Waarom wij martelen

Afgelopen week stuitte ik tijdens het zappen op een film die ik nog niet gezien had: Inglourious Basterds van de christelijke filmmaker Quentin Tarantino. Ik besloot hem te kijken, maar heb hem na een uur weer uit gezet, iets wat ik haast nooit doe. Voor wie het niet weet: de film gaat over een Amerikaanse eenheid die tijdens de Tweede Wereldoorlog in vijandelijk gebied opereert met maar één doel: Nazi’s liquideren. Dat gaat, het is immers Tarantino, met zeer grof geweld.

Ik vond de film saai. Tarantino gebruikt – in het eerste uur althans – eigenlijk maar één truc om de spanning erin te houden: door twee mensen of twee groepen tegenover elkaar te zetten in een situatie waarin de ene kant iets zeer belangwekkends te verliezen heeft en de andere kant maar blíjft praten en tijd rekken. Toegegeven, je zit op het puntje van je stoel, maar het komt wel héél erg uit de theorieboeken ‘hoe schrijft ik een Hollywood-scenario’. Na drie keer had ik het wel gehad met de eindeloze monologen voor de slachtpartij, een fenomeen dat ik ook al kende uit Pulp Fiction, maar dat me destijds niet zo stoorde.

Wat dat ene uur Tarantino me echter wel leerde: waarom wij martelen. Pas op: nu komen de spoilers. De leider van de eenheid – gespeeld door Brad Pitt – is een no-nonsense officier die recht op zij doel afgaat. Als hij van een gevangen genomen Duitse officier informatie nodig heeft over de positie van een Duitse patrouille geeft hij hem eerst drie keer de kans het hem te vertellen en laat hem vervolgens met een honkbalknuppel doodslaan. De volgende Duitser die aan de beurt is, heeft dan geen enkele scrupules meer om zijn kameraden te verraden.

Als een belangrijke operatie al direct bij de eerste voorbereidingen misgaat en alleen hun Duitse contactpersoon de slachtpartij heeft overleefd, ontstaat vanzelfsprekend twijfel over de betrouwbaarheid van deze Duitse agent. Terwijl de agent bij een clandestiene chirurg op de operatietafel ligt om een kogel uit haar been te laten verwijderen, steekt Brad Pitt doodleuk een vinger in het kogelgat en duwt de kogel dieper in haar been tijdens zijn ondervraging, om er zeker van te zijn dat ze geen dubbel spel speelt. Niet dat het helpt trouwens: de twijfel blijft.

Tegenpool van Brad Pitt is SS-officier Hans Landa, een übercreep die ook maar één taak heeft: joden opsporen. In de bloedstollend spannende eerste sequentie van de film weet hij een Franse boer, die vanaf de eerste seconde van de film wordt geportreteerd als een echte held, zo ver te krijgen om – huilend als een klein kind – toe te geven dat er onder de vloer van zijn boerderij joden verborgen zitten. Landa slaagt daarin zonder ook maar één vinger naar hem uit te steken.

De held uit de film martelt, de übercreep niet. Dat heeft ongetwijfeld ook te maken met de wetten die bepalen hoe je een goed verhaal vertelt en met waar de voorkeuren liggen van het beoogde publiek (wij vinden het uitroeien van Nazi’s door de bank genomen een sympathieker streven dan het uitroeien van joden). Toch kreeg ik de indruk dat de held dat niet alleen is omdat hij een doel nastreeft waarvan het publiek het nut wel in kan zien, maar ook dankzij zijn no-nonsense aanpak bij het het vergaren van inlichtingen. Omgekeerd streeft Hans Landa een doel na dat ons doet huiveren, maar dat is niet de enige reden dat we hem een übercreep vinden, het is ook, of zelfs juist, zijn tijdrovende maar effectieve verhoormethode. Succes gegarandeerd.

Inglourious Basterds is niet de enige uiting van populaire cultuur waarin dit schema speelt. Je zou je kunnen afvragen of lieden als Tarantino met hun films de terugkeer van het martelen hebben bevorderd. Hoewel dat heel goed zou kunnen, lijkt het me te simpel en ééndimensioneel als verklaring. Ik vermoed dat de verklaring eerder te vinden is in de vraag of martelen en populaire cultuur wellicht zijn voortgebracht door dezelfde oorzaak.

Een voorkeur voor een snelle, recht-door-zee oplossing als de gerichte toepassing van geweld bij het oplossen van duivelse dilemma’s zal meespelen, maar het lijkt me vooral die afkeer van Hans Landa’s geweldloze verhoormethode: die probeert de verdachte er in te luizen, op een hoogst oneerlijke en onbetrouwbare manier. Van niets wat hij zegt, weet je of hij het meent en of hij er wellicht iets anders mee bedoelt. Dat kun je van geweld niet zeggen: dat is eerlijk, open en volkomen betrouwbaar.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Kunst, Samenleving en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Waarom wij martelen

  1. jan kroeze zegt:

    Ik vermoed dat marteling weinig zin heeft. De kans op foute info is te groot.
    Ik meen dat het Forsyth was die daar een aardig boek over heeft geschreven (weet niet meer welk, vergeten).

Reacties zijn gesloten.