer en J.van der Linden. Een uitgave van Historisch Genootschap Midden-Kennemerland, Museum Kennemerland (te Beverwijk).

  2. mnb0 zegt:

    Het is een eind lopen van Alkmaar naar Krabbendam. Ik kan het weten, als tiener heb ik het wel eens gefietst langs het Noord-Hollands Kanaal. Dat stuk valt samen, niet met de Westfriese Dijk, maar de Westfriese Omringdijk.

    https://nl.wikipedia.org/wiki/Westfriese_Omringdijk

    http://www.omringdijk.nl/

    Let wel, de Wieringermeer (ten noorden van West-Friesland) was toen nog niet ingepolderd. De vier grote polders ten zuiden van West-Friesland (dus ten zuidoosten van Alkmaar) wel, maar waren niet geschikt voor een militair offensief. De geallieerden hadden maar twee routes richting Amsterdam. De ene was door West-Friesland, rechtsaf bij Hoorn over en langs de Zuiderzeedijk. Dat was makkelijk te verdedigen in Waterland. De andere route, die de geallieerden kozen, liep langs Bergen, Alkmaar en Castricum, over de geestgronden vlak achter de duinen. Ook die route was makkelijk te verdedigen – en vandaar was het nog zo’n 30 km. De Engelsen mogen hun terrein bij Krabbendam goed hebben uitgekozen, hun strategie was nogal dubieus om het vriendelijk te zeggen. Daarbovenop kwam een ernstige misrekening: de lokale bevolking zag de geallieerden nauwelijks als bevrijders. Het Russisch Monument te Bergen

    https://nl.wikipedia.org/wiki/Russisch_Monument_(Bergen)

    bevat dan ook een zekere ironie. Als tiener snapte ik er niet veel van omdat ik de context niet kende. Die werd zorgvuldig gemeden op mijn twee Alkmaarse scholen tijdens geschiedenisles.

    • Het is inderdaad een stukje van de Westfriese Omringdijk, maar op de topografische kaart staat het aangeduid met Westfriese Dijk, gek genoeg.

Reacties zijn gesloten.