Tweede Pinksterdag

Dakhaas01

Aan:
Zijne Eminentie Wim kardinaal Eijk

Eminentie,

Uit de schoot van de Heilige Moederkerk roep ik tot u. Doe het toch niet! Ik weet wel dat de Paastijd vijftig dagen duurt en dat Tweede Pinksterdag op de 51e dag valt. Ik weet dat er voor die dag geen enkele schriftuurlijke of theologische rechtvaardiging voorhanden is en dat er dus alles voor te zeggen valt om die dag als vrije dag af te schaffen. U lijkt daar onlangs voor te hebben gepleit. Maar in dit land van volledig doorgeseculariseerde calvinisten interesseert dat niemand ook nog maar ene lor, als ze het al snappen.

In plaats daarvan zou u beter Tweede Kerstdag op kunnen geven. Het gedenken van de Heilige Stefanus, martelaar, met een vrije dag geniet óók geen enkele schriftuurlijke of theologische rechtvaardiging. Zeker niet in een land waar ook de grotere en belangrijker heiligen als de Heilige Nicolaas van Myra, de Heilige Martinus van Tours, de Moeder Gods, de Heilige Jozef, arbeider, de Apostelen en de Heilige Franciscus van Assisi slechts worden bedacht met een anti-racisme-betoging, kinderen die – noodgedwongen ‘s avonds – om snoep komen bedelen, een staking of bezetting, werelddierendag dan wel een gewone werkdag die onopgemerkt voorbijgaat.

De reden voor Tweede Kerstdag zal ik u uitleggen, hij is even eenvoudig als Bartjens: volgens mij valt Tweede Kerstdag slechts vijf maal in de zeven jaar op een werkdag. Terwijl Tweede Pinksterdag – uit de aard der zaak – altijd op een maandag valt. Ongetwijfeld heb ik daar niet exact gelijk mee, maar daar heb ik reageerders voor die me wel op mijn rekenfout zullen wijzen. Hoe het ook zij: u berooft met Tweede Kerstdag werkend Nederland van slechts vijf vrije dagen in zeven jaar, of daaromtrent, maar met Tweede Pinksterdag zijn het zeven vakantiedagen in zeven jaar.

Met Tweede Pinksterdag zijn waarden gemoeid die ook hen die het Pinkstergebeuren niet snappen, lief zijn. Want die volledig doorgeseculariseerde calvinisten hier te lande interesseert één ding wél: de Mammon. Er gaat geen maand voorbij of de baas verklaart tegenvallende cijfers wel met de frase dat ‘er best veel vrije dagen in deze maand zaten’. Alsof het begrip correctiefactor nooit is uitgevonden. Elke dag dat het personeel niet werkt is voor die knakenpoetsers een dag niet geleefd, dus die zijn maar wat blij met die zeven dagen.

Daarom Eminentie: als het dan toch moet, offer dan Tweede Kerstdag op. Het Nederlandsch Proletariaat zal er u dankbaar voor zijn.

Geplaatst in Religie, Samenleving | Tags: , , | 1 reactie

Takfir!

takfir01In Ierland is bijna iedereen katholiek en dat leidt tot een aantal opvallende verschillen met – bijvoorbeeld – Nederlandse katholieken. Zo vertelde een Ierse vriendin me eens dat Ieren hun mede-katholieken zelfs in het allerergste geval op zijn hoogst ‘a bad Catholic’ zullen noemen, maar nóóit ‘not a Catholic’. In Ierse ogen is zo’n opmerking ‘far too Protestant’. Hetzelfde verschijnsel – zonder de verwijzing naar Protestanten – bestaat in de islamitische wereld, waar zo mogelijk een nog groter taboe rust op het benoemen van ongelovigheid bij medemoslims. Daarentegen wemelt het van de ‘niet écht goede moslims’ en de ‘écht niet goede moslims’, maar verder gaat het niet.

Die attitude gaat terug op een uitspraak van de profeet Mohammed himself, die meende dat wanneer de ene moslim de andere uitmaakte voor ongelovige, ten minste één van de twee dat ook daadwerkelijk was. Dat was uiteraard bedoeld als waarschuwing – en wordt ook zo opgevat – ongeveer zoals het Nederlandse gezegde dat wanneer je met één vinger naar een ander wijst er drie vingers naar jezelf wijzen. Of de mop van die balk en die splinter natuurlijk. Die Mohammed was geen domme jongen: een gemeenschap die zich voorzichtig onthoudt van al te scherpe uitspraken aangaande de geloofsopvattingen van de groepsgenoten heeft in ieder geval één machtig middel om haat te zaaien effectief kaltgestellt.

Dat kaltstellen moet – om goed te werken – wel gebaseerd zijn op een gedeeld ‘vertoog': zowel beoordelaars als beoordeelden moeten dezelfde visie delen op wat een echte gelovige nu eigenlijk is en wat niet. De maat waarnaar men zou kunnen oordelen – maar waarnaar men dat idealiter niet doet – wordt door iedereen onderschreven. Zo komt het dat het bepaald niet lastig is om moslims te vinden die ook zichzelf zullen onderbrengen in de grote groep ‘niet écht goede’ tot ‘écht niet goede’ moslims. Dat geldt zelfs voor moslims die bij nadere ondervraging blijken helemaal niet tekort te komen in de naleving van bepaalde voorschriften, maar die er ook daadwerkelijk geen snars van geloven.

Geen wonder dat er in het westen nog steeds onderzoekers rondlopen die hetzelfde idee verkondigen: er bestaat zoiets als ‘islam’, waarvan je de inhoud redelijk betrouwbaar kunt vaststellen en reëel existerende moslims voldoen in meerdere of mindere mate aan dat ideaal. Er zijn met andere woorden goede en minder goede tot slechte moslims. Het sluit perfect aan bij wat je in de islamitische wereld zelf kunt horen. Mijn goede vriend Jona geeft hier een feilloze analyse van het resultaat: essentialisme of – nog mooier – ontologisch holisme. Maar in werkelijkheid gaan er achter die (zelf)benoemde ‘niet écht goede’ moslims mensen schuil die een griezelig breed scala aan opvattingen kunnen huldigen die hier te lande niet anders dan in heel veel verschillende denominaties ondergebracht kunnen worden.

U heeft bij het lezen van al het bovenstaande waarschijnlijk al enkele keren de wenkbrauwen gefronsd. Elkaar voor ongelovigen uitmaken, moslims doen toch niet anders? Van Ayaan Hirsi Ali die op de nationale televisie voor murtad (afvallige) werd uitgemaakt tot de Vorst der Gelovigen en zijn rebellenclub die allen die hen onwelgevallig zijn tot kafir (ongelovige) benoemen en dan ook maar meteen een kopje kleiner maken? U heeft het in de krant vaak genoeg gelezen. Zó vaak dat u zelfs de Arabische naam voor de procedure wellicht kent: takfir – iemand voor ongelovige uitmaken.

En toch is takfir een uitzondering: een zonde die regelrecht ingaat tegen wat de profeet in hoogsteigen persoon leerde. Takfir is een hobby van radicalen binnen de islam: Kharidjieten zijn ermee begonnen: lieden die zó overtuigd achter de claim van Ali op de post van kalief stonden, dat ze hem uiteindelijk hebben vermoord omdat hij niet hard genoeg zijn best deed. Verderop in de geschiedenis komt het nog een paar keer voor met als voorlopig hoogtepunt salafisten en hun grootste medestanders: westerse islamcritici. Maurits Berger wijst er in deze blogpost fijntjes op hoezeer die twee op elkaar lijken. Hij is trouwens niet de eerste.

Berger heeft in zijn blogpost één zin opgenomen die zó listig is geformuleerd, dat hij inhoudelijk volkomen waar is, maar toch een beetje de verkeerde indruk geeft:

De islam is meer dan dertien eeuwen oud, maar de eerste zelfmoordaanslag die in naam van de islam veel slachtoffers wilde veroorzaken bij de vijand, dateert van 1983: de aanslag van Hezbollah op de Amerikaanse ambassade in Beiroet.

De eerste zelfmoordaanslagen door moslims dateren bij mijn weten uit de tijd van de kruistochten: de Assassijnen zijn er beroemd mee geworden en hebben zelfs hun naam gegeven aan het Franse en Engelse begrip voor ‘moordenaar’ tout court. Ook de Assassijnen waren zo’n extreme afsplitsing: volgelingen van een in de opvolging gepasseerde troonpretendent binnen het Fatimidenkalifaat, dat op zijn beurt binnen de Sji’ietische islam de Ismailische tak vertegenwoordigde, genoemd naar ene Ismail, een eveneens in de opvolging gepasseerde (zevende) imam van de Sji’ieten.

Maar Berger heeft technisch gesproken wel gelijk: de Assassijnen pleegden gerichte politieke moordaanslagen op één of enkele personen, die direct verantwoordelijk waren voor het weerstreven van hun politieke doelen. Massamoord op burgers – wier verantwoordelijkheid alleen kan worden aangetoond met behulp van lange en vergezochte redeneringen – stamt pas van later.

Geplaatst in Religie, Samenleving | Tags: , , | 2 reacties

Bed Bad Brood

BedBadBrood

De armen niet laten delen in uw eigen bezittingen is hen bestelen en hen beroven van het leven. Wat we bezitten is niet ons eigendom, het is het hunne.

Wanneer wij aan de armen de voor hen onmisbare goederen bezorgen, zijn dat geen bewijzen van onze persoonlijke vrijgevigheid; we geven hun immers slechts wat hun toekomt.

Aan het woord zijn hier niet Pierre-Joseph Proudhon, de radicale filosoof die de uitspraak ‘eigendom is diefstal’ muntte, en evenmin Karl Marx in zijn meest radicale bui. Deze citaten zijn van niemand minder dan de heiligen Johannes Chrysostomos en paus Gregorius de Grote. Beide heren worden met instemming geciteerd in de Katechismus van de Katholieke Kerk, een bijzonder saai geloofsleerkundig werk uit de late jaren negentig, onder het hoofdstuk over het zevende gebod: ‘gij zult niet stelen’.

Johannes Chrysostomos leefde in de vierde eeuw, Gregorius de Grote in de zesde. De katechismus citeert nog wat andere heiligen uit de periode tussen deze twee heren en de katechismus zelf en levert zo een weliswaar kort, maar duidelijk beeld over hoe de katholieke kerk denkt over eigendom en diefstal: wie genoeg te eten heeft, terwijl zijn naaste omkomt van de honger, begaat een misdrijf: diefstal.

De gedachte achter die opruiende taal is een even eenvoudige als bijbelse: God heeft – in het bijbelboek Genesis – de aarde aan de hele mensheid geschonken. Daarmee is het primaire doel van alle goederen gegeven: het dient in de eerste plaats ten goede te komen aan de mensheid als geheel. Privé eigendom – dat voor het individuele welzijn nuttig en dienstig is en daarom moet worden gerespecteerd – dient altijd ondergeschikt te blijven aan dat ene universele doel. Een eigenaar is rentmeester. Bij strijdigheid is de conclusie dan ook helder:

Er is geen sprake van diefstal, als men de toestemming van de eigenaar kan veronderstellen, of als de weigering ingaat tegen de redelijkheid en tegen de universele bestemming van de goederen. Dit is het geval bij een dwingende en klaarblijkelijke noodtoestand, waarbij het enige middel om te voorzien in onmiddellijke en essentiële behoeften (voedsel, kleding, huisvesting) erin bestaat te beschikken over en gebruik te maken van de goederen van derden.

Ik ben zelf van katholieke huize. Mijn ouders hebben hetzelfde radicale gedachtengoed ook aan mij overgedragen: wie niet anders kan overleven dan door een brood te stelen, mag stelen. In het geval van mijn ouders was het zelfs nog erger: wie de zorg heeft voor mensen die afhankelijk van hem zijn, kleine kinderen bijvoorbeeld, heeft in zo’n geval zelfs de plicht om te stelen.

Zo ver ging monseigneur Muskens – zaliger nagedachtenis – in 1996 niet. Hij stelde slechts dat een arme het recht had een brood te stelen als hij niet op een andere manier in zijn levensonderhoud kon voorzien. Ik verbaasde me destijds over de politiek die als één man over hem heen viel en schande sprak van een uitspraak waarvan de heren politici toch konden weten dat die al eeuwen onveranderlijk de ronde deed, al moet ik bekennen dat ik niet weet of de Reformatie misschien een einde gemaakt heeft aan deze Roomsche gekkigheid en de Calvinisten hier te lande gewoon niet wisten wat zij deden.

Als katholiek opgevoed jongetje denk ik de laatste weken vaak aan Tiny Muskens. Ik mis hem. En soms vraag ik me af of hij van daarboven de politici van dienst niet op wonderlijke wijze tot andere gedachten zou kunnen brengen, de schijn van menselijkheid is al voldoende. Volgens mij is daar een wonder voor nodig en ik beloof dan ook plechtig dat als mijn gebed wordt verhoord, ik één en ander aanhanging zal maken bij de daartoe bevoegde authoriteiten.

Geplaatst in Bijbel, Politiek, Religie, Samenleving | Tags: , , , | 4 reacties

Romeinenweek

MilitesJonaEtRichardEr bestaat een grapje onder mijn vakbroeders dat er drie soorten archeologen bestaan: Prehistorici, Romeinen en Middeleeuwers. Prehistorici doen onderzoek naar periodes waar zó weinig van overgebleven is, dat ze er nauwelijks een touw aan vast kunnen knopen. Wat ze aan bronnen en materiaal missen, vullen ze aan met theoretische beschouwingen, het zijn de denkers in het vak. Middeleeuwers hebben juist weer veel te veel materiaal en vindplaatsen. Dat zijn de harde werkers, de doordouwers, maar ook de joviale vrolijke drinkers, zeg maar: de koperblazers van het orkest. Romeinse archeologen daarentegen zijn – u had het kunnen raden – slechts geïnteresseerd in één ding: macht.

Deze grap dateert van vóór de invoering van de nieuwe monumentenwet, waarna het landschap in de Nederlandse archeologie drastisch wijzigde, maar toen ik hem voor het eerst hoorde, zaten er inderdaad opvallend veel Romeins archeologen in bestuursfuncties binnen het vakgebied. Theoretici vindt je nog steeds in meerderheid onder prehistorici en Middeleeuwers zijn nog steeds een prettig slag apart. Al ken ik maar één archeoloog die geen bier lust en geen enkele die niet drinkt. Maar dat alles terzijde.

Romeinen en macht, en dan vooral: Romeinen en het militair gebeuren. Ik was er al jaren geleden een beetje op uitgekeken, terwijl ik zelf nota bene Romeins archeoloog ben. Altijd maar weer die marcherende Michelinmannetjes, de uitleg over de noppen onder de soldatensandaal, de trieste anekdote over die ene uitgegleden soldaat op het tempelplein in Jeruzalem, dat je met een pilum het schild van je tegenstander kunt uitschakelen. Ja ja, we weten het nu wel…

Dus ik was eigenlijk helemaal niet van plan over de Romeinenweek te bloggen, tot mijn goede vriend Jona me er een vraag over stelde en me de link naar de website van het hele gebeuren toespeelde. Wat blijkt? Er is inmiddels heel wat veranderd in het reenactment-gebeuren. Van 2 tot en met 10 mei (dat is iets meer dan een week volgens Bartjens) staat half Nederland in het teken van Romeinen.

Op de website zijn nog steeds veel militaria te zien, maar wie wat verder kijkt, ziet dat er inmiddels een heleboel civiele reenactment bij gekomen is. In de lespaketten zitten Romeinse recepten. Er varen Romeinse vrachtschepen rond ( en u kunt mee). Een reisgezelschap reist in een Romeinse wagen langs de voormalige Rijksgrens, de Limes, die midden door het land loopt. Er zijn kinderactiviteiten door het hele land en Moederdag wordt gevierd op fort Wierickerschans. Ik link er even allemaal niet naar: waart u rustig even zelf rond op de website van de Romeinenweek, u vindt er van alles. Er is zelfs Limes-bier!

Toen ik dat las, besloot ik toch maar even onbeschaamd reclame te maken…

Geplaatst in Geschiedenis, Wetenschap | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Rouwpost

RouwenveloppeOoit was er een tijd dat 99% van alle post de volgende werkdag werd bezorgd. En als werkdag gold ook de zaterdag, ja zelfs de maandag. De post was toen nog – God forbid! – in handen van de Staat. Dat was niet zo heel lang voordat de zegeningen van het liberalisme en de privatisering over ons land neerdaalden.

Vorige week maandag overleed de moeder van een goede vriendin van me. De volgende dag gingen de rouwkaarten op de post. Vrijdagochtend lag het voor ons bedoelde overlijdensbericht op de deurmat. Mijn vrouw – die gelukkig nog thuis was – belde me op mijn werk op om me te waarschuwen dat de begrafenis diezelfde middag was. Ik was nog nét op tijd genoeg om op mijn werk een bedrijfsauto voor privégebruik te regelen en een paar uur onverwacht vrij te nemen. Gelukkig lagen ook mijn privé-kilometers dit jaar nog ruim onder de 500. Twee opdrachtgevers waren flexibel genoeg om een dag langer te wachten op de hun beloofde rapportages.

Zo hoefde ik alleen nog maar uit te leggen waarom ik in legerbroek en slobbertrui op een begrafenis verscheen, maar ik wás er tenminste. Met dank aan PostNL, die – godbetert – rouwpost nog steeds met voorrang behandelt.

Ooit was er een tijd dat 99% van alle post de volgende werkdag werd bezorgd en er zal ooit een tijd komen dat ik dat aan mijn kinderen vertel. Tegen die tijd zullen zij voldoende zijn opgeleid om papa’s mijmeringen over de-tijd-toen-alles-beter-was onmiddellijk thuis te kunnen brengen in de categorie waarin het hoort. Ze zullen het herkennen als verhalen van anderhalve generatie geleden, als propagandapraatjes uit de tijd dat mensen nog links waren, als opgeklopte statistieken uit de doos waaruit ook de verkiezingsuitslagen van de DDR en Noord-Korea kwamen.

Geplaatst in Samenleving | Tags: , | 2 reacties

Quasimodo

QuasimodoDe Disney-film over de beroemdste klokkenluider ter wereld heeft u vast wel gezien, of anders wel één van die andere klassiekers. Mocht u zich ooit afgevraagd hebben waar zijn toch wat zonderlinge naam vandaan kwam, dan heeft u vanochtend de kans gemist die aan te horen.

De latere klokkenluider werd op Beloken Pasen – dat is de eerste zondag na Pasen, vandaag dus – door zijn adoptiefvader gevonden bij de Notre Dame te Parijs, aldus het verhaal van de Franse schrijver Victor Hugo. In de Middeleeuwen kwam het wel voor dat pasgeborenen de ‘naam’ van de dag kregen. Dagen, en vooral zondagen, werden vaak genoemd naar het eerste woord, of de eerste woorden van het eerste gezang dat tijdens de mis van die dag werd gezongen, het gregoriaanse introitus, het ‘intredegezang’.

Zo bestaan tot op heden de ‘zondag Laetare‘ en ‘zondag Gaudete‘ nog, zelfs in protestantse kerken. Het zijn respectievelijk de vierde zondag van de vastentijd (‘halfvasten’) en de derde zondag van de advent, de vier weken voorafgaand aan Kerstmis. Beide namen zijn de beginwoorden van het introitus en ze betekenen beide ‘verheugt u’. Als je niks beters kunt verzinnen, geen slechte keus voor een naam. De beginwoorden van de introitus van Beloken Pasen echter zijn quasi modo en dat is als naam een wrange grap: het betekent ‘zoals’.

Quasi modo geniti infantes, alleluia: rationabiles, sine dolo lac concupiscite, alleluia, alleluia, alleluia.

Zoals pasgeboren kinderen, verlangt naar de redelijke, zuivere melk (van het Woord; 1Petrus 2:2)

De tekst van dit gregoriaanse gezang wijkt op een aantal punten af van de tekst zoals u die zult aantreffen in de standaard vertaling van het Nieuwe Testament in het Latijn: de Vulgaat. Om te beginnen zijn er een aantal ‘alleluia’s’ tussen de tekst gezet, speciaal voor het gezang. Maar ook zonder die invoegingen, die hierboven in de vertaling zijn weggelaten, wijkt de tekst af.

sicut modo geniti infantes rationale sine dolo lac concupiscite (Stuttgarter Editie/Nova Vulgata)

sicut modo geniti infantes rationabile sine dolo lac concupiscite (Clementijnse Editie)

In het tekstkritisch apparaat van de Vulgaat zult u naast rationale en rationabile ook nog rationales en rationabiles (als in het gezang) aantreffen, maar het grootste verschil wordt gevormd door de beginwoorden: sicut modo in plaats van quasi modo.

Dat verschil komt doordat de gregoriaanse gezangen gebaseerd zijn op veel oudere Latijnse vertalingen dan de Vulgaat. Die oudere teksten werden al gezongen voordat de Vulgaat werd gemaakt. Vulgaat en oudere vertalingen in het Latijn zijn zo eeuwenlang naast elkaar gebruikt. Pas in de zestiende eeuw werd bepaald dat alleen de Vulgaat als basistekst kon worden gebruikt.

Desalniettemin waren de gregoriaanse gezangen toen al zo stevig gevestigd in de cultuur van de katholieke kerk dat oudere vertalingen zich moeiteloos in de liturgie hebben gehandhaafd, zij het in de niche van het gezang. Wie tegenwoordig een tekstkritische editie openslaat van de Vetus Latina – die oudere vertalingen – vindt daarin niet alleen verwijzingen naar oude Latijnse bijbels, maar ook naar de oudste gezangboeken van het gregoriaans die we kennen, uit de negende eeuw.

Meerdere tekstversies bestonden eeuwenlang gewoon naast elkaar, zonder dat ooit één geletterde – dat wil zeggen: het Latijn machtige – zanger of theoloog daar moeite mee had.

Geplaatst in Bijbel, Erfgoed, Religie | Tags: , , , | 3 reacties

Pim

SmilingChinese

Er zijn weinig mannen waar ik zoveel van geleerd heb als van Pim. Pim was ingehuurd door mijn baas om ons een cursus communicatie te geven. Dat bleek een wat aspecifieke aanduiding van wat uiteindelijk heel specifiek een verkooptraining bleek. Daar heb ik ook wel wat van opgestoken, maar Pim zélf, die was pas echt leerzaam.

Pim was van het type: nét iets te enthousiast en nét iets te amicaal. Het ging slechts om een fractie verschil, maar je merkt zoiets meteen. U kent ze wel, een bepaald slag managers kan er ook zo’n last van hebben. Maar hoewel het wel wat aanpassing vraagt van het lijdend voorwerp om normaal te reageren op iemand die je nét iets te vaak en onnodig bij je voornaam noemt, is daar nog wel – na enige oefening – prima mee om te gaan.

Andere eigenaardigheden van Pim bleken lastiger. Als je met hem in gesprek was, had je voortdurend het idee dat het gesprek niet helemaal normaal verliep. Je kon er de vinger niet op leggen, maar er was iets dat je ongemakkelijk in je stoel deed schuiven. Pas aan het einde van het gesprek realiseerde je je dat Pim de conversatie de hele tijd had zitten sturen om bij een conclusie aan te komen die hij vooraf al had bedacht. Dat is al irritant genoeg, maar wat gebeurde er nu precies tijdens het gesprek? Waar merkte je aan dat er wat loos was?

Het vergde enige reflectie achteraf om daar een zinnig antwoord op te formuleren, maar toen dat er eenmaal was, bleek Pim een grootmeester. Het komt erop neer dat wie reageert op iets wat iemand zegt, daarin een zekere keuzebreedte heeft. Reacties kunnen variëren, van humoristisch tot ernstig bijvoorbeeld, of van vragend tot stellend, ik noem maar wat.

Aan de extreme zijden van dat spectrum aan mogelijke reacties zitten de antwoorden die onmiddellijk ervaart als ‘raar’, die op de één of andere manier ‘niet kunnen’. Binnen zekere grenzen is echter alles min of meer normaal. Een zich gewoon ontwikkelend gesprek bestaat dus uit reacties en antwoorden die steeds binnen die grenzen van ‘normaliteit’ liggen, of binnen de grenzen van wat je normaal gesproken aan reacties zou kunnen verwachten.

Pim nu bleek zich keurig aan die ongeschreven regels te kunnen houden, maar wist toch bij elke individuele uitwisseling een reactie te geven die vlak in de buurt lag van zo’n grens. Hij ging er niet overheen, maar zat er consequent tegenaan. De regelen der statistiek schrijven voor dat dat zo af en toe kan gebeuren in een conversatie, maar niet te vaak. Bij een consistente afwijking zit er opzet achter en daar ging je je enorm ongemakkelijk bij voelen, ook al had je het mechanisme pas achteraf in de gaten.

Het knappe van Pim was dat hij zijn truc kon blijven toepassen, ook al wist je hoe het werkte. Op de één of andere manier leidde begrip van het werkingsmechanisme namelijk niet noodzakelijk tot een beter inzicht in waar hij met het gesprek heen wilde. En dat had je wel nodig om overeind te blijven.

Er was één uitzondering: in bepaalde gesprekken vuurde hij kort op elkaar een serie vragen op je af die zó waren gesteld dat je er onmogelijk iets anders dan ‘ja’ op kon antwoorden. Aan het einde van zo’n serie kwam dan altijd een vraag die zó nauw aansloot op al je eerdere ‘ja’s’ dat je ook daar onmogelijk iets anders op kon zeggen dan ‘ja’ en dan hing je. Alleen als je in staat was het gesprek terug te spoelen en razendsnel na te denken, kon je je tijdens het gesprek zelf nog realiseren dat je – achteraf bezien – op ‘ja’ nummer drie of vier beter ‘nee’ had kunnen antwoorden. Meestal komt die realisatie natuurlijk pas achteraf als je de rust hebt gehad om even na te denken.

Maar zo’n serie ‘ja’-vragen kon je natuurlijk wel herkennen. En ook al wist je niet waarom je op een willekeurige vraag ‘nee’ zou willen antwoorden – je had de laatste vraag immers nog niet gehad – je kon wel proberen snel iets te verzinnen en als ook dat niet lukte, kon je gewoon zeggen: ‘Geen idee, maar ik wilde dat ‘ja’-ritme van je even doorbreken en tijd hebben om zélf na te denken.’

SmilingSales02Helaas heb ik die truc nooit in de praktijk kunnen brengen. Pim – ik zei al dat het een grootmeester was – had zijn verkoopcursus precies kort genoeg gemaakt.

Geplaatst in Samenleving | Tags: , , | 2 reacties