Hosanna

HosannaPalmPakweg een week voor die noodlottige pasen trok – zo luiden althans de verhalen – Jezus met zijn clubje volgelingen Jeruzalem binnen. De meute raakte daar zó opgewonden van, dat ze de Galileërs verwelkomden door takken van palmen en olijfbomen te rukken en die op de weg uit te spreiden. Dit staaltje horticultureel vandalisme wordt nog ieder jaar herdacht op palmzondag. Dat was gisteren.

De verhalen over die intocht hebben geleid tot een veelgebruikt taalkundig misverstand. Ik hoorde het onlangs VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra nog zeggen op het nieuws: ‘We moeten vooral niet te snel hosanna roepen.’ Het betrof een financiële meevaller die het rijk had gehad, en Zijlstra waarschuwde voor al te uitbundig enthousiasme. Het woord hosanna is doorgaans een aanduiding van triomfantelijke blijheid. De uitdrukking blijft standaard onvertaald in de bijbel, wat dit misverstand in stand houdt.

Want hosanna is de Griekse weergave van het Hebreeuws hosjia-na of hosja-na, dat ‘red toch’, of ‘red ons’, betekent. Het woord is – net als de naam ‘Jezus’ trouwens – afgeleid van het werkwoord jasja. Het moet wel leuk blijven, dus ik zal u de ingewikkelde Hebreeuwse werkwoordsafleidingen besparen. Belangrijk om te onthouden is dat dit werkwoord in de Hebreeuwse bijbel wordt gebruikt bij gebeurtenissen die voor het Joodse volk van centraal belang zijn. Bijvoorbeeld wanneer na de doortocht door de Rietzee – onder leiding van Mozes - het verzopen Egyptische leger op het strand ligt en de Israëlieten gered blijken te zijn. Bij dat ‘redden’ moet u dan ook beslist denken aan de connotatie ‘verlossen’, ‘bevrijden’.

Wat het verzamelde volk in Jeruzalem riep: ‘Bevrijd ons, zoon van David’, klonk in de ogen van het bevoegde gezag dan ook buitengewoon opruiend, zeker met de verwijzing naar de populaire koning David. ‘Gezegend die komt in de naam van de Heer’ was een citaat uit de bevrijdings- en overwinningspsalm 118 (vers 26). Palmbladeren waren een traditioneel overwinningsteken. En een dag later volgde ook nog een relletje in de tempel.

Wat het clubje Galileërs zelf werkelijk van plan was, is in de bronnen nogal vaag, op zijn zachtst gezegd. Hoe dan ook, als er al vastomlijnde plannen waren geweest, dan leken die na dit opstootje niet zo heel relevant meer. Ze raakten de regie kwijt en het was de meute die de gebeurtenissen een eigen momentum dreigde te geven. Elke Romeinse bestuurder zou adequaat ingegrepen hebben en het is dan ook niet raar dat de leider van het clubje een paar dagen later aan het kruis eindigde.

Geplaatst in Bijbel, Religie, Taal | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Erfzonde

post-atheist1-324x193Joden zijn rare mensen: één zevende deel van hun leven verdommen ze het stelselmatig om te werken en de rest van hun tijd spenderen ze het liefst afgezonderd van de wereld. Iemand zou die lieden eens mores moeten leren. Dat is vanzelfsprekend geen oproep tot geweld – zo lossen wij de dingen niet op in Alexandrië. Maar het vormt wel een maatschappelijk knelpunt als groepen mensen onvoldoende participeren in de samenleving. En dat probleem moet worden opgelost.

Het bovenstaande zou zomaar de mening van een weldenkend mens kunnen zijn geweest aan de vooravond van de oudst bekende pogrom, in het jaar Onzes Heren 38. Jodenhaat is dus geen christelijke uitvinding. Dat christendom importeerde reeds bestaande ideeën over Joden dankzij het besluit ook niet-Joden tot de eigen religieuze club toe te laten. Maar christenen konden lastig het bezwaar handhaven dat Joden een zevende deel van hun leven niets uitvoerden. Dat deden ze immers zelf ook. Gelukkig waren er andere argumenten voorhanden: ze hadden de Zoon Gods gekruisigd en daarvoor werd met enige regelmaat wraak genomen op de nazaten van de daders.

Wie de verslagen van die kruisiging echter goed doorleest, komt er al snel achter dat de daders Romeinen waren. In het begin van de dertiende eeuw speelt het verwijt van de godsmoordenaars dan ook lang zo’n grote rol niet meer. In plaats daarvan is de Talmoed gekomen: een boek dat bol stond van de beledigingen aan het adres van Christus, de Moeder Gods en christenen. Aan dergelijke moedwillige pogingen om het geloof van een bevolkingsgroep belachelijk te maken moest nodig wat gedaan worden. De Talmoedverbrandingen van 1242 in Frankrijk waren er een exponent van.

Enkele decennia later hadden christelijke geestelijken wat meer kennis genomen van de inhoud van de Talmoed en bleek dat het met die beledigingen nogal meeviel. Dus werd het perspectief enigszins gewijzigd. Nu gold de Talmoed als een bron die bevestigde dat Christus de Messias was en moesten die halsstarrige Joden er ook maar eens aan geloven. Hoe onzinnig deze bewering ook was: hij schijnt nog enig effect gehad te hebben in de vorm van min of meer vrijwillige bekeringen.

Waar de discussies over de Talmoed vooral voor geleerden waren, bediende het gezonde volksgevoel zich vanaf de twaalfde eeuw van het fabeltje dat joden kinderbloed nodig hadden voor het maken van matses met Pesach. En hoewel dat verhaal tot op de huidige dag nog af en toe kan worden beluisterd, bleek ook dat uiteindelijk onhoudbaar.

Toen werd Jodenhaat het voorwerp van funderingsherstel: ideeën over Joden als ras werden gekoppeld aan nieuwe ideeën zoals Darwins survival of the fittest. Iemand schonk ons de Protocollen van de Wijzen van Zion, waarin een wereldwijde Joodse samenzwering werd verondersteld. De renovatie was zo grondig dat sommigen een onderscheid in Jodenhaat zijn gaan maken tussen religieus geformuleerd anti-judaïsme en raciaal beargumenteerd antisemitisme.

Voor we het wisten waren daar de Nazi’s met hun Endlösung. En nog is Jodenhaat niet verdwenen. Tegenwoordig zijn het de lieden die het gedrag van de staat Israël gelijkstellen aan het karakter van de Jood, die ervoor zorgen dat het fenomeen nog steeds vrolijk voortleeft. Jodenhaat heeft het eeuwige leven, het lijkt te bestaan omdat het wil bestaan. Maar Jodenhaat op zich bestaat niet. Jodenhaat zijn mensen. Mensen wier redenen maar blijven wijzigen, terwijl hun ideeën constant blijven. Mensen die zich generaties lang actief blijven inzetten, niet zozeer om hun vooroordelen in de lucht te houden, als wel om de wereld om hen heen en hun eigen gedachtegoed niet onder ogen te hoeven zien.

Daar is een woord voor: erfzonde. Geen beter bewijs voor het bestaan ervan dan Jodenhaat.

Wegens de vakantie van mijn goede vriend Jona mocht ik afgelopen maandag zijn column Post-Atheïst een keertje waarnemen.

Geplaatst in Religie | Tags: , , | 2 reacties

Cum Laude

Albert-Einstein-PortraitAfgelopen week had ik reden om me eens te verdiepen in de examenreglementen van een bachelor-opleiding aan een Nederlandse universiteit, die ik verder niet met name zal noemen. Mijn interesse gold enkele tentamenregelingen, maar op een gegeven moment viel mijn oog op de regels die bepaalden hoe je tegenwoordig cum laude kunt afstuderen.

Als achtergrondinformatie is het wellicht goed eerst uit te leggen hoe deze opleiding gestructureerd is. Elk van de drie bachelor-jaren is opgedeeld in twee semesters die weer zijn verdeeld in drie blokken. De eerste twee blokken duren acht weken, het derde blok vier weken. In de eerste twee blokken worden twee vakken tegelijk bestudeerd, in het derde blok één vak. De langere blokken één en twee zijn gesplitst in twee periodes van elk drie weken colleges en één week tentamens. De eerste periode eindigt met een midterm tentamen en de tweede met een endterm tentamen.

In totaal komen per jaar dus tien vakken aan de orde met tien endterm tentamens en acht midterm tentamens. Aan het eind van je drie jaar bachelor heb je zesenveertig tentamens afgelegd in dertig vakken. Dat is ruw geschat, want enkele tentamens worden vervangen door bijvoorbeeld schrijfopdrachten of door het schrijven van je bachelorscriptie.

Na het tweede blok van het jaar valt de kerstvakantie en na het vierde blok -het eerste van het tweede semester - de paasvakantie. De acht tentamens van de eerste vier vakken van het jaar vallen daardoor precies in een cyclus van 28 dagen en dat geldt ook voor de vijf tentamens van de volgende drie vakken en de vijf tentamens van de laatste drie vakken van het jaar.

Ik heb de hoeveelheid materiaal gezien die studenten in porties van drie weken moeten bestuderen en dat is geen kleinigheid: honderden pagina’s wiskunde, statistiek en filosofie uit nog veel dikkere – vrijwel altijd in de VS uitgegeven – studieboeken. Daar komen dan nog de benodigde syllabi en handouts bij. Het tempo en de informatiedichtheid liggen enorm hoog. Voor het volgen van sommige vakken is het bovendien noodzakelijk dat je eerst het tentamen van een ander vak hebt gehaald. Zo kan het voorkomen dat je ineens twee vakken in een blok niet mag volgen omdat je in het jaar daarvoor één vak nog niet gehaald hebt. Voor je het weet snowballt je bachelorstudie zijn vierde jaar in.

In deze omgeving zou een middelmatig student als Einstein nooit goed gedijen en tegen deze achtergrond las ik dan ook de eisen waaraan een student tegenwoordig moet voldoen om cum laude, ‘met lof’ af te studeren.

Aan het bachelordiploma wordt de beoordeling cum laude toegekend, indien:
- het gewogen gemiddelde van alle op de cijferlijst vermelde studieonderdelen ten minste 8 is;
- het cijfer voor de bachelorscriptie ten minste 8 bedraagt;
- er in geen enkel vak een hertentamen is afgelegd;
- er voor maximaal 30 studiepunten (van de 180)  aan vrijstelling is verleend.

Niet alleen de afgestudeerde zelf, maar ook potentiële werkgevers zullen ervan overtuigd zijn dat het predicaat cum laude het resultaat is van hard werken en wellicht ook een teken van een briljante geest. Dat is op zichzelf niet onjuist, maar wie de regels even op zich laat inwerken, zal al snel zien dat cum laude ook het gevolg is van stom geluk.

Je tentamens moet je – om hertentamens te voorkomen – allemaal in één keer halen. Een tentamen missen kan in theorie wel, maar alleen als je je op tijd afmeldt, gepland dus. Dat wil zeggen dat je niet plotseling ziek moet worden, geen ongeluk moet krijgen, niet vast moet komen te zitten in het openbaar vervoer, geen lekke band moet krijgen, geen sterfgeval in je familie- en vriendenkring kunt hebben, de dag tevoren niks verkeerds gegeten moet hebben, je niet moet laten afleiden door ongelukken onderweg waar je wellicht eerste hulp zou kunnen – of moeten – verlenen, je niet moet laten beroven en dat alles een keer of zesenveertig in drie jaar.

Wil je je tentamens een beetje goed halen, dan zul je niet alleen goed moeten studeren. Je kunt er ook maar beter voor zorgen dat je niet ongesteld bent (vandaar die cyclus van 28 dagen), geen ADHD hebt, niet dyslectisch bent of visueel gehandicapt en niet spastisch. Die aandoeningen leveren je namelijk maar maximaal een half uur extra tentamentijd op, behalve ongesteld zijn dan.  Je kunt beter niet opgezadeld zijn met tokkie-buren, stalkers, geldzorgen, ernstig zieke familileden, relatieproblemen of andere familieruzies, of andere dingen die in een (studenten) leven nog wel eens belangrijker willen zijn dan studeren. En dan heb ik het nog niet over het enorme verschil dat een goede docent kan maken.

Wie cum laude afstudeert heeft die kwalificatie natuurlijk ook verdiend. Maar daarbij heeft de student in kwestie vooral enorm geluk gehad. Cum gaudio et gratia zou dan ook een betere en eerlijker omschrijving zijn: ‘met vreugde en met dankbaarheid’.

De leden van de examencommissie hebben hun reglement merkbaar opgesteld vanuit de overtuiging dat persoonlijk succes vooral een kwestie is van persoonlijke inspanning en verantwoordelijkheid. Dat is een – in essentie – religieuze overtuiging, in de zin dat feiten minder belangrijk zijn en er vooral een politieke of persoonlijke wens uit spreekt over hoe de werkelijkheid in elkaar zit, of zou moeten zitten.

Er zijn best veel alternatieven voor dat idee - overigens allemaal even religieus -  en dat is helemaal niet erg. Maar ik denk niet dat het een wenselijke ontwikkeling is wanneer de voorstanders van het cum laude voorstanders van bijvoorbeeld cum gaudio et gratiaactief gaan ontmoedigen.

Naschrift: vandaag kwam ik er achter dat ik in de opsomming hierboven nog iets vergeten ben: je kunt ook maar beter niet orthodox joods zijn. Voornoemde opleiding organiseert tentamens op vrijdagavond waarvan de eindtijd het begin van de sabbat ruim overschrijdt.

Geplaatst in Samenleving, Wetenschap | Tags: , | 2 reacties

De christelijke Ramadan

modernvastenVandaag – Aswoensdag – begint de Vasten, de periode voorafgaand aan Pasen waarin christenen geacht worden soberder door het leven te gaan.

In de katholieke traditie waren er vroeger allerlei regels voor die Vastentijd: maar één volle maaltijd per dag en de eerste en één na laatste dag van de Vasten waren (en zijn trouwens nog steeds) ‘onthoudingsdagen’. Dat heeft niks met sex te maken, wat dat betreft verschilt de Vasten behoorlijk van de Ramadan. Het houdt in dat je geen vlees eet. Oudere katholieken willen nog wel eens verhalen over het ‘vastentrommeltje’, waarin gedurende de Vasten alle snoep verdween, om pas met en na Pasen te worden opgegeten. Maar dat is nooit een regel geweest, dat was folklore.

In diezelfde katholieke traditie is de focus op soberder eten steeds onbelangrijker geworden. Ook op dat punt is een verschil met de Ramadan aan het ontstaan. Omdat het idee ‘soberder leven’ steeds belangrijker wordt, wordt de Vasten tegenwoordig ook wel ‘Veertigdagentijd’ genoemd, een goede vertaling van de antieke Latijnse benaming quadragesima. Eerst is het veertig dagen soberheid, in het midden is het Pasen en daarna is het vijftig dagen feest (tot en met Pinksteren). Getalsmatig is dat een zeer katholieke verhouding.

Pasen valt dit jaar op 20 april. Wie kan tellen, zal het al snel opvallen dat de periode van 5 maart tot en met 19 april geen veertig dagen zijn, maar zesenveertig. Dat komt omdat er tussen nu en Pasen nog zes zondagen zitten. Die tellen niet mee, want u begrijpt natuurlijk dat het ondenkbaar is dat er op de dag des Heeren wordt gevast.

Geplaatst in Religie | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Sappho

800px-Sappho_and_Alcaeus

Er is al het één en ander over gepubliceerd: er zijn twee fragmenten van nog niet bekende gedichten opgedoken van de Griekse dichteres Sappho, die leefde in de zevende eeuw voor Christus. Sappho is bijzonder omdat ze zo lang geleden leefde en omdat er eigenlijk nauwelijks gedichten van haar bewaard zijn gebleven. Fragmenten en slechts één compleet gedicht. Een laatste, en belangsijkste reden is dat haar gedichten heel persoonlijk zijn en dat is – voor wat we over hebben aan teksten uit haar tijd - uniek.

Een wel heel bijzondere vondst dus, die al tot heel wat opwinding heeft geleid, maar er zit een luchtje aan. De nieuwe fragmenten zijn aangetroffen in een privé-verzameling. Waar komen ze dan vandaan? Zijn het geen vervalsingen? Zeker bij zo’n bekende auteur ligt het risico op vervalsingen op de loer. Hoe belangrijker, hoe meer geld het in de handel opbrengt.

Het is onder archeologen en classici algemeen bekend dat niets makkelijker is dan nog onbeschreven papyrus vinden van de juiste ouderdom. Mijn docent hiëroglyfen vertelde ons ooit dat hij zich rot schrok toen hij in de bibliotheek van het Louvre een lade met oude Egyptische papyrusrollen opentrok en de onbeschreven papyrussnippers hem om de oren dwarrelden. Ideaal voor vervalsers, want onbeschreven papyrus wordt niet geregistreerd. Het enige probleem wat de vervalser nog heeft, is de inkt.

In de Volkskrant van afgelopen zaterdag wordt de Nijmeegse hoogleraar André Lardinois geciteerd (ik zou hier graag een link plaatsen, maar dat levert alleen een inlogscherm op) over die inkt:

(…) oude inkt kun je niet nabootsen. Met spectrumanalyse is de inkt gedateerd. Die stamt uit de derde eeuw na Christus. Dus dit is een kopie uit die periode.

Ai! Ik weet niet of dit citaat een gevolg is van een onoplettende journalist of van een classicus die niet eerst even bij zijn collega-archeoloog te rade is gegaan. Hoe dan ook: het klopt niet.

Er bestaan 1001 vormen van spectroscopie, een techniek waarbij materialen kunnen worden blootgesteld aan diverse soorten electromagnetische straling, waaronder zichtbaar licht. Afhankelijk van het type analyse wordt de straling gemeten die het materiaal absorbeert, reflecteert, vertraagt of verstrooit. Dat geeft zeer nauwkeurige informatie over de samenstelling van het materiaal. Maar niet over de ouderdom.

Spectroscopische analyse van de inkt kan dus vaststellen of die inkt overeenkomt met inkten uit de oudheid. Het zou in theorie ook best mogelijk kunnen zijn om vast te stellen dat de inkt overeenkomt met een type inkt dat alleen in de derde eeuw na Christus werd gemaakt. Als zo’n inkt zou bestaan. Maar dat sluit een vervalsing niet uit. Inkt kun je namelijk namaken. Veel typen inkt worden al eeuwen gemaakt volgens dezelfde receptuur en een goede chemische analyse van een oude inkt maakt het vinden van een kloppend recept alleen maar makkelijker.

De enige manier om inkt te dateren is via de koolstofmethode, en omdat je voor een conventionele datering teveel materiaal nodig hebt, komt alleen de AMS-variant in aanmerking: Accellerator Mass Spectometry, waarbij uit een te dateren monster alle koolstof wordt geïsoleerd en in een soort deeltjesversneller de hoeveelheid koolstof-14 wordt gemeten. Daarmee kun je dan de ouderdom bepalen.

Maar voor zo’n datering moet er een paar milligram inkt van de te dateren fragmenten geschraapt worden. Ik moet de eerste classicus nog tegenkomen die het goed vindt dat een archeoloog met zijn chirurgenscalpel een unieke papyrustekst te lijf gaat en een paar letters slechter of onleesbaar maakt.

Nagekomen noot:
Dom dat ik dit niet eerder bedacht heb, maar inkt wordt normaal gesproken gemaakt van roet (lampenzwart). Dat kun je maken door iets te verbranden, houtskool bijvoorbeeld. Opgravingen leveren doorgaans ruime hoeveelheden houtskool op. Zoek houtskool van de gewenste ouderdom en maak er Oost-Indische inkt van, dat heeft geen bijmengingen zoals Arabische gom. Dat zou het berekenen van de juiste hoeveelheid (oud) roet en (moderne) gom om tot de juiste (valse) C-14 datering te komen alleen maar ingewikkelder maken…

Geplaatst in Geschiedenis, Kunst, Literatuur, Wetenschap | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

Minischrijven

Een tijdje geleden blogde ik over de mogelijkheid om met pennen van riet of veerschacht net zo klein te schrijven als het schrift dat soms wordt aangetroffen op Dode Zee rollen. Letters van een millimeter of twee hoog, daar is een hele dunne pen voor nodig. Het snijden van zo’n dunne pen leek me lastig, zo niet onmogelijk. Wellicht gebruikten de schrijvers van de Dode Zee rollen metalen pennen? Die zijn niet gevonden in Qumran, wat logisch is, aangezien metaal duur is en wordt meegenomen of omgesmolten.

Mijn daarop volgende experimenten met moderne metalen kroontjespennen en een satéprikker leerden al snel dat het mogelijk was om letters van anderhalve tot twee millimeter hoog te schrijven op perkament. Het antwoord voor pennen van riet of veerschacht was iets lastiger te verkrijgen. Een kleine zoektocht heeft nu deels uitsluitsel gegeven: het moet kunnen.

Daarvoor heb ik een mezoeza die in mijn bezit is, geraadpleegd. Een mezoeza is een klein perkamentrolletje dat in een beschermende koker aan de deurposten van een joods huis wordt vastgemaakt. Op dat perkamentrolletje staan twee Hebreeuwse bijbelteksten (Deut 6:4-9 en 11:13-21) waarin onder andere het gebod staat om ‘wat ik (God) u heden gebied’ te schrijven ‘op de deurposten van uw huizen’. Mezoeza is het Hebreeuwse woord voor ‘deurpost’.

De beschermende kokers zijn soms onopvallend, maar meestal kleine kunstwerkjes en ze hangen altijd schuin. Aan de rechter deurpost, ongeveer op schouderhoogte. Een joodse woning of winkel kun je eraan herkennen (en mijn huis toevallig ook).

Collection01

Het stukje perkament in mijn bezit is 5,5 cm breed en 6,0 cm hoog. Er staan 22 regels tekst op. Er is dus 2,73 mm per regel beschikbaar. Het schrift zelf is ongeveer 2 mm hoog, met enkele, iets grotere letters, die tot 3 mm hoogte komen. De pendikte is ongeveer een halve millimeter. Hieronder staat een stukje uit de tekst: bechol levavchèm oevechol nafsjechèm, ‘met geheel jullie hart en met geheel jullie wezen’ (uit Deut 11:13). Ik heb het gescand met een meetlint ernaast (millimeterstreepjes, dank aan de Gamma) zodat de maat goed te zien is.

MezuzaScrollDetail01

Dit stukje perkament is kosher, wat in dit geval inhoudt dat het perkament gemaakt is van een kosher geslacht, rein – volgens de joodse wet – dier en dat de tekst is geschreven door een sofeer – een daarvoor opgeleide joodse schrijver – met een pen die, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, gemaakt is van veerschacht. Het kan dus met zo’n pen van veerschacht.

De enige vraag die me nu nog bezig houdt is: hoe snij je een pen van riet die zo dun is dat je er zo klein mee kunt schrijven? Ik ben aan het oefenen, daarover later meer…

Geplaatst in Bijbel, Erfgoed, Religie, Wetenschap | 2 reacties

Islam ontstaan uit christendom?

SothebyL11223-63Afgelopen week stond ik in Hoorn voor de eerste les van mijn cursus over de Kruistochten en daar hoort vanzelfsprekend een korte behandeling bij van de opkomst van de islam. Eén van mijn cursisten had daarop een boeiende vraag: die vroege moslims, dat waren toch eigenlijk gewoon christenen? Ik krijg deze vraag vaker op mijn cursussen, vanaf het moment dat Thomas Milo en Eildert Mulder (in 2009) een feuilleton in dagblad Trouw publiceerden over alternatieve theorieën over het ontstaan van de islam. Over dat onderwerp valt heel wat meer te zeggen dan wat ik erover te zeggen had in het kader van een les over de aanloop naar de Eerste Kruistocht.

Volgens die in Trouw besproken alternatieve hypotheses zouden aan de basis van de islam Arabische christenen hebben gestaan met alternatieve geloofsopvattingen over Jezus’ goddelijkheid. Hun overtuigingen zouden zich pas in de loop der tijd hebben ontwikkeld tot wat wij nu ‘islam’ noemen. De koran zou daarbij gebaseerd zijn op christelijke – al dan niet liturgische – teksten. Mohammed zou nooit hebben bestaan, maar diens naam zou eigenlijk een aanduiding zijn voor Jezus (het woord muhammad betekent ‘de geprezene’). Deze Arabische christenen die in de loop van de zevende eeuw het Midden-Oosten overnamen – van het ineenstortende Perzische rijk en het sterk verzwakte Byzantijnse – meenden dat Jezus slechts een mens was en geen God. Tot de islam als aparte religie zou het pas gekomen zijn dankzij latere ontwikkelingen, rond de wisseling van de zevende naar de achtste eeuw, onder de eerste kaliefen van de Umayyadendynastie.

Deze opvatting – ik vat hem hierboven ultrakort samen – is afkomstig van een Duitse onderzoeksschool, Inarah, waarin zich wetenschappers van zeer diverse pluimage hebben verenigd, allen met alternatieve en revisionistische opvattingen over hoe we aan de islam gekomen zijn. Die opvattingen stroken onderling niet altijd met elkaar. Sommigen dichten het ontstaan van de islam uitsluitend toe aan heretische christenen. Anderen zien ook een grote rol weggelegd voor invloed vanuit het boeddhisme. Eén van de bekendste leden van Inarah is Christoph Luxenberg, de man die de hypothese bedacht dat de 72 maagden in het islamitische paradijs gebaseerd waren op een verkeerde vertaling van een christelijke Aramese uitdrukking in de koran waarmee eigenlijk druiven bedoeld zouden zijn (mijn uitgebreide engelstalige recensie hier, kortere Nederlandse versie hier).

Inarah publiceert de laatste jaren bijzonder veel bundels met wetenschappelijke artikelen. Milo en Mulder verwerkten een aantal van die artikelen in het feuilleton in Trouw en later in een dik en lezenswaardig boek (mijn recensie hier). Waarin ze hier en daar ook enkele kritische kanttekeningen plaatsten bij de opvattingen die in de Duitse onderzoeksschool gehuldigd worden.

Maar er valt veel meer op te merken over Inarah, waar rijp en groen door elkaar te vinden zijn. Sommige wetenschappers willen nog wel eens een enkele hervertaling van een koranpassage door Luxenberg serieus nemen, maar er zijn ook Inarah-leden die betrapt zijn op een canard. En wie het overzicht van alternatieve theorieën over het ontstaan van de islam van arabist en islamoloog Wim Raven leest, beseft al snel dat Inarah niet per sé serieus genomen hoeft te worden. Goed, tot zover de herkomst van de opvatting dat de islam begonnen zou zijn als een van de orthodoxie afwijkende vorm van christendom onder Arabische stammen.

Inhoudelijk lijkt deze opvatting weinig kans van slagen te hebben. De koran bestaat voor het grootste deel uit verhalen die ook uit de bijbel bekend zijn en er komt ook buitenbijbels christelijk gedachtengoed in voor. Het verhaal over de zevenslapers bijvoorbeeld. Het idee dat de koran gemaakt is van christelijke teksten ligt dan ook erg voor de hand. Maar die gelijkenis verhult de overeenkomsten met joodse teksten. Bijbels materiaal is – voor zover het het Oude Testament betreft – per definitie zowel christelijk als joods. Wie echter thuis is in buitenbijbels joods gedachtengoed zoals de Misjna, de Talmoed, Midrasj en Targoem, herkent in vele ‘niet-christelijke’ koranteksten, joodse verhalen.

Het bekende koranische gezegde ‘wie één mens redt, redt de hele mensheid’ is bijvoorbeeld afkomstig uit de Misjna en de Jeruzalemse Talmoed. Het betreffende koranvers meldt zelfs expliciet dat het een woord is dat oorspronkelijk tot de joden gericht was.

Derhalve hebben wij aan de Israelieten voorgeschreven dat wie iemand doodt (anders dan voor doodslag of wegens verderf zaaien op aarde) is alsof hij de mensheid gezamenlijk heeft gedood en dat wie iemand laat leven is alsof hij de mensen gezamenlijk heeft laten leven (Soera 5:32)

Zo is ook het koranische woord voor ‘hel’, djahannam, een Hebreeuws leenwoord. Zou het zijn overgenomen van de christenen, die Aramees gebruikten, dan had de ‘m’ aan het einde van het woord ontbroken.

Dat joodse materiaal valt qua datering vaak zo laat dat sommige moslims nog wel eens willen suggereren dat het oorspronkelijk koranisch materiaal is, dat door de joodse traditie is overgenomen. Een herkomst uit jodenchristelijk milieu ligt dan niet meer voor de hand. Het jodenchristendom – waarin Jezus goddelijkheid niet werd erkend – was toen al vrijwel dood. Er wordt wel vermoed dat er in de streek rond Mekka en Medina misschien nog jodenchristenen waren. Revisionistische wetenschappers menen echter dat de islam niet daar is ontstaan, maar in het noorden van Arabië. De heretische christenen die dat gebied bevolkten, dichtten aan Jezus juist goddelijkheid toe, een opvatting die nou net niet strookt met de opvattingen in de koran en de islam.

Die ‘christelijke herkomst’ van de islam ligt dus niet voor de hand. Er blijven voor nu grofweg twee mogelijkheden over: het ontstaan van de islam was een veel ingewikkelder proces dan alle – traditionele én dissidente – wetenschappers denken, óf van het traditionele verhaal dat moslims over hun eigen oorsprong vertellen is toch meer waar dan we voor mogelijk houden.

Geplaatst in Geschiedenis, Koran, Religie, Wetenschap | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen