Jodenhaat en islam (1)

MuslimDemo01Stomtoevallig stuitte ik in de trein op een achtergebleven opiniebijlage van het NRC van afgelopen zaterdag met daarin een stuk van David Suurland: ‘Jodenhaat hoort bij de islam’. Of die kop van de redacteur is of van Suurland zelf, weet ik niet, maar het is een uitstekende samenvatting: jodenhaat onder moslims is een direct gevolg van de islam. Suurland heeft het over ‘eeuwenlang zorgvuldig gekweekte Jodenhaat’.

Zijn stuk barst van de ondersteunende feiten: aanslagen in Toulouse en Brussel, Facebookpagina’s waar moslims massaal steun aan daders betuigden, Mein Kampf op bestsellerlijsten in het Midden Oosten, middeleeuwse theologische verhandelingen van islamitische geestelijken, de enthousiaste ontvangst van holocaustontkenners in de islamitische wereld, Iraanse steun voor de omstreden Franse cabaretier Dieudonné M’bala M’bala, geschiedenisleraren die moeilijkheden krijgen bij lessen over de holocaust en wetenschappelijke onderzoeken onder moslims met schokkende uitkomsten.

Zoals elk betoog dat een stelling poneert en vervolgens faits diverts opsomt ter ondersteuning, is Suurlands verhaal buitengewoon overtuigend, maar het blijft cherry picking galore. Suurland poneert alleen maar stellingen: over bestsellerlijsten (welke?) over Iraanse steun (hoeveel?), over islamitische theologische tractaten (citaatje?). Niets wordt onderbouwd en nergens lijkt Suurland te beseffen dat zijn weergave wel heel simplistisch is. Dat holocaustontkenners warm werden ontvangen door Mahmoud – de holocaust is een mythe – Ahmadinejad is een feit. Het is óók een feit dat rond diezelfde tijd in Iran de (staats!)televisieserie Madar-e sefr darage werd uitgezonden over een Iraanse diplomaat die tijdens de Tweede Wereldoorlog joden heeft gered. Daarin is de holocaust beslist geen mythe.

Suurland gebruikt in zijn stuk welgeteld twee argumenten, de rest is slechts een variatie op het thema: zo is het want het is zo. Die schaarse argumenten betreffen één nogal voor de hand liggende tegenwerping: de islamitische weerzin tegen joden vloeit voornamelijk voort uit het inmiddels bijna 70-jarige conflict tussen Israël en de Palestijnen. Suurland veegt dat als volgt van tafel:

Dit excuus van morele verontwaardiging is volstrekt ongeloofwaardig. Waar waren zij toen andere moslims onrecht werd aangedaan? De moordpartijen van Saddam Hoessein of al-Qaeda in Irak, de 170.000 doden en miljoenen vluchtelingen in Syrië; de Arabische afslachting van 200.000 zwarte moslims in Darfur hebben niet één noemenswaardige demonstratie op het Spuiplein weten te veroorzaken. Honderd (sic!) dode Palestijnen daarentegen zijn een met de Holocaust te vergelijken ‘genocide’ die het rechtvaardigheidsgevoel van de islamitische ziel tot op het bot weet te krenken. Althans, zo wil men doen geloven.

Nog afgezien van de grote inhoudelijke verschillen tussen Saddam, al-Qaida, Darfur, de Syrische burgeroorlog en het Palestijnse conflict: het argument dat islamitische jodenhaat vooral wordt gevoed door het conflict tussen Israël en de Palestijnen, is gebaseerd op het idee dat moslims dit menen. Of de visie die moslims op dit conflict hebben ook geloofwaardig is, of feitelijk correct, of gebaseerd op (de juiste) argumenten is niet relevant.

Met dit argument kun je willekeurig welke discussie platleggen: als je je over het ene onrecht druk maakt moet je je ook over het andere opwinden. De vraag of moslims hun principes consequent toepassen, doet echter niet ter zake. Ze zijn net zomin als andere mensen verplicht om in alle gevallen, altijd en overal consequent te zijn alvorens gehoord te mogen worden. Dat kan ook helemaal niet; ook Suurland zelf voldoet niet aan dat criterium. Zijn constatering is bovendien gewoon niet waar. Er is door moslims – ook in Nederland – wel degelijk actie gevoerd tegen geweld dat gericht was tegen andere moslims, waaronder geweld door moslims.

De cijfers die hij aandraagt, spreken Suurlands these ook tegen. Uit onderzoek blijkt dat in Europese landen zo’n 40% van de moslims er ideeën op na houdt die – aldus Suurland – antisemitisch zijn: 39% in Zweden, 40% in Nederland en in de rest van Europa ‘ruim 40%’. In Israël levende moslims scoren iets hoger: 46%. Die percentages mogen schokkend zijn, ze vallen in het niet bij cijfers uit Turkije, Pakistan en Indonesië: 73% en nergens blijken de cijfers hoger dan in Egypte, Jordanië en Libanon: 95%.

De gevoelens jegens joden zijn het negatiefst in Israels buurlanden, die waarmee het oorlog gevoerd heeft. In andere moslimlanden liggen de cijfers minder ongunstig en waar moslims de grootste kans lopen persoonlijk kennis te maken met joden en jodendom betreft het een minderheid, zij het nog steeds een forse. Ik weet niet of deze nogal voor de hand liggende verklaring ook klopt, maar het is frappant dat Suurland hem niet eens ziet.

Suurlands enige andere argument luidt: wanneer moslims het woord ‘zionisten’ gebruiken, passen ze een semantische truc toe. Ze bedoelen gewoon joden want hun ideeën over zionisten komen overeen met de ideeën die andere antisemieten over joden hebben. Dat klopt niet: zionisten wordt door moslims niet verweten dat ze hun eigen profeten hebben gedood, want zionisten hebben helemaal geen profeten, joden wel. Zo verwijten moslims zionisten ook niet dat ze hun eigen heilige schrift verdraaid hebben, want ook die hebben ze niet. Beide verwijten zijn bovendien uniek voor moslims, je zult ze niet aantreffen bij andere antisemieten.

Er zijn hele goede redenen om de drie groepen: joden, Israeli’s en zionisten uit elkaar te houden ook al overlappen ze behoorlijk. Verwijten die moslims die drie groepen maken, vertonen diezelfde overlap, maar dat wil nog niet zeggen dat er geen onderscheid wordt gemaakt. Bovendien, zelfs al zou ‘zionist’ als dekmantel worden gebruikt voor ‘jood’, toont dat nog helemaal niet aan dat jodenhaat voortkomt uit de islam.

Tot zover betoog ik dat Suurlands verhaal niet, tot bedroevend slecht is beargumenteerd. In een volgende bijdrage zal ik aangeven waarom ik vind dat Suurlands stuk ook gevaarlijk is.

Geplaatst in Religie, Samenleving | Tags: , , | 1 reactie

Antisemitisme

HebronGraffitiOoit was er een tijd dat Joden en Christenen elkaar op voet van gelijkheid afslachtten en de wederzijdse haat die dat tot gevolg had, is tot op de dag van vandaag terug te vinden, vooral in oude teksten en helaas te vaak in nog steeds gehuldigde opvattingen over de ander. Door een historisch toeval zijn uiteindelijk de christenen in de meerderheid geraakt en vanaf dat moment waren de joden het slachtoffer en de christenen de daders. De verdere geschiedenis mag bekend worden verondersteld, met als voorlopig dieptepunt de Endlösung, die weliswaar net zoveel met christendom te maken had als een vis met fietsen, maar toch op onnavolgbare wijze zijn oorsprong moet zoeken in de christenheid.

De eeuwenlang heersende ideeën die uiteindelijk de Endlösung mogelijk maakten, hebben een benaming gekregen: antisemitisme, en het is dankzij die Endlösung dat het woord antisemitisme een emotionele lading heeft gekregen die in geen enkele andere aanduiding die voor vergelijkbare ideeën zou kunnen worden gebruikt, terug te vinden is. Op de een of andere manier lijkt antisemitisme altijd erger dan alle andere vormen van racisme en de Endlösung wordt door velen gezien als een uniek fenomeen terwijl genocide iets is van alle tijden en plaatsen.

In de achttiende en negentiende eeuw waren er salonfähige scribenten die in volle ernst meenden dat joden nooit volledig onderdeel van de burgerlijke samenleving zouden kunnen worden. Ze waren immers aanhangers van de joodse religie, terwijl je als volwaardig lid van die burgerlijke samenleving eerst en vooral de Verlichting moest hebben omarmd. Medio twintigste eeuw verwoordde het regime van dienst in Duitsland in een propagandafilm het idee dat de joodse religie geen werkelijke religie was maar een politieke ideologie met rabbi’s als politische Erzieher. In ons eigen land komt het nog steeds voor dat demonstranten leuzen roepen als ‘Hamas, Hamas, alle joden aan het gas’.

Dat noemen we allemaal antisemitisme en terecht. We zien het – ook als we niet religieus zijn – als een ultieme vorm van kwaad. Toch schokt het ons minder wanneer hooggeleerde scribenten in de media de mening ventileren dat moslims eerst de Verlichting zullen moeten omarmen alvorens we ze als medeburgers serieus kunnen nemen. Evenmin ontstaat er beroering van noemenswaardige omvang wanneer een lid van de Tweede Kamer meent dat de islam niet gelijk hoeft te worden behandeld, omdat het geen religie is, maar een politieke ideologie. En over leuzen op de muur die oproepen alle Arabieren te vergassen, maakt slechts een enkeling zich druk.

De meeste moslims zijn geen joden, de meeste Arabieren ook niet. Maar het arsenaal aan verwijten dat op hen wordt gericht, verschilt in niets van wat we antisemitisme zouden noemen wanneer joden het lijdend voorwerp zouden zijn. We kunnen dat niet benoemen met een woord dat dezelfde emotionele lading heeft als het woord ‘antisemitisme’ en dat is wel wenselijk. Want naast de opvatting dat antisemitisme erger is dan alles omdat het zijn unieke dieptepunt vond in bijna zes miljoen vermoorde joden, bestaat de opvatting die niet zozeer het resultaat als maatstaf neemt, maar de ideeën en processen die ertoe hebben geleid.

Primo Levi gaf ooit op de vraag of de Endlösung nog eens kon gebeuren het nuchtere antwoord: ‘Het is al een keer gebeurd en dus kan het nog een keer gebeuren.’ Het voorvallen van de Endlösung toont met andere woorden aan dat de ideeën en processen die in principe deze genocide denkbaar maken, deze ook daadwerkelijk kunnen veroorzaken. Bezien vanuit dat perspectief is het belangrijk om dezelfde ideeën en processen te kunnen benoemen met begrippen die eenzelfde emotionele lading hebben. Die processen en ideeën hebben echter niet uitsluitend betrekking op joden: ze zijn niet uniek en dat zorgt ervoor dat we – wanneer we dáárover willen spreken –we ons van minder slagkrachtige taal moeten bedienen als de slachtoffers niet joods zijn.

In zekere zin beroven we zo diegenen die ideeën en processen willen signaleren die zowel een rol spelen in het antisemitisme als in andere vormen van racisme, van (de effectiviteit van) hun taal. Ze moeten het uit de trits logos, ethos, pathos, met een gebrek aan pathos doen. Daar zijn twee oplossingen voor. We kunnen het woord antisemitisme afschaffen en vervangen door racisme, of we passen het begrip antisemitisme voortaan ook toe wanneer het geen joden betreft, maar wel dezelfde trucs. Geen van beide oplossingen is erg elegant en tegen beiden bestaan in ieder geval van één kant onoverkomelijke bezwaren.

Geplaatst in Samenleving | Tags: , | 2 reacties

Niets menselijks

SderotCinema01‘Jij weet niet wat een oorlog is.’ zei mijn moeder afgelopen weekeinde tegen me. Ik sprak met haar over de Tweede Wereldoorlog, die ze als kleuter heeft meegemaakt in Maastricht. Eén van de verhalen die ik me van haar kon herinneren, ging over het bombardement van de geallieerden op Keulen (30 mei 1942) waarbij de inwoners van Maastricht de grond onder hun voeten konden voelen trillen.

Mijn moeder was toen twee. Ik vermoed dat ze het bombardement op Aken bedoelde op 11 april 1944. Aken is dichterbij en mijn moeder had toen de leeftijd om zich er nog iets van te herinneren. Heel belangrijk is die kwestie echter niet. Maastrichtenaren voelden de grond onder hun voeten trillen en ik had mijn moeder gevraagd hoe daar op gereageerd werd.

‘Hoopvol,’ was het eerste woord dat ze als antwoord gaf, ‘mensen kregen voor het eerst het gevoel dat de geallieerden er echt aan kwamen, dat de bevrijding niet ver meer was.’
Ik vroeg haar of er ook mensen waren die beseften dat dat getril onder hun voeten betekende dat ergens anders burgers zoals zij door een hel gingen en of ze daar medelijden mee konden hebben. ‘Daar was helemaal geen ruimte voor.’ antwoordde zij.

Daarop volgden de verhalen over onmenselijkheid die ik vaker gehoord heb. Over de huisarts die een zender had om daarmee met de geallieerden te communiceren en die door zijn eigen vrouw verraden werd. Over de NSB-er in de straat. Over dat je in een oorlog niemand meer kunt vertrouwen. Over de man die Joden verborgen hield en bij een razzia standrechtelijk werd gefusilleerd. Over de buurtbewoners die prompt een zoekactie in de stad opzetten om zijn winkelende vrouw en kinderen te vinden, daarin slaagden en ze veilig in Zeeland  op een onderduikadres wisten onder te brengen. Dat laatste verhaal speelde weliswaar in het Eindhoven van mijn vader, maar het illustreert wel het leed en de angst waaronder de bevolking tijdens de bezetting leefde.

‘Jij weet niet wat een oorlog is.’ zei ze tot besluit en daar had ze gelijk in. Hoe kon ik verwachten dat zij die leden onder de bezetting, meeleefden met hen die bommen op hun dak kregen? Zoiets was menselijkerwijs teveel gevraagd.
Ik vroeg haar wanneer de voorheen bezette bevolking dan wel voor het eerst tekenen begon te vertonen van medeleven met de gewone Duitsers. Dat kon ze zich nog goed herinneren: in de loop van de jaren vijftig. Zo’n tien jaar duurde het voordat de bevolking hun leed in een perspectief kon zien dat ook buiten de grenzen van dat leed keek en Duitsers weer kon zien als medemensen.

Afgelopen week postte de Deense journalist Allan Sørensen op twitter de foto die bij deze blogpost staat. Het lijken feestende mensen en in zekere zin is dat ook zo. Volgens de toelichting van Sørensen zijn het inwoners van het Israëlische plaatsje Sderot die met zijn allen op een heuvel zijn gaan zitten om over de Gazastrook uit te kijken terwijl het Israëlische leger er bombardementen uitvoert. Bij ontploffingen wordt er gejuicht.

De reacties op twitter zijn voornamelijk gericht tegen deze inwoners: ‘disgusting’, ‘morality of a people so skewed that murder is a public spectacle’, ‘What’s become of the human race?’, ‘This is the most gruesome image I’ve seen the last few days’, ‘hoe mensen elkaar zo kunnen haten. Kan er wel om janken’. Elders wordt meer begrip opgebracht voor de inwoners van Sderot, dat vrijwel permanent onder raketvuur vanuit de Gazastrook ligt, met alle gevolgen van dien voor de inwoners en vooral de kinderen die er wonen.

Er vallen aan Israëlische kant opvallend weinig doden, zeker in vergelijking met de aantallen in de Gazastrook, maar zoals het spreekwoord zegt: alle leed heeft aan zichzelf genoeg. Het is bepaald geen feest om op sommige dagen elke vijftien minuten naar de schuilkelder te moeten rennen en het vreet aan je als je elke dag je kinderen in angst ziet leven en aan hen tegen beter weten in moet uitleggen dat het uiteindelijk goed zal komen. Is het menselijkerwijs veel gevraagd van de inwoners van Sderot om hun leed in een perspectief te zien dat ook buiten de grenzen van dat leed kijkt?

In de film Lawrence of Arabia komt een scene voor die ongeveer in dezelfde regio speelt, tijdens de Eerste Wereldoorlog als de Britten en Arabieren samen tegen de Turken vechten. Langs de kust rukken de Britten op naar het noorden terwijl Lawrence met de Arabieren op de rechterflank verder landinwaarts hetzelfde doen. De toeschouwer is dan in de film al enkele malen getuige geweest van Turkse oorlogsmisdaden tegen de Arabieren. Aan het begin van de opmars kijken Lawrence en zijn bondgenoot Ali Sherif naar de westelijke horizon waar op dat moment de donder en lichtflitsen van de zware Britse artilleriebeschietingen duidelijk waar te nemen zijn.

‘God help them.’ verzucht Ali Sherif, waarop Lawrence met nauwelijks verholen afgrijzen antwoordt: ‘But they are Turks!’
Ali Sherif kijkt daarop Lawrence strak aan en herhaalt: ‘God help them.’

Sherif – gespeeld door Omar Sharif – is als personage niet helemaal historisch, maar een amalgaam, losjes gebaseerd op de vele Arabische bondgenoten van Lawrence. Ik vrees dat de vorm van menselijkheid die Ali Sherif in de film laat zien dan ook fictie is en dat ons de schrale troost rest dat deze fictie tenminste denkbaar is.

Geplaatst in Geschiedenis, Samenleving | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Namen

post-atheist1-324x193Het tweede boek van de bijbel heet Exodus, naar zijn Griekse titel, die ‘Uittocht’ betekent. Het bevat het verhaal van de uittocht van de Hebreeën uit Egypte onder Mozes. In het Hebreeuws heet het echter sjemot ‘namen’, en dat is een goeie grap. In de eerste twee hoofdstukken van het boek zijn namelijk alle personages naamloos, een korte stamboom in de eerste zeven verzen daargelaten.

Het begint met de farao van Egypte, een man wiens naam nooit wordt genoemd. Om de ongewenste groei en dus macht van de Hebreeën te remmen, dwingt hij ze tot zware dwangarbeid. Hij beveelt bovendien de vroedvrouwen van de Hebreeën alle jongetjes te doden. Moord gaat de twee vrouwen echter te ver en als ze bij Farao ter verantwoording worden geroepen kletsen ze zich er met een smoes uit. Sifra en Poea, zoals de vrouwen worden genoemd, hebben geen echte namen, maar eerder een aanduiding van hun karakter: Sifra betekent ‘schittering’ en Poea ‘ glans’.

Farao beveelt dan dat alle pasgeboren Hebreeuwse jongetjes in de Nijl gegooid moeten worden. Dan lijkt het minder op moord. Dan huwt ‘een man’ uit de stam Levi ‘een vrouw’. De bijbel stikt werkelijk van de passages van het type: ‘een man huwde een vrouw, hij ging tot haar in, zij werd zwanger en baarde hem een zoon en hij noemde hem…’. In dit verhaal wordt een jongetje geboren, maar de naamgeving ontbreekt, in plaats daarvan wordt het joch drie maanden verborgen en dan – conform rijksbeleid – in de Nijl geworpen.

Farao heeft niet verboden om dat in een mandje te doen, noch dat mandje met bitumen waterdicht te maken en van die mazen in de wet maakt de moeder gebruik. Het joch drijft in zijn mandje richting de badplaats van de dochter van Farao, die ook niet met een naam wordt aangeduid, terwijl ‘het zusje’ van het jongetje vanaf de kant een oogje in het zeil houdt. Dat leidt tot één van de grappigste scenes in de hele bijbel: de prinses wil het jongetje redden, maar heeft daarvoor een min nodig. Dan suggereert het zusje een vrouw te vinden, wat natuurlijk lukt, waardoor het jongetje kan opgroeien bij zijn eigen familie, die daarvoor door het koninklijk hof nog betaald wordt ook.

Als hij is opgegroeid, moet hij terug naar het hof en daar lijkt hij pas een naam te krijgen: Mozes, ‘want ik heb hem uit het water gehaald’, aldus de prinses. De naam Mozes wordt hier afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord masjah, ‘uittrekken’. Maar een Egyptische prinses spreekt natuurlijk geen Hebreeuws en bovendien is ‘Mozes’ hartstikke Egyptisch. Het betekent ‘zoon van’ en is een standaard onderdeel van Egyptische namen: Toetmozes, zoon van Toth, de god met de ibiskop, of Ramozes (Ramses), de zoon van de zonnegod bijvoorbeeld. Mozes heet alleen maar Mozes en de vraag is waar hij dan precies de zoon van is.

Dat blijkt uit de moord in het vervolg van het verhaal. Mozes – inmiddels volwassen – kiest in een vechtpartij tussen een Egyptenaar en een Hebreeër partij en doodt de Egyptenaar. Maar als hij later tussenbeide wil komen tussen twee vechtende Hebreeërs, poeieren die hem af: wie denkt hij wel dat hij is? Bovendien blijkt de moord op de Egyptenaar bekend en is Mozes genoodzaakt te vluchten. Mozes is de zoon van niemand.

Hij komt terecht in Midjan – ergens in noordwest Arabië. Wanneer hij bij een waterput zit, treft hij de zeven nameloze dochters van de lokale priester bij het drenken van hun vee. Andere herders jagen hen weg en Mozes grijpt in ten gunste van de dames die, nogal atypisch voor het Midden Oosten, verzuimen hun redder uit te nodigen. Eenmaal thuis worden ze door hun vader teruggestuurd om Mozes alsnog te halen. Die vader is de eerste in het verhaal die een naam heeft: Reüel – overal elders in de bijbel heet hij Yethro. Reüel laat er geen gras over groeien: hij huwelijkt zijn dochter Sippora aan Mozes uit, die zo een thuis vindt: tussen wat ze in Egypte barbaarse bedoeïenen noemden.

Mozes redt zo ook de familie van Reüel, want met zeven dochters handhaaf je je claims op grasland, vee en waterputten niet, zoals wel bleek uit het verhaal van de vreemde herders. Het is Mozes’ eerste bevrijdingsklus. Aan de volgende moest wat meer overtuigingskracht worden besteed.

Tot aan Reüel spelen uitsluitend naamlozen een rol in het verhaal van Mozes: één man die hem naar het leven staat en dertien vrouwen: twee vroedvrouwen, Mozes’ moeder en zus, de dochter van farao en haar slavin en de zeven dochters van Reüel. De schrijver die Exodus begon met de woorden ‘Dit zijn de namen…’ moet dat geweten hebben.

Afgelopen maandag verschenen op Sargasso.

Geplaatst in Bijbel | Tags: , , | 4 reacties

Borreltafelfeitjes

post-atheist1-324x193De meeste mensen die in de woestijn omkomen, sterven de verdrinkingsdood. Wie in, of in de buurt van een woestijn woont, weet dat, maar voor de gemiddelde westerse toerist is het een opmerkelijk borreltafelfeitje. Dat borreltafelfeitje speelt een rol in de correcte vertaling van het vierde vers van Psalm 124: was de HEER niet voor ons geweest, toen de mensen zich tegen ons keerden, zo heet het in vers 2 volgens de Nieuwe Bijbelvertaling,

Dan had het water ons meegesleurd,
de stroom ons overspoeld.

Die stroom wordt nogal divers vertaald: een stroom (Staten), een stroom dien niemand tegenhield (psalmberijming 1773), een vloed (Leidse), een stortvloed (Canisius), een wilde beek (NBG ’51), de baaierd (psalmberijming 1967), de kolkende stroom (Ida Gerhardt), de bergstroom (Willibrord), de golven (Groot Nieuws), die vloed (Nuwe Vertaling) in floed (Nije Fryske), de stroom (NBV), een bergbeek (Naardense), een woeste stroom (Herziene Staten).

Het Nederlands heeft voor het woord dat hier in het Hebreeuws staat, geen begrip beschikbaar. Er staat נַחַל nachal, en dat woord duidt een zogenaamde wadi aan, een droog dal in een aride landschap dat zich uitsluitend met water vult wanneer dat beschikbaar is, dan wel de waterstroom die de wadi plotsklaps kan vullen.

In tegenstelling tot een wijdverbreid misverstand, regent het in de woestijn wel degelijk. Zelden, dat wel, maar als het regent, kan het ook hard regenen. Waar de grond geen water opneemt, zal het regenwater, ongehinderd door vegetatie en andere obstakels, over het oppervlak een weg naar het laagste punt zoeken.

Bij hoogteverschillen in het landschap gebeurt dat via ingesleten dalen waarin al het regenwater uit het omringende gebied zich verzamelt en die concentratie van water leidt tot iets waar alleen het Engels een mooi woord voor heeft: flash floods. Dat is waar de meeste mensen in een woestijn in omkomen. Onvoorzichtige kampeerders die hun tentje opslaan op de bodem van een wadi en weggevaagd worden door een front van dode struiken en dieren, stenen en afval, voortgeduwd door een muur van water.

U wéét nu wat het woord nachal betekent, maar daarmee heeft u de gevoelswaarde van het woord, het beeld dat het bij de luisteraar moest oproepen, nog niet te pakken, net zomin als een woestijnbewoner ooit echt zal kunnen navoelen wat een dijkdoorbraak is, terwijl hem dat wel heel goed kan worden uitgelegd.

In het bovenstaande vers zijn er enkele vertalingen die heel aardig in de buurt komen van wat de oorspronkelijke schrijver heeft bedoeld. Mijn favoriet is de ‘stortvloed’ van de Canisiusvertaling terwijl de ‘bergbeek’ uit de Naardense vertaling een misser is: veel te klein en liefelijk. Psalm 124:4 is geen halszaak en zal het best wel redden als een niet-woestijnbewoner het leest. Deze blogpost gaat dan ook niet om het juist vertalen van nachal, hoe aardig dat borreltafelfeitje verder ook moge zijn.

Nachal is slechts een piepklein voorbeeldje van iets dat veel groter is. De bijbel – en de koran, en trouwens elk heilig geschrift van enige ouderdom – staan vol met nachalletjes: woorden die daar niet alleen staan omwille van hun betekenis, maar ook omdat ze een bepaalde bijbetekenis of gevoelswaarde hebben of omdat ze bij de luisteraar een bepaald beeld oproepen. Of alle drie. En het blijft niet beperkt tot losse woorden: ook woordcombinaties, uitdrukkingen, zinnen, bepaalde thema’s en zelfs hele verhalen kunnen binnen een gegeven cultuur bijbetekenissen of gevoelswaarden hebben of beelden oproepen die een lezer uit een andere cultuur niet herkent.

Hoe groter de afstand tussen de broncultuur en de doelcultuur, hoe lastiger het begrijpen van de tekst wordt. Hele volksstammen lopen tegenwoordig rond met borreltafelfeitjes over wat er in koran of bijbel staat die kant noch wal raken. Zeker sinds geletterdheid geen voorrecht meer is van een kleine groep specialisten, is het eenvoudigweg openslaan van een heilige tekst en ‘lezen wat er staat’ een mogelijkheid geworden waar helaas veelvuldig en enthousiast gebruik van gemaakt wordt. Maar ‘lezen wat er staat’ is, zonder je te verdiepen in de taal en cultuur die de tekst heeft voortgebracht, is een zinloze bezigheid.

Dat seculieren dat aan de lopende band doen is logisch, voorstelbaar en vergeeflijk, want ze lopen daarin aan de hand van gelovigen die met hun ‘lezen wat er staat’-methoden niet alleen een eenvoudig te volgen – en dus makkelijk te begrijpen – verhaal bieden, maar er soms ook in slagen nogal nadrukkelijk aanwezig te zijn.

Dat ook gelovigen zich er schuldig aan maken is – in alle betekenissen van dat woord – zonde, want helaas blijft het niet bij borreltafelfeitjes…

Afgelopen maandag verschenen op Sargasso, waar één van de reageerders een uiterst leerzaam filmpje op youtube postte.

Geplaatst in Bijbel, Religie, Taal | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Sic transit

Foto0403Honderdduizend per jaar waren het er geloof ik: het bezoekersaantal waarmee archeologisch themapark Archeon bij de start van zijn bestaan rekende. Dat betekende dat er over de door mij ontworpen brug – tussen het hoofdgebouw en het Romeinse deel van Archeon – zo’n tweehonderdduizend voeten per jaar zouden lopen.

Ik was net afgestudeerd als archeoloog op een onmogelijk onderwerp: Structureel Houtwerk in de Romeinse Bruggenbouw; lees: brugfunderingen. In tegenstelling tot wat ik had verwacht, was daar verschrikkelijk veel over bekend en studeerde ik veel later af dan toch al gepland. Archeologie was destijds ‘een opleiding voor de bijstand’, zo ging de grap. In mijn geval verdiende ik het leeuwendeel van mijn bijstand met een half baantje bij de gemeente Diemen als klachtenafhandelaar (overigens één van de meest leerzame banen die ik ooit gehad heb).

Tijdens mijn periode als klachtenafhandelaar solliciteerde ik me een slag in de rondte, waaronder bij Archeon. Ik werd er zowaar op gesprek uitgenodigd, waar me direct aan het begin al werd verteld dat ze me geen baan konden aanbieden, maar of ik eens naar het ontwerp wilde kijken van van hun ‘Romeinse brug’, uiteraard onbezoldigd. Omdat ik zo aan het begin van mijn loopbaan wel wat bijzonders op mijn CV kon gebruiken, wilde ik dat wel. Sterker nog: ik nam me voor om in plaats van commentaar een geheel eigen ontwerp te maken, maar vertelde dat natuurlijk niet.

In de late avonduren verrees op een tekentafel van de afdeling Beheer en Openbare Werken van de gemeente Diemen een brug met één pijler en twee landhoofden – het te overbruggen watertje was helaas niet breed genoeg voor meer – gebaseerd op de bouwtechniek van de nu nog bestaande Romeinse brug in het Duitse Trier met de maatvoering van een veel kleiner – in de jaren zestig in Luxemburg weggebaggerd – Romeins bruggetje. Enkele ingenieurs van de afdeling Civiele Techniek hielpen me met de sterkteberekeningen voor de dikte van de brugleggers, het ontwerpen van passende houtverbindingen en de regels voor de toegankelijkheid voor rolstoelen voor de hellingbanen ter weerszijden van de brug.

‘Mijn’ brug werd gebouwd en bij de opening van Archeon marcheerde een detachement Romeinse soldaten over het brugdek, dat het hield, en daarna volgden de bezoekers. Dat waren er bij lange na niet genoeg. Enkele jaren later was Archeon gedwongen om een doorstart te maken. Een groot deel van de grond werd verkocht, het hoofdgebouw verdween en het watertje waaroverheen ‘mijn’ brug lag, werd de achtergrens van het nieuwe Archeon, dat het tot op de huidige dag heeft gered en ook in zijn wat afgeslankte vorm beslist de moeite van het bezoeken waard is.

U kunt er rondlopen in het Nederland uit diverse perioden van de geschiedenis: hutten van jagers- verzamelaars uit de Midden Steentijd, de boerderijen van de eerste landbouwers uit de Nieuwe Steentijd, een hunnebed, boerderijen uit de Bronstijd en IJzertijd, gebouwen uit een Romeinse stad (een herberg, een badhuis, een theater) en een Middeleeuws dorp. ‘Archeotolken’ in bijpassend kostuum hebben verhalen te over, kinderen kunnen zelf een Romeinse mantelspeld maken en griezelen bij een gladiatorenshow. Er zijn regelmatig speciale weekeinden, waarvan de Vikingenweek eind augustus, begin september mijn favoriet is. Ook die van mijn vrouw trouwens, want tot nu toe ging ze daar nog ieder jaar weg met een paar oorbellen, een hanger of een armband. Of alle drie.

Maar voor een Romeinse brug moet u het park uit. Het hek van Archeon loopt tussen het park en de brug, die er nog steeds staat, maar half is afgebroken om te voorkomen dat onverlaten stiekem het park binnenkomen. ‘Mijn’ brug vormt nu het einde van een 1150 meter lange zichtlijn door de nieuwbouwwijk ‘Kerk en Zanen’ in Alphen aan den Rijn. Achtenveertig huishoudens aan de Triviumlaan en de Quadriviumlaan aldaar kijken nu ‘s ochtends bij het ontbijt uit op de overgroeide dwarsdoorsnede van wat eens een functionele ‘Romeinse’ brug was.

Er lopen geen bezoekers meer over ‘mijn’ brug, maar het blijft een prettig idee dat een aantal huishoudens elke ochtend uitkijkt op iets wat jijzelf hebt ontworpen en het idee – je weet het natuurlijk nooit met nieuwbouwwijken en herinrichtingsplannen – dat je bouwwerkje je nog wel eens zou kunnen overleven ook.

Geplaatst in Erfgoed, Mijzelf | Tags: , , | 2 reacties

Was Mohammed pedofiel?

Vanaf het moment dat Ayaan Hirsi Ali in 2003 de knuppel in het hoenderhok gooide in een interview in dagblad Trouw, zie je het verwijt regelmatig terugkomen in wat nogal eufemistisch ‘het multiculturele debat’ wordt genoemd: de profeet Mohammed zou zijn – nota bene gearrangeerde – huwelijk met zijn lievelingsvrouw Aisha ‘geconsumeerd’ hebben toen zij negen was. Naar huidige maatstaven is daarmee sprake van een pedofiel.

Die op zichzelf weinig belangwekkende historische constatering dient natuurlijk een hoger doel: wie kinderen misbruikt, kan onmogelijk een lijntje hebben met een rechtvaardig Opperwezen en was dus geen profeet, of dat Opperwezen deugt van geen kanten en is onze aandacht op geen enkele wijze waard. Either way: exit islam.

We weten dat Aisha negen was toen zij door haar middelbare man werd ontmaagd, omdat dat verteld wordt in de traditionele islamitische verzamelingen van anekdotes over het leven van de profeet. Het verhaal heet terug te gaan op Aisha zelf en is in de – vele en omvangrijke – verzamelingen in verscheidene versies opgetekend en ook overgeleverd via verschillende routes van vertellers. Die ‘keten van overleveraars’ is een belangrijk onderdeel van dergelijke anekdotes, omdat islamitische geleerden aan de hand hiervan bepalen hoe betrouwbaar de overlevering is. En hoe meer solide ketens, hoe waarschijnlijker het verhaal.

Het zijn die vele en omvangrijke verzamelingen van anekdotes die gezorgd hebben voor de uitdrukking dat Mohammed geleefd heeft ‘in het volle licht van de geschiedenis’, dit in tegenstelling tot de meeste andere stichters van godsdiensten. De verzamelingen gelden in de islam als gezaghebbend in de rechtsvinding, de dogmatiek en de islamitische geschiedschrijving. Wat in deze verhalen is opgetekend, geldt als geopenbaard geloofsgoed. In sommige kringen is het enige verschil met de koran het gegeven dat de koran wordt gereciteerd, en de anekdotes niet. Als moslim kun je dus moeilijk om zo’n goed gedocumenteerd verhaal heen.

Toch is dat precies wat er de laatste tijd steeds vaker gebeurt: gelovige moslims die twijfelen aan de feitelijke correctheid van sommige gegevens uit die vele anekdotes over Aisha’s leeftijd bij haar huwelijk. In de jaren negentig publiceerde een Pakistaanse moslim al een werkje waarin de nodige twijfel werd gezaaid en de onlangs voor de televisieserie Seks en de Zonde van Femke Halsema en Hasnae Bouazza geïnterviewde Syrische moslimgeestelijke Rufaida Al Habash (aflevering drie) wijdde er enkele woorden aan.

De argumentatie is uitgebreid en ingewikkeld, maar het principe is heel eenvoudig. Wie in de traditionele verzamelingen van anekdotes op zoek gaat naar een antwoord op de vraag ‘hoe oud was Aisha toen zij met de profeet trouwde?’ en daarvoor anekdotes gebruikt die ook over dat onderwerp gaan, vindt slechts één antwoord: zes toen ze trouwde en negen bij het ‘consumeren’.

Wie echter chronologische informatie, relevant voor het vaststellen haar huwelijksleeftijd, probeert te destilleren uit anekdotes die gaan over andere onderwerpen, komt op totaal andere antwoorden. Eén voorbeeld: de slag bij Badr vond plaats in 624 en niemand jonger dan 15 jaar mocht mee. Aisha was mee. Haar huwelijk zou in 622 plaatsgevonden hebben. Eenvoudig rekenwerk volgens Bartels levert dan een minimumleeftijd van dertien op. Da’s nog steeds jong, maar geen negen.

Zo zijn er veel meer rare discrepanties tussen verschillende anekdotes te vinden en dan blijkt zo’n beetje elke leeftijd tussen de negen en de éénentwintig op basis van ‘de feiten’ verdedigbaar te zijn. Het antwoord op de vraag waarmee ik begon, kan dan ook alleen maar zijn: dat weten we niet en dat kunnen we ook niet weten, en daarmee is alles gezegd wat er over gezegd kan worden. Wie meer beweert, weet niet waar hij over spreekt.

Wie geinteresseerd is in de details van alle argumenten en mogelijke verklaringen voor de verschillen in het bronnenmateriaal, verwijs ik naar het weblog van arabist Wim Raven die hier veel uitgebreider en vollediger over heeft geschreven.

Geplaatst in Religie, Samenleving, Wetenschap | Tags: , , , , , , | 6 reacties