Vademecum van de islam

VademecumAfgelopen maand werd me een exemplaar van het Vademecum van de islam toegestuurd met het verzoek of ik het zou willen recenseren. De islam in 400 begrippen luidt de ondertitel en volgens de flaptekst is het boek bedoeld als naslag voor journalisten, studenten, beleidsmedewerkers en iedereen met een algemene interesse in een onderwerp dat steeds meer de actualiteit beheerst. Een praktische toepassing dus, die feitelijke informatie in kort bestek en overzichtelijk wil aandragen. Er hebben diverse arabisten en islamologen aan meegewerkt. Namen die ik trouwens geen van allen kende (maar dat zegt niks), of Hans Janssen moet een spelfout zijn met een ‘s’ teveel.

Zo’n project leek me geen overbodige luxe, dus toog ik aan het lezen. Om te beginnen de lakmoesproef van alle teksten over de islam: taqiyya (p. 54). Daar werd inderdaad gezegd dat het een begrip uit de twaalver sji’a was. Sji’ieten mogen, als ze reden hebben om te vrezen voor lijf en leden of have en goed vanwege hun overtuiging, voorwenden geen sji’iet te zijn. De grenzen die aan dit instrument zitten, worden echter niet vermeld: terwille van dat voorwenden mag niet worden gedood en er mag ook niet worden meegewerkt aan het ontstaan van anarchie en rechteloosheid. Dat is een omissie. Dat soennieten tegenstanders zijn van taqiyya wordt wel aangegeven.

Dan volgt er een opmerking over ‘fundamentalisten’. Die zouden juist voorstander zijn van het voorwenden: ter bevordering van de eigen zaak. Dit zou gebaseerd zijn op een uitspraak van Mohammed: ‘Oorlog is bedrog’. Dat laatste is een toevoeging bij het begrip taqiyya dat vaker te horen is in de hoek die ik hier voor het gemak maar even ‘islamkritisch’ noem. De observatie op zichzelf is correct, maar het gaat de strekking van taqiyya ver te boven en het wordt dan ook meestal aangeduid met een ander begrip: kitman. Dat lemma ontbreekt in het boek.

Mijn eerste indruk bleek bij verdere – en systematischer – doorlezing keer op keer te worden bevestigd. Het Vademecum oogt en leest als een naslagwerk dat feitelijke informatie geeft – en dat doet het ook beslist – maar met enige regelmaat zijn er passages in opgenomen die er slechts op gericht lijken te zijn de lezer ervan te overtuigen hoe kwalijk de islam wel niet is. Dat hoort niet thuis in een werk dat beoogt feitelijke informatie te geven.

Hiermee hangt samen dat het Vademecum geschreven is vanuit een essentialistische visie op wat een geloof inhoudt. Het is letterlijk te lezen bij het lemma fiqh (jurisprudentie van het islamitisch recht, p. 12):

Wie wil weten wat de islam denkt over een bepaald onderwerp moet dat gegeven opzoeken in de literatuur van de fiqh.

Maar ‘de islam’ is helemaal niet iets wat denken kan, het is zelfs niet ‘iets’: het is een woord dat we gebruiken om quick and dirty de verzamelde meningen op het gebied van het bovennatuurlijke weer te geven van de groep mensen die zich ‘moslim’ noemen.

Het Vademecum is echter geschreven vanuit de verzwegen vooronderstelling dat ‘de islam’ een omschijfbare verzameling regels, overtuigingen, ge- en verboden is die – eenmaal gekend – min of meer betrouwbaar kunnen verklaren waarom, en wellicht ook beschrijven of zelfs voorspellen hoe, moslims zich in de praktijk gedragen. Dat is een kathedraal van een denkfout, vergelijkbaar met de stelling dat wie weten wil wat ‘het katholicisme’ denkt over voorbehoedsmiddelen, en welke consequenties dat heeft voor de verspreiding van AIDS in Afrika, dat vooral moet navragen bij oudere vrijgezelle heren in één bepaalde wijk van de Italiaanse hoofdstad.

De islam als de theorie achter het praktische gedrag van moslims gaat hand in hand met een ander kenmerk: het onkritische gebruik van biografische informatie over de profeet Mohammed uit de islamitische traditieliteratuur. Het staat er met zoveel woorden in het lemma hadith (p. 13): ‘Van alle stichters van wereldereligies is Mohammed de persoon over wie het meest geweten is.’ Die islamitische traditieliteratuur is een Fundgrube van schokkende verhalen over de profeet, en voor dat doel dus goed bruikbaar. Inmiddels is echter wel duidelijk dat wat ooit over het leven van Mohammed is opgeschreven, als biografisch materiaal en bron van historische en feitelijke informatie hoogst onbetrouwbaar is.

Die in het Vademecum gehanteerde vooronderstellingen zorgen voor een ernstige onevenwichtigheid in het boek. Zo wordt bij de lemma’s dhimma (verdrag p. 143) en dhimmi (verdragspartner p. 144) uitgebreid de theorie uitgelegd van de voorwaarden onder welke niet-moslims onder islamitisch bestuur hun leven als niet-moslim konden voortzetten. Daarbij wordt uitsluitend verwezen naar ‘kleinerende’ en ‘vernederende’ regels die onderdeel waren van het pact tussen moslims en de onderworpen niet-moslims. De rechten die niet-moslims hadden, worden niet vermeld. Er wordt ook niet bij vermeld dat de islamitische praktijk vaak nauwelijks aansloot bij die theorie. Iets wat we nota bene weten uit bronnen die het islamitisch bestuur en de islam bepaald niet gunstig gezind waren.

Wie echter het lemma ‘Ontvoering (slavernij p. 70)’ beziet, treft eerst een strikt theoretische uitleg aan over wat er aan rechtsregels over slavernij bestaat. Daarna volgt de (slordig geformuleerde én onjuiste) stelling: ‘historisch gezien waren de meeste van deze slaven in het Nabije Oosten vrouwen en kinderen (huis- en seksslavernij) omdat in de islamwereld geen grote landbouwgronden bestonden zoals in andere cultuurgebieden’ (cursivering van mij), gevolgd door een uitgebreide opsomming van clubs die nu nog steeds aan slavernij doen: de fundamentalistische overheid van Soedan die huishoudt in het christelijke zuiden, Boko Haram en Islamitische Staat, als zouden dat representatieve vertegenwoordigers zijn van ‘de islam’. Een feitelijk lijstje met islamitische landen waar slavernij inmiddels is afgeschaft, ontbreekt.

Niemand minder dan arabist Hans Jansen (één ‘s’) heeft er nog zó voor gewaarschuwd: je moet niet de theorie van de één vergelijken met de praktijk van de ander. Dat is wel wat het Vademecum doet: waar de theorie de islam negatief afschildert, wordt de praktijk niet genoemd, maar waar de praktijk als kwalijk gekarakteriseerd kan worden, aarzelt men niet dat te doen. Dat principe past het boek consequent toe.

Helemaal bont maakt het naslagwerk het met de opmerking dat in de islam de religie niet gescheiden is van de uitoefening van het wereldlijk gezag, terwijl in het christendom die scheiding wél bestaat (lemma sharia, p. 24). Hier wordt de islamitische theorie vergeleken met een christelijke praktijk die vanaf het concordaat van Worms is ontstaan en daarna met veel pijn en moeite via (onder andere) de Franse Revolutie en de Kulturkampf uiteindelijk is gerealiseerd, of zeg maar gerust: afgedwongen. Dat staat er echter niet bij.

Bij hervormingen in de islamitische wereld wordt dat wél vermeld. Die zijn – aldus het Vademecum steevast – ‘onder westerse druk’ tot stand gekomen. Dat is gedeeltelijk waar. Westerse mogendheden maakten vanaf de negentiende eeuw handig gebruik van de ongelijke status van religieuze minderheden in islamitische landen en wierpen zich op als hun pleitbezorgers. Onder andere het Ottomaanse Rijk heeft geprobeerd die bemoeienis terug te dringen door gelijke rechten in te voeren.

Anderzijds was het westen medio negentiende eeuw allerminst klaar voor legalisering van homosexualiteit. Het Ottomaanse Rijk wél. Azerbeidzjan moge het vrouwenkiesrecht in 1921 onder westerse druk hebben ingevoerd, de vraag is dan wel hoe Zwitserland erin is geslaagd diezelfde druk nog vijftig jaar langer te weerstaan. Ook is die ‘westerse druk’ niet altijd van eenzelfde aard geweest. De Iraanse constitutionele revolutie van 1906 – die werd gesteund door de islamitische geestelijkheid –  werd door de Britten en de Russen om zeep geholpen. U zult het allemaal niet vinden in het Vademecum.

Op dit punt aangeland nam ik mij voor me aan te sluiten bij het advies van deze recensie: Het Vademecum biedt nuttige, feitelijke en inhoudelijke informatie over niet-omstreden onderwerpen. Begrippen die u regelmatig in de krant aantreft, raadpleegt u er liever niet in. Maar toen had ik het boek nog niet uitgelezen.

Verder lezend, trof ik enkele passages aan met ronduit rabiate standpunten. Zo wordt onder het lemma Hajj Amien al Hoesaynie (grootmoefti van Jeruzalem tijdens de Tweede Wereldoorlog, p. 147) beweerd: ‘op dit ogenblik woedt onder historici de kwestie in hoeverre deze man invloed heeft uitgeoefend op Hitlers beslissing tot judeocide’. Dat is lariekoek waar geen enkele serieuze historicus over spreekt, of het moet zijn om te protesteren tegen aperte geschiedvervalsing. U leest hier en vooral hier hoe het werkelijk zit.

Zo zouden vijf Arabische legers de nieuw uitgeroepen staat Israel in 1948 ‘genocidair’ hebben aangevallen, ‘een exercitie die ze later (1967 [sic!], 1973; ten dele tijdens de intifada’s tussen 2000 en 2005 en door de duizenden raketinslagen zouden herhalen’ (lemma Israel, p. 153). Over het door Israel bezette Palestijnse gebied wordt onder het lemma Hamas (p. 148) beweerd dat het ‘internationaalrechtelijk enkel als “betwist gebied” kan worden aangemerkt’. Hoe komt het toch dat ‘islamkritiek’ zo vaak samengaat met pro-Israel-propaganda?

Met grote regelmaat vielen mij formuleringen op waar ik me eigenlijk nog drukker over maakte dan al het bovenstaande, omdat ik me daardoor niet meer aan de indruk kon onttrekken dat in het Vademecum sprake is van kwade wil. Twee voorbeelden van buitengewoon sluw gepraat:

In het lemma dhimma (p.143) wordt toegelicht dat het verdrag tussen door moslims overwonnen niet-moslims en hun nieuwe heersers de onderworpenen vrijwaart van verdere militaire acties. Dat wordt als volgt verwoord:

De bescherming was wel in de eerste plaats een bescherming tegen de jihad (dood, plundering, verdrijving, slavernij, gedwongen bekering) van de moslims …

Dat stukje tussen haakjes, het is natuurlijk feitelijk correct dat oorlog gepaard gaan met allerlei vreselijke zaken, maar hoe noodzakelijk is zo’n opsomming? Dit is – om met Aristoteles te spreken – geen logos, maar pathos, bedoeld om stemming te maken, niet te informeren.

Ten slotte wijdt het Vademecum opvallend veel tekst aan zowel theorie als praktijk van slavernij in de islamitische wereld. In één van die passages (lemma slavernij: vandaag, p. 168) trof ik deze raadselachtige zin aan in een uitgebreide beschrijving van slavernij van niet-moslims onder jihadistische groeperingen:

Onder de ondertussen afgezette Egyptische president en moslimbroeder Mohammed Morsi vond het eerste ‘sex slave marriage’ plaats, waarbij de bruid ten dele naakt was om ze te onderscheiden van moslimvrouwen.

De voor de hand liggende vraag is natuurlijk wat een slavin doet in Egypte en waarom er een ‘marriage’ georganiseerd moet worden met een slavin, aan wier meester immers – aldus het Vademecum – het seksuele gebruik sowieso is toegestaan (lemma slavernij: algemeen, p. 167). Maar ik viel over het woordje ‘eerste’, dat wil aangeven dat hier geen incident beschreven wordt, maar een eerste voorval in een reeks die we onder islamitisch bestuur hadden kunnen verwachten.

Ik raad u het boek dus van harte af. Niet omdat er niets zinnigs in zou staan, maar omdat ik op grond van wat ik wél kan controleren en le ton qui fait la musique ernstig wantrouw of wat wel feitelijk correct oogt, ook inderdaad wel kosher is.

 

Geplaatst in Religie, Wetenschap | Tags: , , , , | 2 reacties

Update

SalahFarahOnlangs blogde ik over een mening van Jan Dijkgraaf over de islam een heldendaad van Keniaanse moslims: toen hun bus werd bestormd door strijders van al-Shabaab en de islamitische passagiers van hen de opdracht kregen apart te gaan staan van de christenen, weigerden ze dat. Dat redde de christenen het leven.

Dit verhaal heeft helaas een triest vervolg gekregen. Eén van de moslims uit dit verhaal is bij de gebeurtenissen kennelijk gewond geraakt en één van de afgelopen dagen alsnog aan zijn verwondingen bezweken.

Zijn naam was Salah F.

Geplaatst in Religie, Samenleving | Tags: , , , , | 1 reactie

Inhoudsloos

magnetic-wordsHalim el Madkouri, Arabist en islamoloog weet het zeker: IS is in niets strijdig met de islam en dat kun je eenvoudig zien, aldus zijn opiniestuk in de Volkskrant:

Wie de basisliteratuur van de terreurbeweging IS tot zich neemt, zal versteld staan hoe zij er alles aan doet, en met succes, om te bewijzen dat zij niets maar dan ook niets doet wat indruist tegen de algemene islamitische geboden en verboden op het gebied van politiek, bestuur en oorlogshandelingen.

Madkouri noemt drie boeken als basisliteratuur:

  • Massa’il min fiqh al jihad (‘Kwesties van jihadjurisprudentie’) van Abu Abdullah al Muhajir;
  • Idarat al tawahhush (‘Het management van de totale chaos’) van Abu Bakr Naji
  • I’alaam al anaam bi wiladat dawlat al islaam (‘Het informeren van de levenden over de geboorte van de islamitische staat’) van Othman Ben Abdurrahman al Tamimi.

Dat is wat anders dan wat u wellicht had verwacht: de koran en de islamitische traditieliteratuur, maar gelukkig licht Madkouri toe dat de drie moslimgeleerden – die alle drie op de één of andere manier een rol speelden in het ontstaan van de ideologie van dienst in het kalifaat – uitgebreid citeren uit een zeer omvangrijke bibliotheek van gezaghebbende islamitische wetboeken en uiteraard ook de traditieliteratuur en de koran. Zo komen ze tot een ideologie die perfect is ingebed in de islamitische fiqh-traditie (zeg maar: het islamitisch recht). Zijn conclusie liegt er dan ook niet om:

Een ideologie die in al haar theoretische en praktische aspecten op de islam is gebaseerd en die zich daarmee met recht islamitisch mag noemen.

Dat is een héle, echt héle rare conclusie, zij het niet omdat hij perse onjuist is. Dat moet ik even uitleggen.

Toen ik nog geschiedenis studeerde, moest ik voor het vak Middeleeuwse geschiedenis een werkstuk schrijven over het ontstaan van de Hoofse Liefde. Tijdens mijn vooronderzoek trof ik een passage aan over een middeleeuwse monnik die – hij was immers celibatair – wat moeite had zich in te leven in de huwelijkse staat. Het was hem bekend dat een christelijke man van zijn vrouw diende te houden, maar waarom eigenlijk? Die vraag wist hij maar niet bevredigend te beantwoorden. Uiteindelijk bleek de oplossing heel eenvoudig: had Christus ons immers niet de opdracht gegeven onze vijanden lief te hebben? Voilá!

U begrijpt: dit was lang geleden, ik kan u er geen voetnoot bij leveren, ik heb het alleen onthouden als fraai voorbeeld van een ontspoorde religieuze redenering. Want wat deze monnik beweerde, kan met recht gekarakteriseerd worden als een volstrekt niet-christelijk standpunt, zelfs al zijn alle argumenten die ertoe leiden van christelijke signatuur.

Madkouri is een moderne monnik die de weg een beetje kwijt is: als hij teksten leest die volledig doordrenkt zijn met citaten en redeneringen van islamitische signatuur, dan moet het wel om islamitisch gedachtengoed gaan. Het is de vorm die de inhoud bepaalt.

Ik vraag mij af wat hij zou vinden van de open brief die een grote groep islamitische geestelijken aan de kalief schreef waarin, zoals ik eerder opmerkte:

de fine fleur van de islamitische wereld gehakt maakt van ‘s kaliefs denkwereld, er deskundig kufte van draait,  ze méér dan bruin bakt en serveert met een dot pindasaus die dagen later nóg nabrandt. Er blijft werkelijk niets, geen spaan heel van de ideologie van dienst in het nieuwe kalifaat.

Het lijkt me dat Madkouri ook deze tekst van 76 pagina’s niet anders dan als ‘islamitisch’ kan karakteriseren, alleen: ze staat haaks op de ‘basisliteratuur’ van het kalifaat. Als beiden ‘islamitisch’ zijn, wat betekent dat woord dan nog? Het antwoord is vrij simpel: helemaal niks meer.

Maar goed, Madkouri heeft wel gelijk: de islamitische staat meent goede redenen te hebben om zichzelf islamitisch te noemen. Dat is natuurlijk schokkend nieuws.

Geplaatst in Religie, Wetenschap | Tags: , | 2 reacties

Bowie

Afgelopen weekeinde is ons David Bowie ontvallen, zo begrijp ik van diverse kanten. Nu ben ik niet zo van de popmuziek. Lezers van dit kleine blog zullen weten dat mijn vader organist was en het zal hen dan ook niet verbazen dat mijn wieg boven Bach stond. Letterlijk: mijn vader had een orgel in huis en mijn kamer was daar direct boven. Ik kan dus niet zo gauw iets noemen van David Bowie dat ooit enige indruk op me heeft gemaakt en ik kan al helemaal niet beoordelen welke bijdrage hij aan de populaire muziek heeft gedaan.

Maar ik ken hem wel van een bijdrage aan de film. En niet zomaar een film, nee: de veelomstreden The Last Temptation of Christ. U weet wel: de film uit 1988 waarin volgens religieuze criticasters werd gesuggereerd dat Jezus een relatie – ja zelfs lichamelijke betrekkingen – zou hebben gehad met Maria Magdalena. Onzin natuurlijk, maar daarvoor moet je de film ook hebben gezien. Wat mij betreft één van de beste Jezus-films die er zijn.

Bowie zet daarin een werkelijk wéérgaloze Pontius Pilatus neer. Niet de Pontius Pilatus uit de vier evangeliën, maar een vrije interpretatie als een gewone Romeinse bestuurder met een reëel ordehandhavingsprobleem. Bowie’s Pilatus is koel, logisch, beheerst, niet onvriendelijk in de omgang, ontspannen en meedogenloos. Zo iemand waarvoor Rita Verdonk een aantal jaren later het woord adequaat opnieuw muntte.

Men zegt dat de scene geïmproviseerd is op basis van de Dialoog tussen Christus en de Grootinquisiteur van Dostojewski. Ik heb beide teksten wel eens naast elkaar gelegd, maar herkende zo gauw geen opvallende overeenkomsten.

Afijn, oordeelt u zelf.

Geplaatst in Bijbel, Literatuur | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Hypothese

foto: Cadbury Reseach Library, BirminghamEerder blogde ik over de (her)ontdekking van een oud koranmanuscript in de universiteitsbibliotheek in Birmingham. Korte samenvatting: een al langere tijd in die bibliotheek aanwezig manuscript van twee folio’s is gedateerd met de koolstofmethode en blijkt met 95% zekerheid te stammen uit de periode 568 – 645. Dat zou bij wijze van spreken kunnen betekenen dat de schrijver de profeet Mohammed nog persoonlijk gekend heeft.

Hoewel de opwinding groot was, bewijst de vondst niet bijster veel, omdat alleen het perkament gedateerd is, niet het schrijven van de tekst, en in theorie kan een ouder stuk perkament zijn gebruikt voor een nieuwe tekst. Daar zijn op dit moment echter geen aanwijzingen voor, dus we moeten ervan uit gaan dat de plusminus 1% van de volledige korantekst die op de folio’s te vinden is, inderdaad al heel oud zijn.

Er lijkt nu een oplossing te zijn gevonden voor de vraag naar de herkomst van het manuscript. Er blijkt namelijk in Parijs een dikker manuscript te vinden te zijn dat perfect aansluit bij het document uit Birmingham. Het lijkt vrijwel zeker dat beide bij elkaar horen, dat meldde ik al eerder. Van het Parijse manuscript blijkt nu bekend dat het stamt uit de moskee van Amr ibn al-As in de door hem gestichte garnizoensstad Fustat. Het is meegenomen door een Franse diplomaat toen Egypte onder bestuur van Napoleon stond begin 19e eeuw.

Kennelijk zijn enkele losse vellen van hetzelfde manuscript in Fustat gebleven en later, wellicht toen ze werden verplaatst naar de nationale bibliotheek in Cairo, achterovergedrukt en op de markt terecht gekomen waar Alphonse Mingana ze kocht. Dat is een hypothese die tot dusverre niet testbaar is, want het is niet bekend waar Mingana het manuscript kocht, noch van wie. Maar als het manuscript uit Parijs en Birmingham bij elkaar horen, dan stamt ook dat uit Birmingham uit Fustat.

Er blijken nu ook twijfels boven te komen drijven die ik al eerder aanstipte: de schrijfstijl van het manuscript klopt niet met de datering van het perkament. Oudere handschriften van de koran laten een veel eenvoudiger schrifttype zien. Ook de wijze van het aanduiden van verzen en scheidingen tussen hoofdstukken is iets te ‘modern’ voor een geschrift uit het begin van de zevende eeuw. Dat moet nog uitgezocht worden en mogelijk zal daarbij blijken dat óf een oud stuk perkament gebruikt is, óf de typologie van de ontwikkeling van het Arabische schrift moet worden bijgesteld.

Eén verhaal klopt echter zeker niet: in het artikel waar deze blogpost op is gebaseerd, wordt gesuggereerd dat het manuscript misschien wel een exemplaar betreft van de korancodificatie van Abu Bakr, de eerste kalief, die regeerde van 632 tot 634. Abu Bakr zou de koran als eerste op schrift hebben laten stellen nadat bij een veldslag iets teveel moslims waren gesneuveld die de koran uit hun hoofd kenden, aldus het verhaal. De voormalig secretaris van Mohammed, Zaid ibn Tabit, zou één exemplaar hebben vervaardigd, dat na de dood van Abu Bakr in handen kwam van de tweede kalief en na diens dood eigendom werd van zijn dochter Hafsa, tevens weduwe van de profeet.

Onder het bestuur van de derde kalief, Uthman, werd nogmaals besloten de koran te codificeren. Dit keer vanwege tekst- en uitspraakverschillen die begonnen te ontstaan tussen verschillende korangeleerden in de diverse delen van het razendsnel uitdijende rijk. Het exemplaar van Abu Bakr werd teruggevonden bij Hafsa en speelde uiteraard een grote rol in die codificatie. Van die tweede codificatie moet wel iets waar zijn, want hij ging gepaard met een maatregel van hoogst onislamitische aard: alle andere koranexemplaren moesten worden verbrand. Een gelovig moslim zou zoiets nooit opschrijven als het niet gewoon waar was.

Maar die eerste codificatie, dat is – volgens alle denkbare duck tests – een verzonnen verhaal. We kennen uit de islamitische traditieliteratuur de namen van de mannen die bij die ene veldslag sneuvelden en daar zitten juist erg weinig mannen bij die erom bekend stonden de koran uit hun hoofd te kennen. Wie bezorgd is dat de koran niet afdoende bewaard zal blijven, gaat het ene exemplaar dat er is, niet in de boekenkast laten verpieteren. Ook dat het boek een decennium lang bij een weduwe in vergetelheid raakte, strookt niet met dat gegeven. Dit verhaal moest overduidelijk de latere codificatie meer ‘gewicht’ geven en van een betrouwbare traditie voorzien.

Wat dan weer wél waar is: dat het Parijs-Birminghamse manuscript een teksttraditie weergeeft die beslist heel erg oud is, want zelfs wanneer het schrift van een eeuw later dan het perkament zou dateren, is het nog steeds één van de oudste koranteksten die we hebben.

Geplaatst in Koran, Religie, Wetenschap | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Halacha

hebrew-text-closeup_021In de multiculturele discussie – een enorm eufemisme, want het gaat maar over één ding – wordt de islam doorgaans besproken met als verzwegen aanname dat het een geloof is zoals wij dat kennen. Dat is dus doorgaans iets dat ongeveer op het christendom lijkt. In werkelijkheid is de islam iets anders: een halachische godsdienst, te vergelijken met het orthodoxe jodendom. In halachische godsdiensten is het juiste gedrag veel belangrijker dan de juiste overtuiging, en voor dat juiste gedrag zijn dan ook regels opgesteld.

Die regels zijn belangrijk, worden tot in detail uitgewerkt en strikt nageleefd. Er kan – in theorie – niet van af geweken worden. Dat gaat natuurlijk niet, zeker niet als ze zijn geformuleerd in een voor halachische godsdiensten typische stijl: “als iemand…, dan moet…”. De noodzaak de regels aan de praktijk aan te passen is in halachische godsdiensten dus behoorlijk dringend. De methode die daarvoor wordt gebruikt, is wat halachische godsdienste typisch halachisch maakt.

Casuistiek (als… dan…) en discussie zijn daarbij vormende principes, in combinatie met het serieus nemen van elk denkbaar probleem en het formuleren van steeds meer extra regels die reeds bestaande regels nader specificeren en aan banden leggen. Incidenteel wordt daarbij een kwestie benaderd vanuit een totaal niet voor de hand liggende hoek. Zo slagen halachische godsdiensten erin om – via wat wij ervaren als een omweg – bepaalde regels van hun scherpe kanten te ontdoen of zelfs volledig buiten spel te zetten.

Een Franciscaner broeder wordt door een Jezuïet rondgeleid bij zijn bezoek aan hun klooster. De Franciscaan reageert geschokt als hij ziet dat de Jezuïeten roken tijdens het bidden: “Daar hebben wij speciaal toestemming voor gevraagd aan de paus, en die werd geweigerd!”
“O,” antwoordt de Jezuïet, “maar wij hebben toestemming gevraagd om tijdens het roken te bidden.”

Dit verhaal wordt verteld als een grap, meer in het bijzonder om te illustreren wat met het woord ‘Jezuïtisch’ bedoeld wordt: huichelachtig, farizees, geveinsd, hypocriet, schijnheilig en meer van dat soort fraais. Toch is het ook een bijzonder goed – en komisch – voorbeeld van hoe halachische godsdiensten werken.

Ook buiten de religieuze sfeer is deze halachische benadering te vinden, zoals in het Romeins recht waar een geval bekend is van een rijke die meende zijn arme, zieke buurman te kunnen treiteren door de dure vis te bakken die zijn buurman beter kon maken, maar niet kon betalen. Toen de arme man alleen al van de geur beter werd, probeerde de rijke hem tot betaling voor geleverde medische diensten te dwingen bij de rechter. Die rechter gelastte de arme man het geld te brengen. Toen de rijke het geld wilde aanpakken, belette de rechter hem dat met de uitspraak: “Gedaagde heeft de vis alleen maar mogen ruiken, eiser mag het geld daarvoor alleen zien.”

Op vergelijkbare wijze is in het jodendom de straf voor de ongehoorzame zoon  – steniging – kaltgestellt en onlangs bleek dat dat oorspronkelijk ook in de islam gebeurd is met dezelfde straf, zij het in dit geval wegens overspel. Ik blogde eerder ook al eens over de creatieve manier waarop een Spaanse moslimjurist een afvallige voor de doodstraf wist te behoeden: door geen termijn te stellen aan het zoeken van getuigen voor de verdediging en daardoor het proces in feite voor onbepaalde tijd te verdagen.

Dat zijn typisch halachische oplossingen die in het westen niet altijd goed begrepen worden, of ervaren worden als grap. Dat is ook logisch. De volgelingen van die grappenmaker uit Nazareth hebben aan de halacha een enorme zwaai gegeven met verfrissende uitspraken als ‘wie zonder zonde is, werpe de eerste steen’ en ‘de mens is er niet voor de wet, maar de wet is er voor de mens’. Die christelijke achtergrond heeft doorgewerkt in de westerse cultuur en is met de secularisatie behouden gebleven. Daardoor werden uiteindelijk de ‘geest van de wet’ en ‘de bedoeling van de wetgever’ in onze cultuur belangrijker als leidend principe. Het maakte het mogelijk al te rigide of achterhaalde regels veel gemakkelijker terzijde te schuiven.

De zin van deze manier van aanpakken is voor de meeste mensen zó evident dat hij wereldwijd navolging gevonden heeft, zowel in het westen als in de islamitische wereld. Ook zij die een godsdienst aanhangen die van oorsprong halachisch is in theorie, volgen dat in de dagelijkse praktijk niet altijd meer. Want halacha is specialistenwerk en gewone gelovigen – die wel wat anders aan hun hoofd hebben – doen daar niet aan.

Zo maakte onlangs Hassnae Bouazza zich enorm kwaad over een uitspraak van Ibrahim Wijbenga – bestuurslid van een islamitische begrafenisvereniging – over de begrafenis van de onlangs overleden islamitische feministe Fatima Mernissi. Die begrafenis werd bijgewoond door vrouwen en dat is onder moslims niet gebruikelijk. Wijbenga had daarover iets gezegd in de trant van: vrouwen mogen wel bij een begrafenis zijn, als ze maar ‘op gepaste afstand’ bleven.

Dat was in het verkeerde keelgat van Bouazza die deze opmerking opvatte een belediging voor en als discriminatie van vrouwen. Volkomen terecht als je het vanuit westers en geseculariseerd perspectief bekijkt. Maar vanuit halachisch perspectief biedt Wijbenga juist een uitweg: halachisch gezien kan er aan de regel dat vrouwen weg moeten blijven van een begrafenis niets worden gedaan. Maar aangezien vrouw en begrafenis zich altijd op enige afstand van elkaar bevinden, wordt dat gepreciseerd naar ‘gepaste afstand’ en dan ben je eruit. Een ‘gepaste afstand’ heeft namelijk exact dezelfde lengte als ‘een eind touw’.

Wijbenga’s enige fout is dat hij er dát niet even uitbundig bij heeft uitgelegd. Dan was hij wellicht voor Jezuïet uitgescholden, maar de mens- en vrouwvriendelijkheid van zijn opmerking was tenminste niet zo onderbelicht gebleven.

Geplaatst in Religie | Tags: , | 5 reacties

Nachtmis

PaAanOrgel_VincentWilkeEDMijn vader heb ik nooit anders gekend dan als een diepgelovige katholiek, een vertegenwoordiger van wat zo mooi – maar ook een beetje betekenisloos – de ‘middenorthodoxie’ wordt genoemd. Hij was van ’26 en had de periode van ‘het Rijke Roomsche leven’ dus volop meegemaakt, inclusief de incidentele donderpreek. Hij vertelde daar wel eens over. Dat de nachtmis van Kerstmis zó druk was dat er buiten op het kerkplein – geheel in de sfeer van Kerst – vechtpartijen uitbraken. Dat mensen die voorin de kerk flauwvielen, liggend, over de opgestoken handen van de overige kerkgangers, naar achteren werden doorgegeven omdat er in de paden geen loopruimte meer was. Later zijn ze dat crowdsurfing gaan noemen.

Over donderpreken had hij ook een verhaal. Pastoors in die tijd waren niet altijd even origineel bij de predicatie. Er waren preken in omloop die op zondag vrolijk werden geplagieerd door de pastoor of kapelaan over wie de Geest niet zo vaardig was geweest als over sommige collega’s. Eén donderpreek ging over kerkbezoekers die naar de kerk gingen voor de sfeer of om naar de muziek te luisteren. Dat werd ernstig veroordeeld: naar de mis kwam je voor de viering der H. Eucharistie, het Woord des Heren, de Boodschap van het Evangelie en – niet te vergeten – de Leer der Heilige Moederkerk. Wie naar de H. Mis kwam voor de muziek, had niet de juiste intentie.

Mijn vader had die preek meermaals gehoord en vertelde ons dat hij al als kind niet begreep waar al die bezwaren van de eerwaarde over gingen. Let wel: hij was het niet eens of oneens met wat meneer pastoor beweerde, hij begreep werkelijk niet waar de beste man het over hád.

Want voor mijn vader was het – al in zijn kinderjaren – volkomen duidelijk dat Gods woord, het evangelie, ja zelfs wat de kerk daarover te vertellen had ook te beluisteren was in de sfeer, de rituelen, de liturgie en de muziek. Dat sommige gelovigen dat kennelijk ontging, deed aan dat feit niets af. Volgens hem moesten mensen dus vooral wél naar de mis komen als ze dat voor de muziek wilden doen, wie weet wat ze ervan oppikten. Het zal u niet verbazen dat mijn vader even verderop in zijn leven besloot musicus te worden, meer speciaal: organist en kerkmusicus.

Vanavond zitten de kerken weer vol. Eénmaal per jaar is dat het geval en het aantal kerkgangers dat er slechts die ene keer per jaar zit omdat ze het gevoel hebben dat hun Kerst niet compleet is zonder, of om toch nog eens die kerstsfeer van vroeger te proeven, is ieder jaar weer groter. Kerken beginnen hun Kerstnachtmis tegenwoordig vaak met een korte uitleg over wat de mensen eigenlijk te wachten staat. Dat is doorgaans vlak na de instructies die vanwege de brandweer moeten worden gegeven.

Kerken zijn zich dus bewust van de wat aparte samenstelling van hun bezoek vannacht en voor wie zich bezwaard voelt over de vraag of het wel pas geeft om er alleen voor de muziek of de sfeer heen te gaan: gewoon gaan. Mijn vaders zegen heeft u.

Geplaatst in Geschiedenis, Religie | Tags: , , | 1 reactie