Autorijden

BlikOpDeWeg01Eén van de meest wijze lessen die mijn moeder me ooit geleerd heeft, is de volgende:

Je moet op zo’n manier autorijden dat wanneer een ander een fout maakt, jíj die fout op kunt vangen.

Op de snelweg – en trouwens ook weg van de snelweg – is dat een bijzonder wijze les. Doe je namelijk niet wat mijn moeder zegt, dan is het slechts een kwestie van tijd totdat er een ongeluk gebeurt en er doden vallen. Als het om autorijden gaat, heeft iedereen – nou ja, bijna iedereen – dat in de gaten. Dus leren we zo autorijden en rijden we – in meerderheid – ook zo auto.

Maar mijn moeder had het helemaal niet over autorijden, zij had het over Het Leven Zelf en dan is het iets minder vanzelfsprekend dat het een wijze les is. Ik zie althans in Het Leven Zelf vaak genoeg mensen roepen dat wie een ongeluk treft, dat geheel aan zichzelf te wijten heeft, of dan maar deze of gene maatregel had moeten treffen om de gevolgen te voorkomen, en uit die bevinding prompt de conclusie trekken dat het zij er niet verantwoordelijk voor zijn.

Die mensen hebben allemaal heel erg gelijk, dat maakt het ook zo lastig om ze het alternatieve perspectief te laten zien. Net als bij autorijden vallen ook in Het Leven Zelf doden. Dat kan soms voorkomen worden door geen fouten te maken natuurlijk, maar soms ook als anderen de moeite willen nemen de fouten die wel worden gemaakt op te vangen. Elk leven is er immers één.

Met dank aan Renate Dorrestijn voor de uitvinding van de term Het Leven Zelf, en aan mijn moeder natuurlijk.

Geplaatst in Samenleving | Tags: , | Een reactie plaatsen

Jodenhaat en islam (2)

MuslimDemo02In mijn vorige stukje betoogde ik dat het opiniestuk van David Suurland in de NRC van zaterdag 19 juli niet tot bedroevend slecht is beargumenteerd. Hij probeerde aan te tonen dat jodenhaat onder moslims voortkomt uit de islam en niets te maken heeft met het conflict tussen Israel en de Palestijnen. Op zichzelf is een ondeugdelijke argumentatie nauwelijks reden om erop te reageren. In deze blogpost wil ik laten zien dat Suurlands stuk die reactie wel waard is: omdat het gevaarlijk is.

Suurland betoogde in zijn opiniestuk dat moslims die zich opwinden over de behandeling van Palestijnen door Israel, niet geloofwaardig zijn omdat ze zich helemaal niet druk maken over de minstens even erge behandeling die ‘andere moslims’ (hij negeert de niet geringe minderheid christelijke Palestijnen) elders op de wereld ten deel valt, soms zelfs door geloofsgenoten. Ik vond dat niet relevant. Alleen het antwoord op de vraag of protesterende moslims menen wat ze zeggen is in dit verband relevant, niet of hun standpunten consequent worden toegepast of geloofwaardig zijn.

Op een ander aspect ging ik niet in: de bewering dat de standpunten van de tegenstander niet geloofwaardig zijn, omdat ze niet voldoen aan de eigen randvoorwaarden voor geloofwaardigheid. Dat biedt de spreker de mogelijkheid om wat zijn tegenstander zegt, zonder meer naast zich neer te leggen. Ik weet niet wat een mens woedender maakt: iemand zijn huis uit gebombardeerd zien worden of niet serieus genomen worden als hij daar wat van wil zeggen.

Volgens Suurland gold de kritiek die moslims hebben op zionisten eigenlijk joden en was het gebruik van het woord ‘zionisten’ slechts een semantische truc om aperte jodenhaat te verhullen. Ook hier is weer sprake van het niet serieus nemen van de tegenstander: wat die zegt, wordt direct aangezien voor een poging tot misleiding. Ik weet niet wat frustrerender is: met argumenten te worden tegengesproken of te horen krijgen dat je de boel alleen maar aan het belazeren bent.

Het verhaal van Suurland past uitstekend in een visie op de geschiedenis van Israel volgens welke joden naar het Heilig Land kwamen om voor zichzelf een veilig thuisland op te bouwen en daarin slaagden ondanks de gewelddadige tegenwerking van de buurlanden, Palestijnen, ‘terroristen’, ‘Arabieren’, ‘moslims’ of hoe je ze verder ook wil benoemen, die hun tegenwerking om allerlei redenen uitoefenden behalve vanwege het gedrag van de staat Israel. Die visie is in zoverre comfortabel dat supporters van Israel zijn rol in het conflict niet eens onder ogen hoeven te zien.

Begrijp mij niet verkeerd: van mij hoeft noch Suurland, noch enige andere supporter van Israel zijn visie op de geschiedenis aan te passen aan welke alternatieve visie dan ook. Maar wie een oplossing in het Midden Oosten niet in de weg wil zitten, zal nolens volens kennis moeten nemen van de visie die zijn tegenstander heeft, zal die niet alleen moeten begrijpen maar er ook begrip voor moeten hebben en zal zich de visie van zijn tegenstander moeten aantrekken, ook wanneer hij het er tot op het bot mee oneens is. Terzijde: het spreekt vanzelf dat dit net zo knalhard geldt voor Israels tegenstanders.

Suurland is dus in zekere zin, om het Engelse spreekwoord aan te halen, not part of the solution en dus part of the problem. Visies zoals die van Suurland kunnen het conflict alleen maar verergeren. Op het papier van het NRC lijkt dat niet uit te maken, maar ondertussen vallen er op de grond echte doden.

Er is nog een reden waarom Suurland met zijn bijdrage niets oplost en een kleine bijdrage levert aan het alleen maar erger maken van de kwestie: wat hij niet zegt.

Ga er eens van uit dat hij gelijk heeft. Dan zal het oplossen van het conflict tussen Israel en de Palestijnen niets verbeteren, ook al is dat – in theorie – een oplosbaar probleem. Dan is de islam een levensovertuiging die jodenhaat als wezenskenmerk in zich draagt. Met die essentialistische benadering zijn moslims op zijn best potentiele jodenhaters en op zijn slechtst massamoordenaars. Dat probleem is ook oplosbaar, maar daarvoor is het nodig om een religie te laten verdwijnen of te veranderen. Iedereen weet dat zoiets heel erg lang duurt. De kortere weg is niet het laten verdwijnen van de religie, maar van zijn aanhangers.

Ik ga er zonder enige twijfel en voetstoots van uit dat Suurland die oplossing beslist niet op het oog heeft, maar dat hoeft ook niet. Betogen als het zijne dragen ertoe bij dat het weer iets denkbaarder wordt.

Geplaatst in Religie, Samenleving | Tags: , , | 2 reacties

Jodenhaat en islam (1)

MuslimDemo01Stomtoevallig stuitte ik in de trein op een achtergebleven opiniebijlage van het NRC van afgelopen zaterdag met daarin een stuk van David Suurland: ‘Jodenhaat hoort bij de islam’. Of die kop van de redacteur is of van Suurland zelf, weet ik niet, maar het is een uitstekende samenvatting: jodenhaat onder moslims is een direct gevolg van de islam. Suurland heeft het over ‘eeuwenlang zorgvuldig gekweekte Jodenhaat’.

Zijn stuk barst van de ondersteunende feiten: aanslagen in Toulouse en Brussel, Facebookpagina’s waar moslims massaal steun aan daders betuigden, Mein Kampf op bestsellerlijsten in het Midden Oosten, middeleeuwse theologische verhandelingen van islamitische geestelijken, de enthousiaste ontvangst van holocaustontkenners in de islamitische wereld, Iraanse steun voor de omstreden Franse cabaretier Dieudonné M’bala M’bala, geschiedenisleraren die moeilijkheden krijgen bij lessen over de holocaust en wetenschappelijke onderzoeken onder moslims met schokkende uitkomsten.

Zoals elk betoog dat een stelling poneert en vervolgens faits diverts opsomt ter ondersteuning, is Suurlands verhaal buitengewoon overtuigend, maar het blijft cherry picking galore. Suurland poneert alleen maar stellingen: over bestsellerlijsten (welke?) over Iraanse steun (hoeveel?), over islamitische theologische tractaten (citaatje?). Niets wordt onderbouwd en nergens lijkt Suurland te beseffen dat zijn weergave wel heel simplistisch is. Dat holocaustontkenners warm werden ontvangen door Mahmoud – de holocaust is een mythe – Ahmadinejad is een feit. Het is óók een feit dat rond diezelfde tijd in Iran de (staats!)televisieserie Madar-e sefr darage werd uitgezonden over een Iraanse diplomaat die tijdens de Tweede Wereldoorlog joden heeft gered. Daarin is de holocaust beslist geen mythe.

Suurland gebruikt in zijn stuk welgeteld twee argumenten, de rest is slechts een variatie op het thema: zo is het want het is zo. Die schaarse argumenten betreffen één nogal voor de hand liggende tegenwerping: de islamitische weerzin tegen joden vloeit voornamelijk voort uit het inmiddels bijna 70-jarige conflict tussen Israël en de Palestijnen. Suurland veegt dat als volgt van tafel:

Dit excuus van morele verontwaardiging is volstrekt ongeloofwaardig. Waar waren zij toen andere moslims onrecht werd aangedaan? De moordpartijen van Saddam Hoessein of al-Qaeda in Irak, de 170.000 doden en miljoenen vluchtelingen in Syrië; de Arabische afslachting van 200.000 zwarte moslims in Darfur hebben niet één noemenswaardige demonstratie op het Spuiplein weten te veroorzaken. Honderd (sic!) dode Palestijnen daarentegen zijn een met de Holocaust te vergelijken ‘genocide’ die het rechtvaardigheidsgevoel van de islamitische ziel tot op het bot weet te krenken. Althans, zo wil men doen geloven.

Nog afgezien van de grote inhoudelijke verschillen tussen Saddam, al-Qaida, Darfur, de Syrische burgeroorlog en het Palestijnse conflict: het argument dat islamitische jodenhaat vooral wordt gevoed door het conflict tussen Israël en de Palestijnen, is gebaseerd op het idee dat moslims dit menen. Of de visie die moslims op dit conflict hebben ook geloofwaardig is, of feitelijk correct, of gebaseerd op (de juiste) argumenten is niet relevant.

Met dit argument kun je willekeurig welke discussie platleggen: als je je over het ene onrecht druk maakt moet je je ook over het andere opwinden. De vraag of moslims hun principes consequent toepassen, doet echter niet ter zake. Ze zijn net zomin als andere mensen verplicht om in alle gevallen, altijd en overal consequent te zijn alvorens gehoord te mogen worden. Dat kan ook helemaal niet; ook Suurland zelf voldoet niet aan dat criterium. Zijn constatering is bovendien gewoon niet waar. Er is door moslims – ook in Nederland – wel degelijk actie gevoerd tegen geweld dat gericht was tegen andere moslims, waaronder geweld door moslims.

De cijfers die hij aandraagt, spreken Suurlands these ook tegen. Uit onderzoek blijkt dat in Europese landen zo’n 40% van de moslims er ideeën op na houdt die – aldus Suurland – antisemitisch zijn: 39% in Zweden, 40% in Nederland en in de rest van Europa ‘ruim 40%’. In Israël levende moslims scoren iets hoger: 46%. Die percentages mogen schokkend zijn, ze vallen in het niet bij cijfers uit Turkije, Pakistan en Indonesië: 73% en nergens blijken de cijfers hoger dan in Egypte, Jordanië en Libanon: 95%.

De gevoelens jegens joden zijn het negatiefst in Israels buurlanden, die waarmee het oorlog gevoerd heeft. In andere moslimlanden liggen de cijfers minder ongunstig en waar moslims de grootste kans lopen persoonlijk kennis te maken met joden en jodendom betreft het een minderheid, zij het nog steeds een forse. Ik weet niet of deze nogal voor de hand liggende verklaring ook klopt, maar het is frappant dat Suurland hem niet eens ziet.

Suurlands enige andere argument luidt: wanneer moslims het woord ‘zionisten’ gebruiken, passen ze een semantische truc toe. Ze bedoelen gewoon joden want hun ideeën over zionisten komen overeen met de ideeën die andere antisemieten over joden hebben. Dat klopt niet: zionisten wordt door moslims niet verweten dat ze hun eigen profeten hebben gedood, want zionisten hebben helemaal geen profeten, joden wel. Zo verwijten moslims zionisten ook niet dat ze hun eigen heilige schrift verdraaid hebben, want ook die hebben ze niet. Beide verwijten zijn bovendien uniek voor moslims, je zult ze niet aantreffen bij andere antisemieten.

Er zijn hele goede redenen om de drie groepen: joden, Israeli’s en zionisten uit elkaar te houden ook al overlappen ze behoorlijk. Verwijten die moslims die drie groepen maken, vertonen diezelfde overlap, maar dat wil nog niet zeggen dat er geen onderscheid wordt gemaakt. Bovendien, zelfs al zou ‘zionist’ als dekmantel worden gebruikt voor ‘jood’, toont dat nog helemaal niet aan dat jodenhaat voortkomt uit de islam.

Tot zover betoog ik dat Suurlands verhaal niet, tot bedroevend slecht is beargumenteerd. In een volgende bijdrage zal ik aangeven waarom ik vind dat Suurlands stuk ook gevaarlijk is.

Geplaatst in Religie, Samenleving | Tags: , , | 2 reacties

Antisemitisme

HebronGraffitiOoit was er een tijd dat Joden en Christenen elkaar op voet van gelijkheid afslachtten en de wederzijdse haat die dat tot gevolg had, is tot op de dag van vandaag terug te vinden, vooral in oude teksten en helaas te vaak in nog steeds gehuldigde opvattingen over de ander. Door een historisch toeval zijn uiteindelijk de christenen in de meerderheid geraakt en vanaf dat moment waren de joden het slachtoffer en de christenen de daders. De verdere geschiedenis mag bekend worden verondersteld, met als voorlopig dieptepunt de Endlösung, die weliswaar net zoveel met christendom te maken had als een vis met fietsen, maar toch op onnavolgbare wijze zijn oorsprong moet zoeken in de christenheid.

De eeuwenlang heersende ideeën die uiteindelijk de Endlösung mogelijk maakten, hebben een benaming gekregen: antisemitisme, en het is dankzij die Endlösung dat het woord antisemitisme een emotionele lading heeft gekregen die in geen enkele andere aanduiding die voor vergelijkbare ideeën zou kunnen worden gebruikt, terug te vinden is. Op de een of andere manier lijkt antisemitisme altijd erger dan alle andere vormen van racisme en de Endlösung wordt door velen gezien als een uniek fenomeen terwijl genocide iets is van alle tijden en plaatsen.

In de achttiende en negentiende eeuw waren er salonfähige scribenten die in volle ernst meenden dat joden nooit volledig onderdeel van de burgerlijke samenleving zouden kunnen worden. Ze waren immers aanhangers van de joodse religie, terwijl je als volwaardig lid van die burgerlijke samenleving eerst en vooral de Verlichting moest hebben omarmd. Medio twintigste eeuw verwoordde het regime van dienst in Duitsland in een propagandafilm het idee dat de joodse religie geen werkelijke religie was maar een politieke ideologie met rabbi’s als politische Erzieher. In ons eigen land komt het nog steeds voor dat demonstranten leuzen roepen als ‘Hamas, Hamas, alle joden aan het gas’.

Dat noemen we allemaal antisemitisme en terecht. We zien het – ook als we niet religieus zijn – als een ultieme vorm van kwaad. Toch schokt het ons minder wanneer hooggeleerde scribenten in de media de mening ventileren dat moslims eerst de Verlichting zullen moeten omarmen alvorens we ze als medeburgers serieus kunnen nemen. Evenmin ontstaat er beroering van noemenswaardige omvang wanneer een lid van de Tweede Kamer meent dat de islam niet gelijk hoeft te worden behandeld, omdat het geen religie is, maar een politieke ideologie. En over leuzen op de muur die oproepen alle Arabieren te vergassen, maakt slechts een enkeling zich druk.

De meeste moslims zijn geen joden, de meeste Arabieren ook niet. Maar het arsenaal aan verwijten dat op hen wordt gericht, verschilt in niets van wat we antisemitisme zouden noemen wanneer joden het lijdend voorwerp zouden zijn. We kunnen dat niet benoemen met een woord dat dezelfde emotionele lading heeft als het woord ‘antisemitisme’ en dat is wel wenselijk. Want naast de opvatting dat antisemitisme erger is dan alles omdat het zijn unieke dieptepunt vond in bijna zes miljoen vermoorde joden, bestaat de opvatting die niet zozeer het resultaat als maatstaf neemt, maar de ideeën en processen die ertoe hebben geleid.

Primo Levi gaf ooit op de vraag of de Endlösung nog eens kon gebeuren het nuchtere antwoord: ‘Het is al een keer gebeurd en dus kan het nog een keer gebeuren.’ Het voorvallen van de Endlösung toont met andere woorden aan dat de ideeën en processen die in principe deze genocide denkbaar maken, deze ook daadwerkelijk kunnen veroorzaken. Bezien vanuit dat perspectief is het belangrijk om dezelfde ideeën en processen te kunnen benoemen met begrippen die eenzelfde emotionele lading hebben. Die processen en ideeën hebben echter niet uitsluitend betrekking op joden: ze zijn niet uniek en dat zorgt ervoor dat we – wanneer we dáárover willen spreken –we ons van minder slagkrachtige taal moeten bedienen als de slachtoffers niet joods zijn.

In zekere zin beroven we zo diegenen die ideeën en processen willen signaleren die zowel een rol spelen in het antisemitisme als in andere vormen van racisme, van (de effectiviteit van) hun taal. Ze moeten het uit de trits logos, ethos, pathos, met een gebrek aan pathos doen. Daar zijn twee oplossingen voor. We kunnen het woord antisemitisme afschaffen en vervangen door racisme, of we passen het begrip antisemitisme voortaan ook toe wanneer het geen joden betreft, maar wel dezelfde trucs. Geen van beide oplossingen is erg elegant en tegen beiden bestaan in ieder geval van één kant onoverkomelijke bezwaren.

Geplaatst in Samenleving | Tags: , | 2 reacties

Niets menselijks

SderotCinema01‘Jij weet niet wat een oorlog is.’ zei mijn moeder afgelopen weekeinde tegen me. Ik sprak met haar over de Tweede Wereldoorlog, die ze als kleuter heeft meegemaakt in Maastricht. Eén van de verhalen die ik me van haar kon herinneren, ging over het bombardement van de geallieerden op Keulen (30 mei 1942) waarbij de inwoners van Maastricht de grond onder hun voeten konden voelen trillen.

Mijn moeder was toen twee. Ik vermoed dat ze het bombardement op Aken bedoelde op 11 april 1944. Aken is dichterbij en mijn moeder had toen de leeftijd om zich er nog iets van te herinneren. Heel belangrijk is die kwestie echter niet. Maastrichtenaren voelden de grond onder hun voeten trillen en ik had mijn moeder gevraagd hoe daar op gereageerd werd.

‘Hoopvol,’ was het eerste woord dat ze als antwoord gaf, ‘mensen kregen voor het eerst het gevoel dat de geallieerden er echt aan kwamen, dat de bevrijding niet ver meer was.’
Ik vroeg haar of er ook mensen waren die beseften dat dat getril onder hun voeten betekende dat ergens anders burgers zoals zij door een hel gingen en of ze daar medelijden mee konden hebben. ‘Daar was helemaal geen ruimte voor.’ antwoordde zij.

Daarop volgden de verhalen over onmenselijkheid die ik vaker gehoord heb. Over de huisarts die een zender had om daarmee met de geallieerden te communiceren en die door zijn eigen vrouw verraden werd. Over de NSB-er in de straat. Over dat je in een oorlog niemand meer kunt vertrouwen. Over de man die Joden verborgen hield en bij een razzia standrechtelijk werd gefusilleerd. Over de buurtbewoners die prompt een zoekactie in de stad opzetten om zijn winkelende vrouw en kinderen te vinden, daarin slaagden en ze veilig in Zeeland  op een onderduikadres wisten onder te brengen. Dat laatste verhaal speelde weliswaar in het Eindhoven van mijn vader, maar het illustreert wel het leed en de angst waaronder de bevolking tijdens de bezetting leefde.

‘Jij weet niet wat een oorlog is.’ zei ze tot besluit en daar had ze gelijk in. Hoe kon ik verwachten dat zij die leden onder de bezetting, meeleefden met hen die bommen op hun dak kregen? Zoiets was menselijkerwijs teveel gevraagd.
Ik vroeg haar wanneer de voorheen bezette bevolking dan wel voor het eerst tekenen begon te vertonen van medeleven met de gewone Duitsers. Dat kon ze zich nog goed herinneren: in de loop van de jaren vijftig. Zo’n tien jaar duurde het voordat de bevolking hun leed in een perspectief kon zien dat ook buiten de grenzen van dat leed keek en Duitsers weer kon zien als medemensen.

Afgelopen week postte de Deense journalist Allan Sørensen op twitter de foto die bij deze blogpost staat. Het lijken feestende mensen en in zekere zin is dat ook zo. Volgens de toelichting van Sørensen zijn het inwoners van het Israëlische plaatsje Sderot die met zijn allen op een heuvel zijn gaan zitten om over de Gazastrook uit te kijken terwijl het Israëlische leger er bombardementen uitvoert. Bij ontploffingen wordt er gejuicht.

De reacties op twitter zijn voornamelijk gericht tegen deze inwoners: ‘disgusting’, ‘morality of a people so skewed that murder is a public spectacle’, ‘What’s become of the human race?’, ‘This is the most gruesome image I’ve seen the last few days’, ‘hoe mensen elkaar zo kunnen haten. Kan er wel om janken’. Elders wordt meer begrip opgebracht voor de inwoners van Sderot, dat vrijwel permanent onder raketvuur vanuit de Gazastrook ligt, met alle gevolgen van dien voor de inwoners en vooral de kinderen die er wonen.

Er vallen aan Israëlische kant opvallend weinig doden, zeker in vergelijking met de aantallen in de Gazastrook, maar zoals het spreekwoord zegt: alle leed heeft aan zichzelf genoeg. Het is bepaald geen feest om op sommige dagen elke vijftien minuten naar de schuilkelder te moeten rennen en het vreet aan je als je elke dag je kinderen in angst ziet leven en aan hen tegen beter weten in moet uitleggen dat het uiteindelijk goed zal komen. Is het menselijkerwijs veel gevraagd van de inwoners van Sderot om hun leed in een perspectief te zien dat ook buiten de grenzen van dat leed kijkt?

In de film Lawrence of Arabia komt een scene voor die ongeveer in dezelfde regio speelt, tijdens de Eerste Wereldoorlog als de Britten en Arabieren samen tegen de Turken vechten. Langs de kust rukken de Britten op naar het noorden terwijl Lawrence met de Arabieren op de rechterflank verder landinwaarts hetzelfde doen. De toeschouwer is dan in de film al enkele malen getuige geweest van Turkse oorlogsmisdaden tegen de Arabieren. Aan het begin van de opmars kijken Lawrence en zijn bondgenoot Ali Sherif naar de westelijke horizon waar op dat moment de donder en lichtflitsen van de zware Britse artilleriebeschietingen duidelijk waar te nemen zijn.

‘God help them.’ verzucht Ali Sherif, waarop Lawrence met nauwelijks verholen afgrijzen antwoordt: ‘But they are Turks!’
Ali Sherif kijkt daarop Lawrence strak aan en herhaalt: ‘God help them.’

Sherif – gespeeld door Omar Sharif – is als personage niet helemaal historisch, maar een amalgaam, losjes gebaseerd op de vele Arabische bondgenoten van Lawrence. Ik vrees dat de vorm van menselijkheid die Ali Sherif in de film laat zien dan ook fictie is en dat ons de schrale troost rest dat deze fictie tenminste denkbaar is.

Geplaatst in Geschiedenis, Samenleving | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Namen

post-atheist1-324x193Het tweede boek van de bijbel heet Exodus, naar zijn Griekse titel, die ‘Uittocht’ betekent. Het bevat het verhaal van de uittocht van de Hebreeën uit Egypte onder Mozes. In het Hebreeuws heet het echter sjemot ‘namen’, en dat is een goeie grap. In de eerste twee hoofdstukken van het boek zijn namelijk alle personages naamloos, een korte stamboom in de eerste zeven verzen daargelaten.

Het begint met de farao van Egypte, een man wiens naam nooit wordt genoemd. Om de ongewenste groei en dus macht van de Hebreeën te remmen, dwingt hij ze tot zware dwangarbeid. Hij beveelt bovendien de vroedvrouwen van de Hebreeën alle jongetjes te doden. Moord gaat de twee vrouwen echter te ver en als ze bij Farao ter verantwoording worden geroepen kletsen ze zich er met een smoes uit. Sifra en Poea, zoals de vrouwen worden genoemd, hebben geen echte namen, maar eerder een aanduiding van hun karakter: Sifra betekent ‘schittering’ en Poea ‘ glans’.

Farao beveelt dan dat alle pasgeboren Hebreeuwse jongetjes in de Nijl gegooid moeten worden. Dan lijkt het minder op moord. Dan huwt ‘een man’ uit de stam Levi ‘een vrouw’. De bijbel stikt werkelijk van de passages van het type: ‘een man huwde een vrouw, hij ging tot haar in, zij werd zwanger en baarde hem een zoon en hij noemde hem…’. In dit verhaal wordt een jongetje geboren, maar de naamgeving ontbreekt, in plaats daarvan wordt het joch drie maanden verborgen en dan – conform rijksbeleid – in de Nijl geworpen.

Farao heeft niet verboden om dat in een mandje te doen, noch dat mandje met bitumen waterdicht te maken en van die mazen in de wet maakt de moeder gebruik. Het joch drijft in zijn mandje richting de badplaats van de dochter van Farao, die ook niet met een naam wordt aangeduid, terwijl ‘het zusje’ van het jongetje vanaf de kant een oogje in het zeil houdt. Dat leidt tot één van de grappigste scenes in de hele bijbel: de prinses wil het jongetje redden, maar heeft daarvoor een min nodig. Dan suggereert het zusje een vrouw te vinden, wat natuurlijk lukt, waardoor het jongetje kan opgroeien bij zijn eigen familie, die daarvoor door het koninklijk hof nog betaald wordt ook.

Als hij is opgegroeid, moet hij terug naar het hof en daar lijkt hij pas een naam te krijgen: Mozes, ‘want ik heb hem uit het water gehaald’, aldus de prinses. De naam Mozes wordt hier afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord masjah, ‘uittrekken’. Maar een Egyptische prinses spreekt natuurlijk geen Hebreeuws en bovendien is ‘Mozes’ hartstikke Egyptisch. Het betekent ‘zoon van’ en is een standaard onderdeel van Egyptische namen: Toetmozes, zoon van Toth, de god met de ibiskop, of Ramozes (Ramses), de zoon van de zonnegod bijvoorbeeld. Mozes heet alleen maar Mozes en de vraag is waar hij dan precies de zoon van is.

Dat blijkt uit de moord in het vervolg van het verhaal. Mozes – inmiddels volwassen – kiest in een vechtpartij tussen een Egyptenaar en een Hebreeër partij en doodt de Egyptenaar. Maar als hij later tussenbeide wil komen tussen twee vechtende Hebreeërs, poeieren die hem af: wie denkt hij wel dat hij is? Bovendien blijkt de moord op de Egyptenaar bekend en is Mozes genoodzaakt te vluchten. Mozes is de zoon van niemand.

Hij komt terecht in Midjan – ergens in noordwest Arabië. Wanneer hij bij een waterput zit, treft hij de zeven nameloze dochters van de lokale priester bij het drenken van hun vee. Andere herders jagen hen weg en Mozes grijpt in ten gunste van de dames die, nogal atypisch voor het Midden Oosten, verzuimen hun redder uit te nodigen. Eenmaal thuis worden ze door hun vader teruggestuurd om Mozes alsnog te halen. Die vader is de eerste in het verhaal die een naam heeft: Reüel – overal elders in de bijbel heet hij Yethro. Reüel laat er geen gras over groeien: hij huwelijkt zijn dochter Sippora aan Mozes uit, die zo een thuis vindt: tussen wat ze in Egypte barbaarse bedoeïenen noemden.

Mozes redt zo ook de familie van Reüel, want met zeven dochters handhaaf je je claims op grasland, vee en waterputten niet, zoals wel bleek uit het verhaal van de vreemde herders. Het is Mozes’ eerste bevrijdingsklus. Aan de volgende moest wat meer overtuigingskracht worden besteed.

Tot aan Reüel spelen uitsluitend naamlozen een rol in het verhaal van Mozes: één man die hem naar het leven staat en dertien vrouwen: twee vroedvrouwen, Mozes’ moeder en zus, de dochter van farao en haar slavin en de zeven dochters van Reüel. De schrijver die Exodus begon met de woorden ‘Dit zijn de namen…’ moet dat geweten hebben.

Afgelopen maandag verschenen op Sargasso.

Geplaatst in Bijbel | Tags: , , | 4 reacties

Borreltafelfeitjes

post-atheist1-324x193De meeste mensen die in de woestijn omkomen, sterven de verdrinkingsdood. Wie in, of in de buurt van een woestijn woont, weet dat, maar voor de gemiddelde westerse toerist is het een opmerkelijk borreltafelfeitje. Dat borreltafelfeitje speelt een rol in de correcte vertaling van het vierde vers van Psalm 124: was de HEER niet voor ons geweest, toen de mensen zich tegen ons keerden, zo heet het in vers 2 volgens de Nieuwe Bijbelvertaling,

Dan had het water ons meegesleurd,
de stroom ons overspoeld.

Die stroom wordt nogal divers vertaald: een stroom (Staten), een stroom dien niemand tegenhield (psalmberijming 1773), een vloed (Leidse), een stortvloed (Canisius), een wilde beek (NBG ’51), de baaierd (psalmberijming 1967), de kolkende stroom (Ida Gerhardt), de bergstroom (Willibrord), de golven (Groot Nieuws), die vloed (Nuwe Vertaling) in floed (Nije Fryske), de stroom (NBV), een bergbeek (Naardense), een woeste stroom (Herziene Staten).

Het Nederlands heeft voor het woord dat hier in het Hebreeuws staat, geen begrip beschikbaar. Er staat נַחַל nachal, en dat woord duidt een zogenaamde wadi aan, een droog dal in een aride landschap dat zich uitsluitend met water vult wanneer dat beschikbaar is, dan wel de waterstroom die de wadi plotsklaps kan vullen.

In tegenstelling tot een wijdverbreid misverstand, regent het in de woestijn wel degelijk. Zelden, dat wel, maar als het regent, kan het ook hard regenen. Waar de grond geen water opneemt, zal het regenwater, ongehinderd door vegetatie en andere obstakels, over het oppervlak een weg naar het laagste punt zoeken.

Bij hoogteverschillen in het landschap gebeurt dat via ingesleten dalen waarin al het regenwater uit het omringende gebied zich verzamelt en die concentratie van water leidt tot iets waar alleen het Engels een mooi woord voor heeft: flash floods. Dat is waar de meeste mensen in een woestijn in omkomen. Onvoorzichtige kampeerders die hun tentje opslaan op de bodem van een wadi en weggevaagd worden door een front van dode struiken en dieren, stenen en afval, voortgeduwd door een muur van water.

U wéét nu wat het woord nachal betekent, maar daarmee heeft u de gevoelswaarde van het woord, het beeld dat het bij de luisteraar moest oproepen, nog niet te pakken, net zomin als een woestijnbewoner ooit echt zal kunnen navoelen wat een dijkdoorbraak is, terwijl hem dat wel heel goed kan worden uitgelegd.

In het bovenstaande vers zijn er enkele vertalingen die heel aardig in de buurt komen van wat de oorspronkelijke schrijver heeft bedoeld. Mijn favoriet is de ‘stortvloed’ van de Canisiusvertaling terwijl de ‘bergbeek’ uit de Naardense vertaling een misser is: veel te klein en liefelijk. Psalm 124:4 is geen halszaak en zal het best wel redden als een niet-woestijnbewoner het leest. Deze blogpost gaat dan ook niet om het juist vertalen van nachal, hoe aardig dat borreltafelfeitje verder ook moge zijn.

Nachal is slechts een piepklein voorbeeldje van iets dat veel groter is. De bijbel – en de koran, en trouwens elk heilig geschrift van enige ouderdom – staan vol met nachalletjes: woorden die daar niet alleen staan omwille van hun betekenis, maar ook omdat ze een bepaalde bijbetekenis of gevoelswaarde hebben of omdat ze bij de luisteraar een bepaald beeld oproepen. Of alle drie. En het blijft niet beperkt tot losse woorden: ook woordcombinaties, uitdrukkingen, zinnen, bepaalde thema’s en zelfs hele verhalen kunnen binnen een gegeven cultuur bijbetekenissen of gevoelswaarden hebben of beelden oproepen die een lezer uit een andere cultuur niet herkent.

Hoe groter de afstand tussen de broncultuur en de doelcultuur, hoe lastiger het begrijpen van de tekst wordt. Hele volksstammen lopen tegenwoordig rond met borreltafelfeitjes over wat er in koran of bijbel staat die kant noch wal raken. Zeker sinds geletterdheid geen voorrecht meer is van een kleine groep specialisten, is het eenvoudigweg openslaan van een heilige tekst en ‘lezen wat er staat’ een mogelijkheid geworden waar helaas veelvuldig en enthousiast gebruik van gemaakt wordt. Maar ‘lezen wat er staat’ is, zonder je te verdiepen in de taal en cultuur die de tekst heeft voortgebracht, is een zinloze bezigheid.

Dat seculieren dat aan de lopende band doen is logisch, voorstelbaar en vergeeflijk, want ze lopen daarin aan de hand van gelovigen die met hun ‘lezen wat er staat’-methoden niet alleen een eenvoudig te volgen – en dus makkelijk te begrijpen – verhaal bieden, maar er soms ook in slagen nogal nadrukkelijk aanwezig te zijn.

Dat ook gelovigen zich er schuldig aan maken is – in alle betekenissen van dat woord – zonde, want helaas blijft het niet bij borreltafelfeitjes…

Afgelopen maandag verschenen op Sargasso, waar één van de reageerders een uiterst leerzaam filmpje op youtube postte.

Geplaatst in Bijbel, Religie, Taal | Tags: , , , , , , | 2 reacties