Ondersteunende data

Dankzij de coronacrisis blogt mijn goede vriend Jona meer dan goed voor mij is, als één van de moderatoren – onbezoldigd uiteraard – lees ik mij het schompes, en ik heb het al zo druk met kinderen en thuiswerken. Dat neemt niet weg dat er af en toe wel iets tussen zit waar ik dan weer over kan bloggen. Neem deze blogpost over authenticiteitscriteria in het Jezus-onderzoek: hoe bepaal je wat er aan biografische informatie waarschijnlijk oorspronkelijk is en wat niet?

In de opmerkingensectie moppert FrankB over een Jezusmythicist die geen ondersteunende data kon leveren bij zijn bewering dat Jezus’ uitroep aan het kruis ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’ (Mc 15:34) een ‘literair thema’ was. Voor wie de discussie niet heeft bijgehouden: een Jezusmythicist is iemand die meent gegronde wetenschappelijke redenen te hebben om vol te houden dat Jezus nooit bestaan heeft. Het is een vorm van special pleading die onder atheïsten nog wel eens voorkomt.

De betreffende uitroep is een klein probleem voor Jezusmythicisten, omdat het – letterlijk genomen – iets zegt over de Heiland en Verlosser dat vroege christenen nooit kunnen hebben verzonnen, omdat dat te beschamend is in het kader van de opvattingen die vroege christenen nu eenmaal huldigden. Dat zogenaamde ‘gène-criterium’ pleit ervoor dat dit stukje informatie mogelijk authentiek is en een Jezusmythicist moet dat dus wegredeneren, vandaar ‘literair thema’.

Toch had in dit geval de Jezusmythicist gelijk en is de vraag om ondersteunende data – gegeven de aard van die ondersteunende data – een beetje overbodig. De tekst: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” is namelijk de eerste zin van Psalm 22. Wie die psalm kent, moet het opgevallen zijn dat het kruisigingsverhaal en de inhoud van deze psalm nogal wat overeenkomsten vertonen:

Honden staan om mij heen,
een woeste bende sluit mij in,
zij hebben mijn handen en voeten doorboord.
Ik kan al mijn beenderen tellen.
Zij kijken vol leedvermaak toe,
verdelen mijn kleren onder elkaar
en werpen het lot om mijn mantel.
(Ps 22:17-19 – NBV)

De overeenkomsten liggen er nogal dik bovenop, één voorbeeld:

Zij kruisigden hem en verdeelden zijn kleren onder elkaar; ze dobbelden erom wie wat zou krijgen. (Mc 15:24 – NBV)

Het is dan ook de vraag of er ooit een exegeet een artikel heeft moeten schrijven om de goegemeente op dit literaire thema te wijzen. Men heeft dit eenvoudig altijd al geweten. In de vroege kerk ging men ervan uit dat de psalm een profetie was, tegenwoordig gaan we ervan uit dat het kruisigingsverhaal van Marcus (mede) een pastiche is op deze psalm. De schrijver heeft een zogenaamd ‘rijmend verhaal’ willen schrijven. Dat is een begrijpelijker term dat het academische ‘intertekstualiteit’.

Volgens Marcus ‘riep’ Jezus deze woorden. Nu is ‘roepen’ is Semitische talen een werkwoord dat ook voor ‘reciteren’ en ‘zingen’ gebruikt wordt: qara’. En omdat het een goede gewoonte is liederen aan te duiden met hun beginwoorden (denk aan Wilhelmus, of Quasimodo), lijkt het eerder voor de hand te liggen dat de schrijver van Marcus hier beschrijft dat Jezus Psalm 22 aanheft. De gedachte dat de eerste toehoorders bij deze formulering niet aan Psalm 22 kunnen hebben gedacht is in ieder geval ondenkbaar, dus de schrijver heeft iets willen doen met die referentie…

En dat maakt nogal een verschil met een wanhopige uitroep, want Psalm 22 begint weliswaar in volslagen wanhoop, maar eindigt in een belijdenis van vertrouwen en geloof in God.

Ik zal uw naam bekendmaken,
u loven in de kring van mijn volk.
Loof hem, allen die de Heer vrezen,
breng hem eer, kinderen van Jacob,
wees beducht voor hem, volk van Israel.

En zo gaat dat nog even door. Het gène-criterium is hier niet meer van toepassing: in plaats van een goddelijke messias in wanhoop zijn leven te laten eindigen, heeft de evangelist willen benadrukken dat er juist sprake was van godsvertrouwen, of ten minste die suggestie willen wekken.

Jezus, zingend aan het kruis. Dat is fysiek onmogelijk – praten kan wel, met heel veel moeite – maar dat doet er voor het punt dat de schrijver van Marcus heeft willen maken niet toe. Waarmee ik ben aangekomen bij één van mijn favoriete stokpaardjes: de mannen van Monty Python hadden geen flauw idee hoe dichtbij ze bij de waarheid kwamen toen zij hun sketch Always look on the bright side of life schreven…

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Erfgoed, Geschiedenis, Wetenschap en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

8 reacties op Ondersteunende data

  1. FrankB zegt:

    “is de vraag om ondersteunende data een beetje overbodig”
    In mijn reactie had ik het niet geschreven, omdat ik het vanzelfsprekend achtte. Waar het om gaat is dat we empirische data (zoals het citaat uit Psalm 22) moeten hebben die mythicisme waarschijnlijker maken en historiciteit minder. Dat is bij Psalm 22 niet het geval. De JM heeft niets aan empirische data die beide theorieën bevestigen en nog minder aan data die historiciteit waarschijnlijker maken.
    Vergelijk de infanticide zoals beschreven in Mattheus. Dat is een literair thema, omdat
    1) het in andere verhalen ook voorkomt; voorbeelden zijn Mozes in een rieten mandje, Paris van Troje en Oedipus.
    2) de auteurs het thema steeds in dezelfde betekenis toepassen.

    We herkennen hier een patroon.
    Psalm 22 en Mattheus 27:46 leveren geen soortgelijk patroon op; je geeft zelf al aan waarom. Dus ondersteunt Psalm 22 het argument (slechts een literair thema, dus mythisch) van de JM niet.
    Sterker nog, er is een simpele naturalistische verklaring (ik heb haar niet zelf verzonnen): kruisigen doen pijn. Jezus reciteerde (mompelde – je schreef het alweer zelf) om die pijn te verdragen alle psalmen. Omjstanders vingen de woorden uit Psalm 22 en gaven die door. Deze verklaring werkt beter (wat niet wil zeggen dat ze automatisch juist is) – en bevestigt een historische Jezus.
    De JM had dan ongelijk. Je bevestigt dit oa met

    “lijkt het eerder voor de hand te liggen dat de schrijver van Marcus hier beschrijft dat Jezus Psalm 22 aanheft. De gedachte dat de eerste toehoorder”
    Volhouden dat Mattheus op gezag van Marcus hier een mythisch verhaal vertelt, zoals met die infanticide, slaat, in goed Hollands, als een tang op een varken.
    Vandaar mijn gemopper.

    • Een beetje bijbellezer weet dat waar woorden, zinnen of thema’s uit het ene verhaal (psalm) voorkomen in het andere (de passie) er sprake is van een literaire truc en niet van het accuraat weergeven van de reeel gebeurde feiten. Waar je voor een thema wellicht herhaling of veelvuldige toepassing nodig hebt is dat voor een literaire stijlfiguur niet noodzakelijk. De suggestie dat Marcus’ weergave van de kruisiging ondanks opname van details uit psalm 22 enige feitelijke accuratesse zou kunnen hebben, ben ik tot nu toe slechts bij ernstig gelovigen tegengekomen, net als naturalistische verklaringen. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de andere drie evangelisten. De Jezusmythicist had op dat punt dus gelijk: de uitroep valt niet onder het genecriterium – want schetst op literaire wijze een gelovige op God vertrouwende Jezus – en dat criterium kan dus niet gebruikt worden om hieruit te concluderen dat vroege christenen dit nooit zouden hebben verzonnen (en het dus wel waar moet zijn).

      Verder ben ik geen Jezusmythicist hoor!

      Er zijn trouwens literaire thema’s die alleen in de bijbel voorkomen. Bij mijn weten: het gebruik van het woord ‘ark’ (van Noach, van Mozes, zijn rieten mandje namelijk), koningen die hun verjaardag vieren (en vervolgens in de problemen komen met een vrouw: Ahasveros – Vashti; Herodes – Herodias) en volkstellingen.

      • FrankB zegt:

        “Verder ben ik geen Jezusmythicist hoor!”
        Daar heb ik je nooit van verdacht, wees gerust. Het gaat hier om de vraag welke empirische data kunnen beslissen tussen twee onderling tegenstrijdige hypotheses. Laat ik weer mijn favoriete voorbeeld geven van je woning en je werk: als jij je reistijd berekent veronderstel jij een platte Aarde, want je houdt geen rekening met enige kromming. Deze empirische data kunnen niet beslissen tussen een plat en een gekromd aardoppervlak, omdat beide vrijwel dezelfde uitkomst voorspellen (het verschil zit een heel eind achter de komma).
        Je mist dan ook nog steeds mijn belangrijkste punt. Betreffende JM gebruikte “literair thema” als argument om een historische Jezus te ontkennen op dezelfde wijze als Mattheus’ infanticide: literair thema, dus fictie, dus niet historisch. En daar mag ik over blijven mopperen.

        “dat criterium kan dus niet gebruikt worden om hieruit te concluderen dat vroege christenen dit nooit zouden hebben verzonnen”
        Hier komen nog twee andere zaken bij kijken, iets waar oa ik het op JonaL’s blog met Martin een paar keer heb gehad.
        1. Wetenschappelijke conclusies zijn ook in de natuurwetenschappen onmogelijk zo hard te maken dat “nooit” gerechtvaardigd is. We moeten waarschijnlijkheden bepalen. Om je standpunt te verdedigen moet je dus aantonen dat gegeven dit citaat (zowel bij Marcus als in Psalm 22) zowel voor een historische als voor een mythische Jezus dezelfde waarschijnlijkheid opleveren. Ik beargumenteerde geen “nooit”, maar een grotere waarschijnlijkheid voor historiciteit. Kan nog steeds fout zijn, natuurlijk, maar je eerste reactie bevatte een paar opmerkingen die een grotere waarschijnlijkheid voor historiciteit impliceren.
        2. Een belangrijk verschil tussen wetenschap en kwak/pseudowetenschap is dat de eerste empirische data niet geïsoleerd beschouwt, maar een theorie formuleert die een aantal en verscheidenheid aan data correct beschrijft. De tweede bekijkt alle data apart en bedenkt redenen om ze te verwerpen. En dat is de kern van mijn gemopper.
        Dus nee, mijn JM had geen gelijk.

        Tenslotte is dit “ben ik tot nu toe slechts bij ernstig gelovigen tegengekomen, net als naturalistische verklaringen” niet echt relevant. In de wetenschap gaat het er niet om bij wie we onderzoeksresultaten tegenkomen, maar of de gebruikte methoden deugen. Een ernstig gelovige die een naturalistische verklaring oppert dient dus serieus genomen te worden, vooral ook door verstokte ongelovigen als ik.
        Anders moeten we de evolutietheorie nog verwerpen omdat de zeer ernstig gelovige bioloog Jan Lever haar verdedigde (je herkent vast wel de reductio ad absurdum).

        • Aha, ok, ik denk dat ik je gedachtengang nu begrijp, maar dan heb ik er nog een probleem mee. Stel, we negeren de passieverhalen van de drie andere evangelisten en gaan ervan uit dat de versie van Marcus wellicht, mogelijk feitelijk correcte historische informatie bevat. Vervolgens valt ons op dat zijn passieverhaal nogal wat parallellen bevat met een oudere bijbeltekst: psalm 22. Als ik jou goed begrijp zouden we dan twee opties moeten overwegen: 1. enkele verhaalde feiten zijn mogelijk historisch correct, overeenkomsten met de psalm incluis en 2. het jongste verhaal tracht te ‘rijmen’ met het oudere, om een theologisch – en geen historisch – punt te maken.
          Ik benadruk nu even extra informatie die ik tot nu toe heb weggelaten, maar aangezien de bijbel optie 2 zo ongeveer zeventig maal zeven maal per bladzijde bedrijft, lijkt me a priori optie 2 de meest voor de hand liggende, temeer daar optie 1 de mogelijkheid voor de gave der profetie bij de componist van psalm 22 opent. Dat is uiteraard een standpunt dat onder sommige gelovigen welkom is, maar het is ook een optie waar niet alleen ongelovigen zo hun bezwaren tegen hebben.
          Dus ja, ik denk dat je JM’er ook vanuit de indeling ‘meer waarschijnlijk – minder waarschijnlijk’ toch de beste papieren had.

          • FrankB zegt:

            Nee, je begrijpt het nog steeds niet echt. JMers bekreunen zich niet om “extra informatie die ik tot nu toe heb weggelaten.” Ze redeneren: “Marcus 15:34 en Psalm 22 (hetzelfde voor het infanticideverhaal van Mattheusbevatten een literair thema, dat is fictie dus Jezus heeft nooit bestaan.” Voor de bekende citaten uit Flavius Josephus enz. roepen ze: “latere christelijke interpolaties, dus Jezus is fictie”. Richard Carrier is de enige die in termen van waarschijnlijkheid probeert te argumenteren en diens gebruik van de Stelling van Bayes is door een wiskundige met de grond gelijk gemaakt. Zoals JonaL wel schrijft, met hun methode zou Appolonius van Tyana ook een fictief karakter zijn; idem voor Diogenes van Sinope.
            Aan de andere kant meen(de) ik dat Marcus 15:34 de waarschijnlijkheid van een historische Jezus vergrootte op grond van het geneprincipe, maar blijkbaar is de wetenschappelijke consensus dat dat niet het geval is. Dat is iets dat ik zal onthouden. Beroep op autoriteit is in dergelijke gevallen geen drogreden.
            Waar ik over mopperde (en zal blijven mopperen) is dat JMs geen empirische data leveren die de waarschijnlijkheid van een historische Jezus verkleinen en van een mythische vergroten, ook niet mbt literaire thema’s. Rest mij nog één vraag, voor de duidelijkheid (want dit is mijn laatste reactie): je meent toch niet dat het gebruik van een literair thema als bv. de infanticide van Mattheus of ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’ de waarschijnlijkheid van een historische Jezus verlaagt? Denk goed na wat je hierop schrijft, want je loopt nu al het flinke risico dat de één of andere JMer je selectief gaat citeren (quotemining is lastig te vertalen) met iets als “archeoloog en bijbelkenner Richard Kroes steunt Jezusmythicisme, want Marcus 15:34 is niet authentiek”. Intellectuele eerlijkheid is bij kwak/pseudowetenschappers een zeldzame eigenschap.

            • “Marcus 15:34 en Psalm 22 (hetzelfde voor het infanticideverhaal van Mattheus) 1. bevatten een literair thema, 2. dat is fictie 3. dus Jezus heeft nooit bestaan.”
              Dat zijn drie beweringen: 1 is volgens mij juist, 2 kan het zijn (maar dat hoeft niet per se , al is het in deze 2 gevallen wrs. wel fictie) 3 is echter een kathedraal van een non sequitur. Terecht dat je daar over moppert 🙂

              “je meent toch niet dat het gebruik van een literair thema als bv. de infanticide van Mattheus of ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’ de waarschijnlijkheid van een historische Jezus verlaagt?”
              Nee, inderdaad niet. Maar ik zie het net ietsje anders. Stel dat het geen citaat uit psalm 22 was geweest maar een op zichzelf staande bewering. In dat geval was het gene-criterium van kracht geweest en zou het ondersteunend bewijs zijn geweest voor een historische Jezus. Nu het een literaire kunstgreep blijkt te zijn, is het gene-criterium echter niet van toepassing en kun je de betreffende passage niet gebruiken als ondersteunend bewijs. Tot zover heeft de JM-er gelijk. Maar dat wil niet zeggen dat de nu voorliggende interpretatie ondersteunend bewijs levert voor een mythische Jezus. (slechts voor een – op onderdelen – mythische biografie van…, maar dat wisten we al heel lang)

  2. FrankB zegt:

    Mijn dank voor de moeite die je hierin hebt gestoken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.