Een weergave van de betekenis

KoranAboeIsmailOnlangs is er een nieuwe vertaling van de koran uitgekomen, vervaardigd door ‘Aboe Ismail & studenten’. Dat is leuk: een groepsproject, dat doorgaans garant staat voor de inbreng van originele ideeën. Van studenten – ik stel mij voor juist van dit type – mag worden verwacht dat ze leergierig zijn en onbevangen. Ik begon dan ook vol goede moed met bladeren.

De korte inleiding gaat uitgebreid in op het islamitische dogma dat de koran niet te evenaren is en dus eigenlijk ook niet te vertalen. De vertalers komen daarom ook met de klassieke islamitische omschrijving ‘een interpretatie van de betekenissen van de koran’ ter vervanging van het woord ‘vertaling’ (ook op de website van het project). Nu is een vertaling niets anders dan een interpretatie van de betekenis van een tekst in een andere taal, wat de vraag oproept waarom de vertalers dan toch een onderscheid willen aanbrengen tussen ‘vertalen’ en het ‘interpreteren van de betekenis’.

In deze – overigens zeer prettig leesbare en erg fraai vormgegeven – vertaling wordt dat heel duidelijk in een aantal passages: de vertalers hebben niet zozeer de betekenis van de tekst vertaald, als wel de betekenis die de tekst heeft voor traditionele moslims. Daar zit een verschil tussen dat ik zal uitleggen aan de hand van een passage die raakt aan het traditioneel islamitische idee dat alle profeten ma’sum zijn: vrij van wat we in het westen ‘zonden’ zouden noemen. Het betreft de profeet Jona en wordt op de website van de moslimomroep nader toegelicht door Aboe Ismail zelf.

Vers 87 van hoofdstuk Al Anbiyah. Daarin gaat het over de profeet Younes, vrede zij met hem, die op een bepaald moment zijn volk verlaat. De reden daarvoor is dat het volk hem niet wilde volgen. In die vertaling staat dat ‘hij kwaad wegging en meende dat Wij geen macht over hem hadden.’ Dit is dus eigenlijk pure (sic) ongeloof. Het zou namelijk betekenen dat Younes denkt dat Allah geen macht over hem heeft. Terwijl in het vers niets anders bedoeld wordt dan dat Younes alles heeft gedaan wat in zijn macht lag en ervan uit gaat dat Allah het hem niet moeilijk zal gaan maken.

Jona die denkt dat God geen macht over hem heeft of Younes die erop vertrouwt dat Allah het hem niet moeilijk zal maken? Vanuit de islamitische traditie bezien is het eerste inderdaad ondenkbaar. Maar wat staat er in de tekst zelf? Een paar vertalingen van 21:87 op een rij.

En herdenk Dhu’lnun toen hij in woede vertrok en dacht, dat wij onze macht niet op hem konden uitoefenen (Keyzer, 1860)
En de visman, toen hij verbolgen heenging en meende, dat Wij niets tegen hem vermochten
En aan hem met de vis, toen hij kwaad wegging en meende dat Wij geen macht over hem hadden (Leemhuis, 1989)
En (gedenkt) Dzôennôen toen hij kwaad wegging en meende dat Wij geen macht over hem hadden (Siregar, 1996)
En Dzoe-l-Noen, toen hij vol toorn vertrok, en hij dacht dat Wij hem niet zouden beperken (Rietberg, 2004)
En de heer van de vis, toen hij vol toorn vertrok, en wist dat Wij ons niet tegen hem zouden uitspreken (Rietberg, 2004, drie vertaalalternatieven in noot)
Gedenk de profeet Joenes in de buik van de vis nadat hij boos was weggegaan omdat hij dacht dat hij aan Ons kon ontkomen (Kader Abdollah, 2008)
En (gedenk) Dhoen-Noen, toen hij boos wegging en dacht dat Wij het hem niet moeilijk zouden maken (d.w.z. door hem te laten opslokken door de grote vis) Aboe Ismail, 2013

Het gaat om de vertaling van een woord waarvan de stam 132 keer in de koran voorkomt in vele betekenissen: controleren, overmeesteren, beperken, macht hebben, rechttrekken, bevelen, schatten, (voor)bestemmen, bepalen, (af)meten en beramen als werkwoord; middelen, maat, bevel, periode, macht, schatting en kookpot als zelfstandig naamwoord en (al)machtig, in staat en bestemd als bijwoord. Welke betekenis je kiest, is mede bepalend voor de theologische strekking van het vers. In de vertaling van Aboe Ismail is gekozen voor een vertaling die geen ‘ongeloof’ verondersteld bij Jona: zijn overtuiging dat God geen macht over hem zou hebben. Een keuze op grond van dogmatische redenen dus.

Dat is niet perse een onverantwoorde keuze, maar er zijn wel kanttekeningen bij te plaatsen. De vertaalkeuzes kunnen namelijk worden ingeperkt. Het betreffende werkwoord staat hier in een combinatie, met een voorzetsel en een persoonlijk voornaamwoord, die kan worden vertaald met ‘over/voor hem’. Die combinatie komt nog zeven keer voor in de koran. Twee keer betekent het ‘beperken’, maar dan gaat het steeds over (geldelijk) vermogen. Dat is in deze context geen vertaaloptie. Vier keer betekent het ‘macht hebben over’ en één keer ‘iemand overwinnen’. Dat lijkt eerder te wijzen op een betekenis in de sfeer van het hebben van macht.

Wie het bijbelverhaal over Jona – waar deze koranpassage naar verwijst – goed kent, zal in de alternatieve keuze voor Jona die meent dat God geen macht over hem heeft, veel meer zien. Met de bijbelse subtekst in de hand is nog iets anders duidelijk: wellicht was Jona niet boos op zijn volk – zoals de islamitische traditie meent – maar op God. Ook dat is ondenkbaar vanuit traditioneel islamitisch oogpunt.

Gabriel Said Reynolds heeft in zijn boek The Qur’an and Its Biblical Subtext (New York, 2010) dezelfde koranpassage onder de loep genomen en heeft daarbij goed gekeken naar islamitische korancommentaren in de loop der tijd. Hij komt tot de conclusie dat de tekstinterpretatie van de allervroegste korancommentaren helemaal niet zo’n moeite hadden met Jona’s recalcitrante houding tegenover God.

Enkele vroege korancommentatoren vermelden die mogelijke interpretatie gewoon en geven er zelfs diverse verklaringen voor. Daarnaast melden ze de mogelijkheid dat Jona boos was op het ongelovige volk, of boos was omdat hij te weinig tijd had gehad om zijn sandalen aan te trekken. Ook Jona die meende dat God geen macht over hem zou hebben, is voor sommige vroege koranexegeten geen probleem, al blijken ook hiervoor aardige alternatieven voorhanden: hij geloofde wel dat God die macht had, maar hem niet zou gebruiken, of het zou niet gaan over macht, maar over predestinatie, een begrip waarvoor het Arabische woord erg lijkt op het woord voor macht, of Jona handelde alleen als iemand die meende dat God geen macht over hem had, zonder dat ook daadwerkelijk erbij te denken.

Opvallend aan de vroege commentatoren is dat ze allemaal uit gaan van de betekenis ‘macht’ en dat alternatieven als ‘beperken’, ‘zich tegen hem uitspreken’ of ‘het moeilijk maken’ niet worden vermeld. Dat zijn kennelijk vondsten van nog veel later, toen het probleem nog nijpender gevoeld werd. Ook opvallend aan die vroege commentatoren is dat ze er allemaal van uit gaan dat Jona iets verkeerds gedaan had. Anders was hij nooit in die grote vis terecht gekomen en was hij in een andere koranpassage nooit als negatief voorbeeld opgevoerd.

En wees niet zoals de metgezel van de vis (d.w.z. de Profeet Yoenoes). Toen hij (Ons) aanriep, terwijl hij intens verdrietig was (68:48 Aboe Ismail)

Het idee van zondeloze profeten stamt kennelijk uit een latere periode en dan is de vraag pertinent of het wel zo’n goed idee is om later ontwikkelde overtuigingen terug te plaatsen in een vertaling van een tekst die stamt uit een veel oudere periode. Mijn persoonlijke voorkeur ligt daar bepaald niet.

Maar je kunt mijn kritiek ook omdraaien: waarom zou je de koran zo moeten vertalen dat hij zo dicht mogelijk zijn bijbelse subtekst blijft? Reynolds toont in zijn boek aan dat de uitleg van de koran zich in de loop der tijd steeds verder verwijderd van de subtekst. Dat gegeven ligt in een trend die er al langer was. De koran zelf verwijst op een aantal plekken al naar bijbelse verhalen die ten behoeve van de koranische boodschap worden gewijzigd, veranderd of van een nieuwe interpretatie voorzien. Dankzij Reynolds onderzoek weten we nu dat koranexegeten die ontwikkeling hebben voortgezet: ook het begrip van verhalen uit de koran is in de loop der tijd gewijzigd.

Ergens op de glijdende schaal tussen de bijbelse subtekst (buitenbijbels joods en christelijk materiaal meegerekend) en de koranuitleg uit de formatieve periode van de islam liggen een aantal momenten waarop de koran – steeds preciezer – is gecodificeerd. De wijze waarop je de koran vertaalt, is mede afhankelijk van het moment waarop je gelooft dat de tekst zelf is gecodificeerd. We kunnen er niet zonder meer van uit gaan dat dat is gebeurd op een moment waarop de tekstoverlevering die tot de koran heeft geleid nog vrijwel ‘bijbels’ was. Het is ook zeker niet gebeurd toen het idee van de zondeloze profeten was ontstaan.

Ik roep altijd tegen mijn cursisten dat als ze moslims willen leren begrijpen ze vooral niet de koran moeten gaan lezen. Dat boek is veel te ingewikkeld en er komen eindeloze hoeveelheden traditie en interpretatie overheen voordat je van het gedachtegoed van de koran bij de overtuigingen van een gemiddelde moslim bent aanbeland. Dan lijkt me de vertaling van Aboe Ismail – hoe extreem ook in zijn keuze – toch zijn merites te hebben als weergave van de betekenis die de tekst van de koran heeft voor veel traditionele moslims.

Geplaatst in Koran, Literatuur, Religie, Taal | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Rondzingende verhalen

_20500_Yazidi_Peacock_AngelIn mijn KTB-cursus – over de onderlinge verbanden tussen de bijbel, de koran en de wijdere wereld waarin beiden zijn ontstaan – gebruik ik een aan Salman Rushdie ontleende metafoor om mijn cursisten uit te leggen hoe die wijdere wereld eruit zag: een Zee van Verhalen. De bijbel vormt in die Zee van Verhalen een eigen baai, net als de koran en net als een boel andere – veel minder bekende – verhaaltradities die in het Midden Oosten een rol spelen en gespeeld hebben. Wie dat wilde, kon uit de Zee van Verhalen iets plukken dat in zijn kraam te pas kwam. Soms werd een verhaal uit een andere traditie gekopieerd. Veel vaker werd op een bestaand verhaal gevarieerd: details werden verder uitgewerkt, soms werd de hele pointe van een verhaal veranderd of zelfs omgedraaid.

Voor dat verschijnsel heeft Carel ter Linden de prachtige term ‘rijmende verhalen’ gemunt. Rijmende verhalen werden gemaakt voor een publiek dat verondersteld werd het rijm te herkennen. Een simpel voorbeeld: baby Mozes werd door zijn moeder niet voor niets in een biezen arkje gelegd. De eerste verteller van het verhaal ging ervan uit dat de toehoorder zich zou realiseren dat hier iets werd verteld dat rijmde op de ark van Noach.

Er was een – buitenbijbels – verhaal over Jezus die uit klei vogeltjes maakte en die vervolgens tot leven wekte. Iets wat natuurlijk alleen God zelf kon en dat was het punt ook. Dat verhaal werd in de koran opgenomen, maar met een twist: Jezus kon zoiets alleen met Gods verlof, zoals hij ook alleen zieken kon genezen en doden tot leven kon wekken met Gods verlof. Wie het oorspronkelijke verhaal kende, herkende de boodschap meteen: dat een mens dingen kon die alleen God kon, wilde nog niet zeggen dat hij God wás, daar zat Gods verlof nog tussen.

De betekenis van verhalen die rijmen op een ander verhaal – hooggeleerden spreken van intertekstualiteit – is mede afhankelijk van de verhalen waarop gerijmd wordt. Als je die verhalen niet meerekent, raakt de variatie al snel losgezongen van zijn oorspronkelijke thema en dus van zijn werkelijke betekenis. Een letterlijke interpretatie is in dergelijke gevallen dodelijk voor een juist begrip. Dat woord ‘dodelijk’ kies ik niet voor niks: het is dezer dagen letterlijk dodelijk.

Zo was er in het Midden Oosten ooit een verhaal over God die de eerste mens schiep: Adam. Dat verhaal kent u omdat het in de bijbel terecht gekomen is. Die mens, dat was iets speciaals en om dat duidelijk te maken was er nog een verhaal: God gaf zijn hovelingen – wij spreken van engelen – opdracht zich neer te buigen voor deze Adam. Eén hoveling weigerde dat. De afloop is overgeleverd in twee rijmende versies van dit verhaal. Ik weet niet welke van de twee het oudst is, en dus ook niet welke van de twee op de ander rijmt. Heel belangrijk is dat ook niet.

In de islamitische traditie kwam de weigering van deze ene hoveling om zich neer te buigen voor Adam, hem te staan op eeuwige verbanning in de hel: de straf voor het zich niet onderwerpen aan de wil van God. Zo werd de engel Iblies de duivel, ongeveer zoals wij hem ook kennen.

Maar in een andere traditie kreeg dit verhaal een compleet omgekeerde twist. De ene engel – aangeduid als ‘pauwengel’ – die weigerde zich in aanbidding neer te buigen voor iets anders dan God zelf, had het als enige goed begrepen: Gods opdracht was slechts een test en zijn standvastigheid in het geloof werd beloond met de hoogste plaats onder de engelen.

De laatstgenoemde versie is die van de Yezidi’s, waar enkele maanden geleden nog nooit iemand van gehoord had. Daarin is nu verandering gekomen omdat moslims die nog te stom zijn om voor de duvel te dansen – pun intended – deze versie van het verhaal zien als bewijs dat Yezidi’s aanbidders van de duivel zijn en dus moeten ze bekeerd of dood.

Yezidi’s zijn natuurlijk geen duivelsaanbidders. Het zijn monotheïsten, net als moslims, die hun versie van het verhaal vertellen om te benadrukken dat alleen God gehoorzaamd moet worden en niet de eigen hoogmoed. Yezidi’s vertellen hun verhaal om te benadrukken dat alleen God aanbeden moet worden en wel onvoorwaardelijk. Geconfronteerd met beide verhalen, klinkt uit de mond van de fundamentalist al snel het ‘er kan er (maximaal) maar één gelijk hebben’ en we zien nu waar dat uiteindelijk toe leidt. De trieste waarheid is hier natuurlijk dat beide partijen gelijk hebben en dat niemand dat ziet.

Er zijn trouwens wel moslims die dat heel goed begrijpen: het verhaal van de Yezidi’s zingt ook rond onder Sufi’s als een alternatieve manier om het betreffende koranverhaal te verstaan.

Geplaatst in Koran, Religie | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Twee in één

toms-doubtsWaar de moderne westerse mens zich maar moeilijk voor kan stellen hoe christenen kunnen geloven in de goddelijkheid van Jezus, had het vroege christendom juist grote moeite zich voor te stellen dat de Zoon Gods ook een méns was. De keuze voor óf menselijk óf goddelijk bleek voor veel gelovigen de voorkeur te hebben boven die twee-in-één-oplossing. Toch was een vorm van combineren van die twee noodzakelijk, omdat anders het idee van de verlossing door een mensgeworden God niet meer vol te houden was. Voor dat probleem zijn in de loop van de geschiedenis allerlei formuleringen gevonden.

Volgelingen van Arius meenden dat ‘de zoon’ – één van de drie goddelijke personen – een schepsel was en niet van eeuwigheid af had bestaan. Alleen de Vader was God, de zoon was goddelijk. Daarmee werd afgestapt van het al even onnavolgbare idee van de Drie-eenheid. Adoptianisten gingen nog verder: de historische persoon Jezus was een gewoon mens, die door God was aangenomen als Zijn zoon. Docetisten namen juist het omgekeerde aan: Jezus was in werkelijkheid de Zoon zelf en in zijn historische voorkomen slechts in schijn een mens. Alles wat hij deed als mens, vooral het hoofdprobleem: zijn lijden, was slechts een voorspiegeling. In werkelijkheid was hij zuiver God, onaangetast door al wat menselijk was.

De kerkelijke hierarchie, en het Byzantijnse keizerlijke gezag, nam in de loop van de vierde eeuw afstand van dergelijke opvattingen en benadrukte dat Jezus werkelijk God én werkelijk mens was. Daarmee werd de orthodoxie – de ‘juiste leer’ – in beginsel geformuleerd. Maar binnen die orthodoxie bleek nog een boel onduidelijk. Vooral de verhouding tussen Jezus’ menselijkheid en goddelijkheid bleek verdraaid lastig uit te leggen. Dat was niet alleen een filosofisch probleem voor hooggeleerde haarklovers, maar ook een maatschappelijk issue voor veel gewone mensen.

Zoals wij supportersrellen hebben bij het voetbal, zo braken ook in het Byzantijnse rijk bij het wagenrennen regelmatig vechtpartijen uit tussen fans van de verschillende clubs. Die clubs associeerden zich niet alleen met bepaalde teams uit het wagenrennen, maar ook met bepaalde standpunten in theologische discussies. Wagenrennen en theologie werden zo door dissidenten aangevat om hun ongenoegen over het bestuur te uiten. En het bleef niet beperkt tot de wagenrennen, ook de eredienst kon soms ontaarden in opstootjes. Binnen de kerkelijke hierarchie, en aan het keizerlijk hof, leefde het idee dat wanneer er nu maar van hogerhand een besluit werd genomen over een theologisch vraagstuk, dat automatisch wel een einde zou maken aan rellen en andere onenigheid.

Dat gebeurde natuurlijk niet. In plaats daarvan leidde elke kerkvergadering waarop zo’n besluit viel, tot een scheuring in de geloofsgemeenschap en tot verdere discussie over hoe dat nu precies zat met Jezus’ menselijkheid en goddelijkheid. Die vraag is tot drie keer toe teruggekomen omdat na elk besluit er weer een nieuwe formulering van hetzelfde probleem werd gevonden. Was Jezus een menselijke en een goddelijke persoon, of slechts een goddelijke? Had Jezus een menselijke en een goddelijke natuur, of slechts een goddelijke? Had Jezus een menselijke en een goddelijke wil, of slechts een goddelijke?

Afgelopen week gaf ik de eerste les van mijn kruistochtencursus in Rotterdam en kwam dit onderwerp zijdelings ter sprake. Eén van mijn cursisten stelde toen een lastige vraag: wat een wil is, lijkt wel duidelijk, maar wat zag men destijds dan als natuur en persoon? Hoe verschilden die twee dan? In het kader van een kruistochtencursus gaat het wat ver om daarop in te gaan, maar het vormt prima stof voor een blogpost.

Het begon allemaal met het gegeven dat bij de menswording van God de Zoon – de incarnatie – mens en God één werden. De vraag was nu hoe de gevolgen van die eenheid er in detail uit zagen. De oudste vraag betrof het aantal personen dat in Jezus verenigd was en ontstond naar aanleiding van een eretitel voor Maria: de Moeder Gods. Nestorius, patriarch van Constantinopel en dus niet de minste, meende dat met die term aan de heilige maagd teveel eer werd gedaan en bovendien dat hij verwarrend was: eenvoudige gelovigen zouden eens gaan denken dat God de Vader een moeder had. Om dat rationeel te onderbouwen bedacht hij dat de mens Jezus en God de Zoon niet identiek waren, maar met elkaar verbonden in Christus. Dáár was Maria de moeder van.

Dat leidde tot de twee-personenleer: een goddelijke en een menselijke persoon, verenigd in één Christus. Het begrip ‘persoon’ lijkt hier ongeveer te duiden op wat wij ‘persoonlijkheid’ of ‘individu’ zouden noemen en wie Nestorius’ opvattingen onbeleefd zou willen samenvatten, zou kunnen beweren dat Jezus een geval van multiple personality disorder was. De kerkelijke hierarchie wees Nestorius’ opvatting – natuurlijk niet om deze reden – van de hand in 431 en het resultaat was een nieuwe geloofsgemeenschap. Het Nestoriaanse christendom heeft het ver, tot in China, geschopt en is tot de stormloop van de Mongolen de grootste christelijke groep geweest. Tegenwoordig is het nog maar een kleine gemeenschap: Oost-Syrische of Assyrische christenen.

De tweede vraag betrof de natuur, physis in het Grieks, van Christus. Daar waren grofweg drie antwoorden op mogelijk: hij had twee onderscheiden naturen, goddelijk en menselijk, of één natuur. Die ene natuur kon dan de goddelijke zijn, of een versmelting van de goddelijke en de menselijke.

De laatste twee opvattingen staan bekend onder de naam monofysitisme: de leer van de ene natuur. De kerkelijke hierarchie koos in 451 uiteindelijk voor de twee-naturenleer, waarmee weer een nieuw type christenen geboren was: de monofysieten. Die bestaan nog steeds. Kopten in Egypte, Armeniërs en Syrisch Orthodoxen behoren tot deze richting, al moet worden benadrukt dat ze intussen behoorlijk opgeschoven zijn richting de orthodoxie en zichzelf niet meer als monofysieten beschouwen.

‘Natuur’ blijkt in deze discussies vooral te gaan over iets wat wij ‘eigenschappen’, ‘aard’ of ‘karakter’ zouden noemen. Zo bepaalde de ‘natuur’ van een wezen bijvoorbeeld of het kon lijden of veranderlijk was – een goddelijke natuur was daar uiteraard van vrijgesteld – of dat het kon ‘groeien in wijsheid’ of in staat was tot doodsangst – een eigenschap die typisch was voor een menselijke natuur.

De laatste vraag betrof Jezus’ wil. Het was een compromisvoorstel om orthodoxen en monofysieten nader tot elkaar te brengen, die inmiddels niet alleen op theologisch gebied met elkaar overhoop lagen, maar ook op geopolitiek vlak. We spreken nu over het begin van de zevende eeuw. Grote groepen niet-orthodoxe christenen binnen en buiten het Byzantijnse rijk vormden een bedreiging, het resultaat van eeuwenlange Byzantijnse politiek van benadeling en vervolging.

Het idee – monotheletisme – hield in dat aan het orthodoxe idee van Christus als één persoon met twee naturen een nuancering van die twee naturen werd toegevoegd in de vorm van slechts één wil, de goddelijke. Dat idee had aanvankelijk groot succes maar is uiteindelijk gesneuveld door weerstand vanuit de kerkelijke hierarchie in het westen, vooral de paus. Het heeft zelfs even tot een scheiding tussen de kerk van Rome en die in het oosten geleid want het Byzantijnse rijk was erg gehecht aan het vinden van een oplossing voor als die dissidente monofysieten.

Heel kort door de bocht geformuleerd zorgde het optreden van Nestorius ervoor dat de vraag ‘wie?’ werd beantwoord – althans de nog resterende vragen na Arius, Adoptianisten en Docetisten. De monofysieten stelden de vraag ‘wat?’ aan de orde en de monotheletisten de vraag ‘hoe?’

Geplaatst in Religie | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Miskoop

MezuzaMadonnasFootOmdat ik momenteel een cursus aan het voorbereiden ben over islamitisch Spanje, kocht ik een tijd geleden in mijn favoriete antiquariaat een boek dat daarover leek te gaan: the Mezuza in the Madonna’s Foot van Trudi Alexy. Oral histories exploring 500 years in the paradoxical relationship of Spain and the Jews, zegt de ondertitel. Ik verwachtte iets aan te treffen over de geschiedenis van joden in Spanje na 1492, toen de katholieke majesteiten Ferdinand en Isabella besloten alle joden Spanje uit te jagen.

Mijn nieuwe aanwinst bleek een miskoop, maar en wel hele gelukkige. Over Spaanse joden die ervoor kozen in Spanje te blijven, hetzij als converso, het zij als marrano (jood in het geheim) trof ik wel wat aan, maar bedroevend weinig. Het boek gaat voornamlijk over Joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog via het Spanje van Franco een veilig heenkomen zochten en daar in groten getale ook in zijn geslaagd. De auteur was er – als kind – één van.

Zij schetst in haar boek een beeld van de vluchtroute via Spanje door middel van interviews met gevluchte Joden, met mensensmokkelaars en hulpverleners. En passant probeert ze een antwoord te geven op de vraag hoe het mogelijk was dat de bevolking van een land met zo’n enorm vijandige houding tegenover Joden hen toch hielp toen dat nodig was en daarvoor zelfs druk weerstond van bondgenoot Nazi Duitsland om zich anders op te stellen. Dat antwoord komt niet heel goed uit de verf, maar de verhalen zijn een genot om te lezen.

Eén wil ik u niet onthouden. Leon Nussbaum uit Wenen komt als vluchteling terecht in Zuid Frankrijk en weet een mensensmokkelaar te vinden die hem de Pyreneeën over wil helpen. Op de ochtend van zijn vertrek treft hij tot zijn schrik een hele groep Joden op de vlucht aan, waaronder een ouder echtpaar. Aanvankelijk is hij bang dat die oudjes de boel zullen vertragen en hun pakkans (zowel de Franse politie als de Spaanse pakte illegale grensoverschijders op) zullen vergroten, maar dat blijkt mee te vallen: ze kunnen prima mee, vooral ook omdat Leon besluit de koffer van de oudere dame te dragen.

Ze weten uit handen van de Fransen te blijven, die mensen zonder geldig exit-visum terugstuurde. Aan de Spaanse kant gaan de groep en Leon uit elkaar. Na bijna te zijn doodgevroren en een paar dagen een zwerversbestaan te hebben geleid in Noord-Spanje, wordt Leon door de Spaanse politie opgepakt en in de gevangenis gestopt, waar hij de rest van de groep terugvindt. De autoriteiten sturen ze vooralsnog niet terug naar Frankrijk, maar het gevangenisbestaan is natuurlijk ook geen pretje. Bovendien weten ze niet wat er op langere termijn met ze gaat gebeuren.

De Spanjaarden laten vervolgens de vrouwen vrij, om zo meer ruimte te maken voor de forse stroom illegale vluchtelingen. Uiteindelijk worden ook een paar mannen vrijgelaten. Dat zijn uitsluitend mannen die buiten de gevangenis een vrouw hebben. Als dat buiten eenmaal bekend wordt, komen alle vrouwen in actie om hun man eruit te krijgen en langzaamaan lukt dat. De man van het bejaarde stel beloofd Leon vlak voor zijn vrijlating om hem ook vrij te krijgen, als dank voor het dragen van die koffer. Dat lijkt echter onmogelijk. Leon is namelijk single.

Buiten de gevangenis worden de vluchtelingen geholpen door een Amerikaans-Joodse hulporganisatie. De oudere man legt zijn probleem voor aan een jonge vrouw die bij die organisatie werkt en vraagt haar of zij zich niet kan voordoen als Leons verloofde. Dat weigert ze, want het is een volslagen vreemdeling die ze zelfs nog nooit gezien heeft. De oudere man dringt echter aan en uiteindelijk gaat ze op zijn verzoek in.

De Spaanse autoriteiten wijzen echter haar verzoek om vrijlating af, omdat ze slechts Leons verloofde is en er verder geen papieren zijn die het bestaan van een relatie aannemelijk kunnen maken. Dat gebeurt er iets grappigs: die weigering pikt ze niet en ze blijft pogingen ondernemen om Leon vrij te krijgen. Dat lukt haar uiteindelijk en zo begint Leon aan zijn bestaan als illegaal in Spanje, daarbij geholpen door de Amerikaanse hulporganisatie. Hij en de vrouw die hem de gevangenis uit hielp mogen elkaar, maar niet meer dan dat.

Eind jaren tachtig, in Canada, vertelt Leon Nussbaum de auteur van het boek dat hij er lang over heeft gedaan om haar het hof te maken. Ze zijn dan nog steeds getrouwd.

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Met andere woorden (4)

BGT logo A6Bij nader inzien is het misschien toch niet de post: ook de laatste twee nummers van het onvolprezen tijdschrift Met andere woorden, zijn niet in mijn brievenbus terecht gekomen. Dat biedt echter wel de gelegenheid ze samen te behandelen, want beide nummers staan in het teken van de nakende verschijning van de Bijbel in Gewone Taal (BGT).

In de aanloop naar het verschijnen van deze nieuwe vertaling – in oktober – staan in het zomernummer drie artikelen over de totstandkoming van drie eerder verschenen Nederlandse bijbelvertalingen. De vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951 (NBG 51), de Groot Nieuws Bijbel (GN, 1983) en de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) uit 2004. Ze worden respectievelijk behandeld door de bibliothecaris van het Nederlands Bijbelgenootschap Anne Jaap van den Berg, oudtestamenticus Jaap van Dorp en hoogleraar Oude Testament Klaas Stronk.

Het interessantst vond ik echter het eerste artikel van hoogleraar bijbelvertalen Lourens de Vries over de activiteiten van het Nederlands Bijbelgenootschap in Nederlands Indië. Het genootschap investeerde niet alleen veel energie in de wetenschappelijke bestudering van inheemse talen als het Javaans en Bataks, maar deed ook zijn best zich verre te houden van zendingswerk. Dat laatste vond ik verrassend. Zendingswerk stuitte onder de – overwegend islamitische – bevolkiing nog wel eens op actief verzet en de Nederlandse overheid had geen zin in opstootjes. Het Genootschap hield dus afstand van zendingswerk en presenteerde zijn activiteiten als een vorm van het brengen van algemeen menselijke beschaving.

Onbedoeld droeg het linguistische werk van het Genootschap ook bij aan het afbreken van het Europese vooroordeel dat Indië werd bewoond door mensen voor wie de Europese beschaving een welkome verbetering was. Het juiste taalregister voor een tekst als de bijbel werd gezocht in de literaire hoftraditie van bijvoorbeeld het Javaans en Bataks. Die traditie bleek zowel rijk als oud en allerminst ‘onbeschaafd’.

Het zomernummer kan hier worden gedownload.

Het septembernummer is geheel gewijd aan de Bijbel in Gewone Taal (BGT). Vertaalwetenschapper Tineke Bol-Driehuizen en nieuwtestamenticus Matthijs de Jong leggen in een lang artikel eerst uit wat vertalen nu eigenlijk is en welke keuzes daarin kunnen worden gemaakt, om die uitgebreide theorie te illustreren met een groot aantal voorbeelden uit de NBV en de BGT.

Daarna wijden neerlandici Marja Verburg en Clazien Verheul een zeker even doorwrocht artikel aan de woordenschat van de BGT: met gebruikmaking van krap 4000 woorden is het Nederlands Bijbelgenootschap erin geslaagd de bijbel te vertalen. Dat was geen doel op zich, maar het resultaat van vertaalkeuzes en het streven om een zo begrijpelijk mogelijke vertaling te maken. Ook weer een artikel dat start met een theoretische achtergrond en eindigt met vele voorbeelden.

De algemeen directeur van het Nederlands Bijbelgenootschap Rieuwerd Buitenwerf en oudtestamenticus Mirjam van der Vorm-Croughs vatten een klein onderwerp aan: hoe behandel je citaten uit het ene bijbelboek in het andere? Dat lijkt een non-probleem, maar er komt dankzij de tekstgeschiedenis van de bijbel een heleboel aan keuzes bij kijken. Citaten zijn door een veelvoud van oorzaken namelijk niet altijd direct herkenbaar en komen vaak ook niet overeen met de tekst die geciteerd wordt. Ga er maar aan staan als vertaler…

Tenslotte wordt de vertaling van een belangrijk bijbels begrip behandeld: ‘gerechtigheid/rechtvaardigheid’ door nieuwtestamenticus Matthijs de Jong. Deze woorden, één-op-één vertalingen van begrippen uit zowel het Hebreeuws als Grieks, komen in de BGT niet voor. In plaats daarvan gebruikt de BGT een hele reeks Nederlandse woorden, afhankelijk van de context van de woorden in de brontekst: ‘rechtvaardig zijn’, ‘goed en eerlijk leven’, ‘goedheid’, ‘eerlijke rechtspraak’ of ‘recht’ bijvoorbeeld en in sommige gevallen zelfs ‘redding’. De Jong licht het keuzeproces, en met name de laatste vertaalmogelijkheid, toe aan de hand van een aantal voorbeelden.

Het septembernummer kan hier worden gedownload.

Geplaatst in Bijbel | Tags: , , | 1 reactie

Extra ecclesiam

S17-1Wetenschapsfilosoof Maarten Boudry vraagt in de Belgische krant De Morgen van 13 september aan gematigde moslims voortaan geen beroep meer te doen op de koran wanneer ze hun afkeuring van gewelddadige geloofsgenoten willen onderbouwen. Hij richt zelfs een ‘smeekbede’ tot hen, omdat ze op die manier het uitgangspunt delen van hen die ze bestrijden.

U speelt niet alleen op het schaakbord van de jihadi’s, met hun spelregels, het is alsof u zichzelf drie pionnen toebedeelt en uw tegenstander tien koninginnen.

Bij elk dispuut halen fundamentalisten immers het boek boven dat u beiden eerbiedigt als goddelijke autoriteit, en weten zij de beste papieren voor te leggen.

Aldus Boudry. Het is een iets vriendelijker formulering van een oud thema: de koran als islamitische Mein Kampf, waarin ondubbelzinnig en tot in detail alle gruwelijkheden zouden zijn voorgeschreven die moslimzeloten overal ter wereld plegen. Wie met behulp van datzelfde boek anderen tot vreedzaam gedrag wil aanzetten, faalt natuurlijk al bij voorbaat. Dat idee is het gevolg van een denkfout waar atheïsten en andere seculieren de laatste tijd steeds vaker met een forse klap in tuinen: ze luisteren alleen naar fundamentalisten.

Die lezen heilige teksten namelijk letterlijk – ‘wat er stáát’ – en dat is makkelijk te volgen. Ze beroven de teksten doorgaans ook van hun context, of voorzien ze van een totaal nieuwe. Seculieren zijn van die context vaak in het geheel niet op de hoogte en gaan dus maar af op wat ze verteld wordt. Het verhaal van de fundamentalist is ook goed verifieerbaar aan de hand van die bronnen die eenvoudig toegankelijk zijn voor de absolute, en dus ook de seculiere leek. Beide groepen hebben – met andere woorden – geen kaas gegeten van exegese en theologie en de veel ingewikkelder verhalen van gediplomeerde exegeten en theologen kunnen ze maar nauwelijks volgen. Boudry hoort bij de groeiende groep seculieren die slechts één interpretatie van de heilige schrift aanzien voor wat er in diezelfde schrift ook echt ‘stáát’.

Een voorbeeld is Boudry’s bewering als zouden vreedzame verzen uit de koran (‘er is geen dwang in de religie’ [2:256] en ‘wie één mens redt, redt de mensheid’ [5:32]) zijn ‘afgeschaft’ door andere verzen (in dat verband wordt veelal verwezen naar het ‘zwaardvers’ [9:5]). Die afschaffingsprocedure zou in de koran zelf beschreven staan, maar dat is een idee dat pas drie eeuwen na de koran is geformuleerd. Wie het ‘afschaffingsvers’ (2:106) leest met dit later uitgevonden idee al in zijn hoofd, is licht geneigd hinein zu interpretieren, maar noodzakelijk is dat niet. Het betreffende vers wordt bijvoorbeeld ook wel gelezen als betrekking hebbend op slechts één enkel incident, of als een verwijzing naar ‘tekenen’ in plaats van ‘verzen’ in de koran (het Arabische woord betekent beide).

Boudry’s bewering kan – zelfs met behoud van het idee ‘afschaffing’ – volledig worden omgedraaid. De door hem aangehaalde vreedzame verzen worden door moslimtheologen ook wel gezien als voorschriften die verzen met een meer gewelddadige inhoud afschaffen. De exegetische methode die daar achter zit, gaat niet zozeer uit van wat er staat als openbaringsbron, maar van waarom het er staat.

Er bestaan ook exegetische methoden waarmee kan worden aangetoond dat verzen die over hetzelfde onderwerp lijken te gaan – en die dus linksom of rechtsom een geval van afschaffing zouden inhouden – feitelijk niets met elkaar te maken hebben, omdat ze over verschillende onderwerpen gaan, betrekking hebben op verschillende omstandigheden of gericht zijn aan verschillende toehoorders. Die methode is meermaals uitgevonden: rabbijnen kennen hem ook.

Boudry kent al dat eenvoudige exegetische handwerk niet. Hij ziet dat slechts aan voor ‘wegverklaren’ en ‘rationaliseren’. Een vorm van oneerlijkheid dus, of op zijn best zelfbedrog. Zo zonder enig denkgereedschap moet je toch wat als je wilt aantonen dat dat boek maar bar en boos is en de wetenschapsfilosoof bedient zich dan maar van imposant klinkende cijfers.

Niettemin wordt de eeuwige foltering voor ongelovigen meer dan 120 keer herhaald in het boek waaraan u lippendienst bewijst

92 van de 114 soera’s handelen erover

Datzelfde boek (…) wijdt 164 verzen aan de jihad, de heilige strijd tegen niet-moslims

Honderdtwintig keer folteringen voor ongelovigen, hon-derd-twin-tig keer! Je zou ervan schikken, tot je je realiseert dat we op 6236 verzen in totaal spreken over 1,9% van de koran, een bescheiden Donald Duckje, zeg maar.

Over diezelfde folteringen zouden 92 soera’s van de 114 handelen, maar het is de vraag of Boudry wel weet waar hij het over heeft. Er is maar één soera in de koran die ‘ergens over gaat': de twaalfde, waarin het verhaal uit het bijbelboek Genesis over Joseph and the technicolour dreamcoat wordt herverteld. Daarnaast zijn er enkele ultrakorte soera’s die veelal uit een soort gebedsteksten bestaan. Alle andere soera’s zijn een aaneenrijging van wijd uiteenlopende onderwerpen die noch thematisch, noch chronologisch geordend zijn, waarbij van de hak op de tak gesprongen wordt en waar leken – en trouwens ook behoorlijk wat moslims –  het spoor al heel erg snel bijster zijn. Soera’s dus waar je onmogelijk van kunt zeggen dat ze ‘over een bepaald onderwerp gaan’.

Volgens mijn concordantie – alweer zo’n exegetisch basisgereedschap dat je in je eerste jaar leert kennen – komt de stam jhd in de hele koran zo’n 41 keer voor – niet 164 – en die dekken niet allemaal het veel misbruikte begrip jihad. Van die stam zijn ook woorden als ‘inspanning’  en ‘sterkste’ afgeleid. Boudry meldt bij het begrip jihad nog even voor de duidelijkheid de betekenis: ‘de heilige strijd tegen niet-moslims’, maar die betekenis is pas in de loop van de dertiende eeuw ontstaan, dankzij de Mongolen. Wederom: wie deze verzen leest door de bril die in die tijd is ontstaan, is licht geneigd hinein zu interpretieren, maar noodzakelijk is dat niet.

Boudry beheerst de theologie en exegese niet, is niet op de hoogte van de historische context waarbinnen de jihadistische korenexegese is ontstaan en beschikt over een slechts beperkt inzicht in de beschijvende statistiek. Toch durft hij in zijn smeekbede te stellen dat de vreedzame ideeën die veel moslims ontegenzeggelijk hebben, niet voortvloeien uit begrip van hun heilige schrift.

Maar vergis u niet: die verheven morele principes hebt u niet aan de Koran of eender welk ander heilig boek ontleend. Die komen van u. Dat is de stem van uw geweten, de vrucht van morele vooruitgang.

Afgezien van de vraag waar die morele vooruitgang (welke trouwens?) dan vandaan komt, wordt ook hier een denkfout gedebiteerd waar seculieren zich regelmatig aan bezondigen: (mede)menselijkheid kan niet voortvloeien uit religie of een heilige schrift, maar is slechts te vinden in een visie of overtuiging die in wezen seculier is. Extra ecclesiam nulla salus, waar heb ik dat eerder gehoord?

 

Geplaatst in Koran, Religie, Samenleving | Tags: , , , | 6 reacties

Nuttige archeologie (2)

Ik heb er al eens eerder over geblogd: het werk van mijn collega Ivar Schute, die zich heeft gespecialiseerd in de archeologie van de Tweede Wereldoorlog. Hij werkt al een tijdje mee bij een internationaal project in Sobibor en dat project begint nu spraakmakende vruchten af te werpen: de gaskamers zijn gevonden. De pogingen van de Duitsers destijds om het kamp – na de opstand en ontsnapping van gevangenen – in de vergetelheid te laten geraken, zijn uiteindelijk vruchteloos gebleken.

Meer publicaties hier, hier en hier. Een radiointerview van afgelopen zondag hier.

Update: de uitzending van Nieuwsuur van zaterdag 27 september.

Geplaatst in Erfgoed, Geschiedenis | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen