Quasimodo

QuasimodoDe Disney-film over de beroemdste klokkenluider ter wereld heeft u vast wel gezien, of anders wel één van die andere klassiekers. Mocht u zich ooit afgevraagd hebben waar zijn toch wat zonderlinge naam vandaan kwam, dan heeft u vanochtend de kans gemist die aan te horen.

De latere klokkenluider werd op Beloken Pasen – dat is de eerste zondag na Pasen, vandaag dus – door zijn adoptiefvader gevonden bij de Notre Dame te Parijs, aldus het verhaal van de Franse schrijver Victor Hugo. In de Middeleeuwen kwam het wel voor dat pasgeborenen de ‘naam’ van de dag kregen. Dagen, en vooral zondagen, werden vaak genoemd naar het eerste woord, of de eerste woorden van het eerste gezang dat tijdens de mis van die dag werd gezongen, het gregoriaanse introitus, het ‘intredegezang’.

Zo bestaan tot op heden de ‘zondag Laetare‘ en ‘zondag Gaudete‘ nog, zelfs in protestantse kerken. Het zijn respectievelijk de vierde zondag van de vastentijd (‘halfvasten’) en de derde zondag van de advent, de vier weken voorafgaand aan Kerstmis. Beide namen zijn de beginwoorden van het introitus en ze betekenen beide ‘verheugt u’. Als je niks beters kunt verzinnen, geen slechte keus voor een naam. De beginwoorden van de introitus van Beloken Pasen echter zijn quasi modo en dat is als naam een wrange grap: het betekent ‘zoals’.

Quasi modo geniti infantes, alleluia: rationabiles, sine dolo lac concupiscite, alleluia, alleluia, alleluia.

Zoals pasgeboren kinderen, verlangt naar de redelijke, zuivere melk (van het Woord; 1Petrus 2:2)

De tekst van dit gregoriaanse gezang wijkt op een aantal punten af van de tekst zoals u die zult aantreffen in de standaard vertaling van het Nieuwe Testament in het Latijn: de Vulgaat. Om te beginnen zijn er een aantal ‘alleluia’s’ tussen de tekst gezet, speciaal voor het gezang. Maar ook zonder die invoegingen, die hierboven in de vertaling zijn weggelaten, wijkt de tekst af.

sicut modo geniti infantes rationale sine dolo lac concupiscite (Stuttgarter Editie/Nova Vulgata)

sicut modo geniti infantes rationabile sine dolo lac concupiscite (Clementijnse Editie)

In het tekstkritisch apparaat van de Vulgaat zult u naast rationale en rationabile ook nog rationales en rationabiles (als in het gezang) aantreffen, maar het grootste verschil wordt gevormd door de beginwoorden: sicut modo in plaats van quasi modo.

Dat verschil komt doordat de gregoriaanse gezangen gebaseerd zijn op veel oudere Latijnse vertalingen dan de Vulgaat. Die oudere teksten werden al gezongen voordat de Vulgaat werd gemaakt. Vulgaat en oudere vertalingen in het Latijn zijn zo eeuwenlang naast elkaar gebruikt. Pas in de zestiende eeuw werd bepaald dat alleen de Vulgaat als basistekst kon worden gebruikt.

Desalniettemin waren de gregoriaanse gezangen toen al zo stevig gevestigd in de cultuur van de katholieke kerk dat oudere vertalingen zich moeiteloos in de liturgie hebben gehandhaafd, zij het in de niche van het gezang. Wie tegenwoordig een tekstkritische editie openslaat van de Vetus Latina – die oudere vertalingen – vindt daarin niet alleen verwijzingen naar oude Latijnse bijbels, maar ook naar de oudste gezangboeken van het gregoriaans die we kennen, uit de negende eeuw.

Meerdere tekstversies bestonden eeuwenlang gewoon naast elkaar, zonder dat ooit één geletterde – dat wil zeggen: het Latijn machtige – zanger of theoloog daar moeite mee had.

Geplaatst in Bijbel, Erfgoed, Religie | Tags: , , , | 3 reacties

Pim

SmilingChinese

Er zijn weinig mannen waar ik zoveel van geleerd heb als van Pim. Pim was ingehuurd door mijn baas om ons een cursus communicatie te geven. Dat bleek een wat aspecifieke aanduiding van wat uiteindelijk heel specifiek een verkooptraining bleek. Daar heb ik ook wel wat van opgestoken, maar Pim zélf, die was pas echt leerzaam.

Pim was van het type: nét iets te enthousiast en nét iets te amicaal. Het ging slechts om een fractie verschil, maar je merkt zoiets meteen. U kent ze wel, een bepaald slag managers kan er ook zo’n last van hebben. Maar hoewel het wel wat aanpassing vraagt van het lijdend voorwerp om normaal te reageren op iemand die je nét iets te vaak en onnodig bij je voornaam noemt, is daar nog wel – na enige oefening – prima mee om te gaan.

Andere eigenaardigheden van Pim bleken lastiger. Als je met hem in gesprek was, had je voortdurend het idee dat het gesprek niet helemaal normaal verliep. Je kon er de vinger niet op leggen, maar er was iets dat je ongemakkelijk in je stoel deed schuiven. Pas aan het einde van het gesprek realiseerde je je dat Pim de conversatie de hele tijd had zitten sturen om bij een conclusie aan te komen die hij vooraf al had bedacht. Dat is al irritant genoeg, maar wat gebeurde er nu precies tijdens het gesprek? Waar merkte je aan dat er wat loos was?

Het vergde enige reflectie achteraf om daar een zinnig antwoord op te formuleren, maar toen dat er eenmaal was, bleek Pim een grootmeester. Het komt erop neer dat wie reageert op iets wat iemand zegt, daarin een zekere keuzebreedte heeft. Reacties kunnen variëren, van humoristisch tot ernstig bijvoorbeeld, of van vragend tot stellend, ik noem maar wat.

Aan de extreme zijden van dat spectrum aan mogelijke reacties zitten de antwoorden die onmiddellijk ervaart als ‘raar’, die op de één of andere manier ‘niet kunnen’. Binnen zekere grenzen is echter alles min of meer normaal. Een zich gewoon ontwikkelend gesprek bestaat dus uit reacties en antwoorden die steeds binnen die grenzen van ‘normaliteit’ liggen, of binnen de grenzen van wat je normaal gesproken aan reacties zou kunnen verwachten.

Pim nu bleek zich keurig aan die ongeschreven regels te kunnen houden, maar wist toch bij elke individuele uitwisseling een reactie te geven die vlak in de buurt lag van zo’n grens. Hij ging er niet overheen, maar zat er consequent tegenaan. De regelen der statistiek schrijven voor dat dat zo af en toe kan gebeuren in een conversatie, maar niet te vaak. Bij een consistente afwijking zit er opzet achter en daar ging je je enorm ongemakkelijk bij voelen, ook al had je het mechanisme pas achteraf in de gaten.

Het knappe van Pim was dat hij zijn truc kon blijven toepassen, ook al wist je hoe het werkte. Op de één of andere manier leidde begrip van het werkingsmechanisme namelijk niet noodzakelijk tot een beter inzicht in waar hij met het gesprek heen wilde. En dat had je wel nodig om overeind te blijven.

Er was één uitzondering: in bepaalde gesprekken vuurde hij kort op elkaar een serie vragen op je af die zó waren gesteld dat je er onmogelijk iets anders dan ‘ja’ op kon antwoorden. Aan het einde van zo’n serie kwam dan altijd een vraag die zó nauw aansloot op al je eerdere ‘ja’s’ dat je ook daar onmogelijk iets anders op kon zeggen dan ‘ja’ en dan hing je. Alleen als je in staat was het gesprek terug te spoelen en razendsnel na te denken, kon je je tijdens het gesprek zelf nog realiseren dat je – achteraf bezien – op ‘ja’ nummer drie of vier beter ‘nee’ had kunnen antwoorden. Meestal komt die realisatie natuurlijk pas achteraf als je de rust hebt gehad om even na te denken.

Maar zo’n serie ‘ja’-vragen kon je natuurlijk wel herkennen. En ook al wist je niet waarom je op een willekeurige vraag ‘nee’ zou willen antwoorden – je had de laatste vraag immers nog niet gehad – je kon wel proberen snel iets te verzinnen en als ook dat niet lukte, kon je gewoon zeggen: ‘Geen idee, maar ik wilde dat ‘ja’-ritme van je even doorbreken en tijd hebben om zélf na te denken.’

SmilingSales02Helaas heb ik die truc nooit in de praktijk kunnen brengen. Pim – ik zei al dat het een grootmeester was – had zijn verkoopcursus precies kort genoeg gemaakt.

Geplaatst in Samenleving | Tags: , , | 2 reacties

Perzische charoset

CharosetEn toen kwam ik erachter dat de zeven verplichte ingredienten voor een geslaagde sederavond geen deel meer uitmaakten van het Nederlandse schoolcurriculum. Zelfs Marga Minco’s Het Bittere Kruid – dat iedereen toch voor zijn eindexamenlijst Nederlands leest, zo meende ik althans – bleek na een korte enquete in de vriendenkring niet meer bij iedereen automatisch het juiste belletje te doen rinkelen. Zo wordt het natuurlijk nooit wat met de multiculturele samenleving. Tijd voor actie!

Ik ga hier niet uitgebreid het Joodse Pasen uitleggen, google is your friend zou mijn goede vriend Niall uit Dublin zeggen, en de link hierboven is al een aardig startpunt, maar er is één ding uit het Joodse Pasen dat ik u niet ga onthouden: charoset, een schotel van fruit, wijn en kruiden, waarbij appel het enige echt verplichte onderdeel lijkt te zijn. Dat is het basisrecept waarvan een eindeloze variatie in receptuur bestaat. Het onderstaande recept is een Perzische variant.

25 dadels, ontpit en aan stukjes
1/2 kop amandelen, niet gezouten, fijngestampt
1/2 kop pistachenoten, niet gezouten, fijngestampt
1/2 kop rozijnen
2 appels, ontpit en in stukjes
1 granaatappel
1 sinaasappel, in stukjes
1 banaan, in schijfjes
1 kop druivensap
klein beetje geraspte limoenchil (citroen mag ook, desnoods sinaasappel)
1/4 theelepel cayennepeper
1/2 eetlepel kruidnagel
1/2 eetlepel ketoembar
1/2 theelepel kaneel
1/2 eetlepel peper
1/4 kop ciderazijn

Let erop dat alle specerijen fijngemalen zijn en vooral dat de azijn ook echt ciderazijn is (andere azijn smaakt té anders). Het druivensap en de limoenschil zijn in dit recept een vervanging voor rode port of andere zoete rode wijn, waarvan een halve kop het ook prima doet, maar ik vond een hele tot een smeuiger resultaat leiden. De hoeveelheid specerijen in het oorspronkelijke recept was dubbel zoveel, maar dat vond ik wat al te kruidig worden en vooral: te pedis. Als je hem een dag laat staan, hakt vooral de cayannepeper erin, dus heb ik de specerijen gehalveerd.

De granaatappel is even een kunstje: hier ziet u hoe je hem oordeelkundig van zijn zaden ontdoet: je maakt gebruik van het feit dat een granaatappel intern in zessen verdeeld is en die verdeling kun je aan de buitenkant zien. Rondspattend granaatappelsap laat vlekken achter die je niet makkelijk weer uit je kleren krijgt. Schortje voor dus!

De rest van het recept is eenvoudig: alles bij elkaar gooien! Charoset wordt ook wel als brei geserveerd, dan moet je hem door de mixer halen, maar ik vind persoonlijk een gerecht-met-stukjes veel plezieriger.

Bij een andere gelegenheid post ik nog wel eens mijn theorie dat de zeven ingredienten op de sedertafel zijn afgekeken van de Perzische Haft Sin, de tafel met zeven onderdelen die wordt gezet rond het Perzische nieuwjaar, dat aan het begin van de astronomische lente wordt gevierd (nog niet zo lang geleden dus: het is nu 1394).

Geplaatst in Erfgoed, Religie | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Held

WeineteBitterlichBovenstaande anderhalve maat uit de Matthäus Passion van Johann Sebastian Bach vormt één van de mooiste stukjes muziek uit de westerse culturele traditie: de verteller – die normaal gesproken een vrij rustige en ongecompliceerde reciteermelodie hanteert, gaat hier helemaal uit zijn dak als hij zingt over Petrus die naar buiten loopt en ‘bitter weent’.

Het verhaal is algemeen bekend: Petrus heeft tegen zijn meester Jezus opgeschept dat hij hem desnoods tot in de dood zal volgen, waarop Jezus hem voorspelde dat hij diezelfde dag tot driemaal toe zal ontkennen dat hij Jezus zelfs maar kent, nog voordat de haan kraait.

Niet veel later wordt Jezus opgepakt en voor het gerecht gesleept. Petrus volgt hem en wacht af wat er gaat gebeuren en inderdaad: vroeg in de ochtend kraait de haan en realiseert Petrus zich dat hij intussen exact heeft gedaan wat hem was voorspeld. Het verhaal komt in alle evangelien voor. Bachs versie is die uit het evangelie van Mattheus natuurlijk, en die komt goeddeels overeen met de versie in Johannes.

In de versie van Lucas komt nog een pijnlijk detail voor dat bij de andere schrijvers ontbreekt: tussen het moment dat de haan kraait en het ogenblik dat Petrus zich realiseert wat dat betekent, kijkt Jezus Petrus aan. Ook de evangelist Marcus – de oudste – heeft een afwijkend detail: daarin kraait de haan twee keer: één keer na Petrus’ eerste ontkenning en één keer na zijn laatste. Jezus’ voorspelling luidt bij Marcus dan ook: “nog voordat de haan twee keer kraait.”

Het is een bekende instinker voor een bijbelquiz: hoe vaak kraaide de haan? De meeste mensen zullen “drie keer” zeggen, het ‘correcte’ antwoord is “één keer” en voor de wijsneuzen is er dan nog de kanttekening “maar twee keer volgens Marcus”.

Petrus is dankzij dit verhaal de geschiedenis ingegaan als een lafaard. Ten onrechte. Petrus was een held. Van maar weinig mensen in de bijbel is het temperament zo consistent beschreven als van Simon bar Jona, zoals hij eigenlijk heette. Het was een emotioneel mens die ging voor waar hij in geloofde en die daarbij rücksichtslos heenstapte over de consequenties. Eigenlijk realiseerde hij zich die niet eens: hij ging door roeien en ruiten, punt.

Wanneer zijn meester een keer over water op hem toekomt, twijfelt Petrus geen moment over de beslissing om hem tegemoet te lopen over datzelfde water, om vervolgens bijna te verzuipen als hij ontdekt hoe hoog de golven eigenlijk zijn.

Wanneer zijn meester tijdens een maaltijd zijn leerlingen de voeten wil wassen – een werkje voor vrouwen en slaven – weigert Petrus als enige resoluut, maar als zijn meester hem terecht wijst en zijn bedoelingen uitlegt, slaat hij finaal om en wil hij helemaal door zijn meester gewassen worden. Wat het ook is: Petrus gaat er volledig voor en desnoods verandert hij daarvoor zijn mening stante pede.

Misschien dat hij daaraan wel zijn bijnaam Kefas te danken had – ‘de Rots’ – Petrus in het het Latijn. Nikos Kazantzakis laat er in zijn roman ‘De laatste verzoeking van Christus’ (inderdaad, die van de film), in ieder geval een grap over maken: Petrus verandert zo vaak van mening dat Judas hem gekscherend ‘een rots’ noemt.

Als zijn meester uiteindelijk door de tempelautoriteiten gearresteerd wordt, is het Petrus die met het zwaard probeert in te grijpen en die – alweer – door zijn meester tot de orde geroepen moet worden. Dat het Petrus was die het zwaard hanteerde, wordt alleen bij Johannes vermeld trouwens, andere evangelisten houden het op ‘een omstander’.

Petrus’ karakter komt pas echt uit de verf na die arrestatie. Iedereen laat Jezus in de steek, behalve een groepje vrouwen – niet voor niets het zwakke geslacht – dat in de buurt blijft tot aan het bittere en overbekende eind. Als enige man is daar Petrus. Alleen in het evangelie van Johannes is er ook nog ‘de leerling die Jezus liefhad’, traditioneel gezien als Johannes zelf. Hoe dan ook: de mannen vormden een beschamende minderheid.

Petrus blijft in de buurt om te kijken of hij voor zijn meester nog wat kan betekenen. Een echt plan heeft hij niet, maar je weet nooit. Hij gaat zover als dat mogelijk is mee het hol van de leeuw in, in dit geval het voorportaal van het huis van de hogepriester die het verhoor van de arrestant leidt. Als de versie van Lucas klopt, is hij zelfs zo dichtbij dat Jezus hem vanuit het beklaagdenbankje kan aankijken.

En daar wordt Petrus aangesproken op zijn Galileese accent, een piepklein, onbelangrijk en lullig detail dat hem in verband brengt met de eveneens Galileese verdachte. Nu kan hij niet anders dan improviseren en dan blijkt Het Leven Zelf een stuk ingewikkelder dan hij altijd heeft gedacht. Hij ontkent zijn meester, juist om hem trouw te kunnen blijven. Op de keper beschouwd is de keuze die hij maakt volkomen correct, maar het is niet de keuze die hij zelf zou willen maken.

Petrus’ ontkenning van Jezus is geen lafheid, integendeel: het komt juist voort uit zijn moed, maar diezelfde heldenmoed dwingt hem alles te verraden wat hem tot de mens Simon bar Jona maakt; en dat is – inderdaad – om te janken.

Geplaatst in Bijbel, Kunst | Tags: , , , , , | 1 reactie

Hel (2)

Hell2Het is altijd fijn als je reageerders hebt waar je op kunt vertrouwen. Een tijdje terug postte ik een stukje over de verwondering in de Nederlandse media over het geloof in de hel en stelde daar tegenover dat van alle dingen die gelovigen zoal voor waar kunnen houden, juist de hel het makkelijkst voorstelbaar was. Zowel hier als op Sargasso wezen enkelen erop dat in mijn post geen duidelijk onderscheid gemaakt werd tussen het begrip ‘hel’ als verschijnsel in het hiernamaals en het begrip ‘hel’ als metafoor voor wat mensen elkaar kunnen aandoen. Dat klopt, dat heb ik expres gedaan.

Traditioneel is de hel een behoorlijk heetgestookte plek, al komen in de loop van de Middeleeuwen ook andere nogal fantasievolle straffen voor, die soms tot grote sadistische hoogte zijn uitgewerkt. Ik ben ooit een middeleeuwse tekst tegengekomen waarin één van de hemelse geneugten het aanschouwen van de folteringen van de verdoemden was. Juist die sadistische fantasieën hebben gelovigen er uiteindelijk van overtuigd dat er iets niet helemaal klopte. Hoe groot de boef ook was, iemand eeuwig – en dat is wel wat lang – laten branden, verhield zich niet alleen heel moeilijk met Gods barmhartigheid, maar ook met Zijn rechtvaardigheid.

Aan de onlangs heilig verklaarde paus Johannes XXIII wordt de uitspraak toegedicht dat katholieken gehouden zijn te geloven dat er een hel bestaat, maar niet dat daar ook iemand in zit. Die opmerking ligt nog in het verlengde van het idee dat er weliswaar een hel is waar mensen naar toe gestuurd worden als straf, maar waarvan het nog maar de vraag is of er ook iemand werkelijk voor eeuwig heen gestuurd wordt. Voor katholieken lag deze oplossing ook voor de hand: hun theologen hadden immers het Vagevuur aangebouwd, waar mensen tijdelijk heen gingen die te slecht waren voor de hemel, maar beslist niet slecht genoeg voor de hel.

Van de op dezelfde dag heilig verklaarde paus Johannes Paulus II is de uitspraak (uit 1999) dat de hel de situatie is van mensen die uit vrije wil besloten hebben om te leven zonder God (cursivering van mij) en gezien moet worden als het lijden, de frustratie en de leegheid van een leven dat uit die keuze voortkomt. Daarmee gaf hij een andere ontwikkeling weer, een idee dat ook al veel ouder was: de hel was de keuze van de verdoemde zelf, een uit de hand gelopen gevalletje vrije wil, een keuze die God slechts respecteerde. Ronald Plasterk heeft daar destijds nog een enorm grappige column over geschreven, die zowaar vindbaar bleek op het internet.

Als atheïst meende hij te weten dat het leven zonder God reuze meeviel – qua hel dan – en dat de paus dus feitelijk de hel had afgeschaft. Maar dat was natuurlijk niet wat de Heilige Johannes Paulus II bedoelde. Het is een vooral onder atheïsten (maar niet alleen hen) wijd verbreid misverstand dat atheïsme hetzelfde is als goddeloosheid. Ondanks de taalkundige schijn van het tegendeel, hebben die twee begrippen helemaal niets met elkaar te maken.

Terug naar de ‘hel’ als metafoor voor wat mensen elkaar kunnen aandoen en het verschil met de hel als straf in het hiernamaals. Die twee lijken meer op elkaar dan wel wordt gedacht. Wanneer het woord ‘hel’ wordt gebruikt om aan te geven wat mensen zoal in het hiernumaals te lijden hebben, ben je automatisch geneigd te denken aan het leed van de slachtoffers. Dat is natuurlijk geen verkeerde beeldspraak, maar het is niet wat gelovigen bedoelen met het woord ‘hel’.

De hel is volgens hen namelijk geen plek voor slachtoffers, maar een plek voor daders. En die hel nu bestaat – als ik het goed heb begrepen – niet uit wat de dader zijn slachtoffers aandoet, maar uit wat de dader zichzelf aandoet en misschien ook wel wat daders elkaar aandoen. Ik weet niet wat uw eerste associatie is bij die gedachte, maar als je het mij vraagt, doet die gedachte qua sadisme eigenlijk nauwelijks onder voor de meer instrumentele Middeleeuwse hellefantasieën.

Geplaatst in Geschiedenis, Religie | Tags: , , | 4 reacties

Wiegeliedje

Volgens de titel zou het een Turks wiegeliedje zijn, maar in de commentaren eronder op youtube wordt geprotesteerd: het is Azerbaidjzaans. De beide talen zijn verwant, maar ik heb geen idee hoe ver ze uit elkaar liggen. Misschien kunnen Turken en Azerbaidjzanen elkaar wel gewoon verstaan…

Zo weet ik ook niet wat er gezongen wordt. Er is maar één woord wat ik ken: şirin, een Perzisch woord dat volgens mij in het Turks ook ‘zoet’ betekent. Verder vermoed ik dat həyat het Arabische woord voor ‘leven’ is. Verder kom ik niet, ik ben niet zo van de agglutinerende talen.

Er is maar één reden dat ik dit post: ik vind het prachtig (met dank aan mijn vrouw trouwens, die het liedje vond).

Voor wie wil, hier volgt de tekst:

Şirin şirin yat ay bala
Boya başa çat ay bala
Səndə bir gün öz səsini el
Səsinə qat ay bala
Sənə deyir lay-lay…
Hər ötən quş hər akan çay
Bu gözəl şən anamız vətən
Lay-Lay…

Hər şöhrətim şanım sənsən
Candan ayrı canım sənsən
Nə təmizdir qül nəfəsin
Sənə telli bir çəmansən
Sənə deyir lay-lay
Hər ötən quş, hər akan çay
Bu gözəl şən anamız vətən
Lay-Lay…

Yat ay quzum şirin şirin
Həyat sənin dövran sənin
Qayğısıyla boyatırsan
Qucağında bu vətənin
Sənə deyir lay-lay
Hər ötən quş, hər akan çay
Bu gözəl şən anamız vətən
Lay-Lay…

Geplaatst in Erfgoed, Kunst | Tags: , , , | 2 reacties

Ouwe troep

Spijkerschrift01Nu ben ik archeoloog en ik zou dus eigenlijk vooraan moeten staan in de protesten tegen de vernielingen van oudheden die in opdracht van onze geliefde kalief zijn aangericht in de musea in Mosul. Maar daar sta ik niet. Het doet me bijzonder weinig. Ja, er gaat onvervangbaar erfgoed verloren en dat is – zelfs ik zie dat – ongelofelijk jammer. En toch wordt dit stukje geen vlammend protest, noch een begeesterde veroordeling van de barbarij die onder onze geliefde kalief zo welig opbloeit.

Daar heb ik een heleboel redenen voor. De eerste is praktisch: deze jongemannen lijden aan een Gilles de la Tourette-achtige aandoening die ze precies laat doen waar je ze juist van af probeert te houden. Hoe harder je protesteert, hoe harder ze zich zullen gaan toewijden aan het doen van wat niet mag. De stoere knapen van onze geliefde kalief zijn erop uit voor zichzelf de reputatie van een God noch gebod respecterende club te bevestigen en met protesten geef je ze precies aan in welke richting ze het moeten zoeken. In zekere zin zijn ze dan ook heel goed aan te sturen. Zoals ik al zei: jonge mannen zijn het, niet meer.

Mijn tweede reden is even praktisch als moreel: ik heb liever dat die losgeslagen hormonen losgaan in een museum met ouwe troep dan op een berg vol mensen. Als ik moet kiezen tussen mijn vak, beroep en levensvervulling versus een mensenleven is mijn keuze verrassend snel en makkelijk gemaakt. In de tijd die ze steken in het slopen van een lamassu, zijn ze niet bezig met het verbranden, kruisigen of anderszins slopen van mensen. Laat ze, als we er toch al niks aan kunnen doen.

De voorgaande twee redenen leiden tot een gedachte waarmee ik mezelf een beetje tegenspreek: zou het in dit kader geen idee zijn om de plunderingen juist te stimuleren?Mijn goede vriend Jona heeft al aangegeven dat onze geliefde kalief helemaal niet zoveel erfgoed kapot maakt als hij wil dat wij denken, maar dat de oudheden vooral worden verkocht ter spekking van de kalifatelijke kas. Er gaat dus niet zo heel veel verloren en wat we aan vernielingen zagen, was alleen de onverkoopbare rest.

Zouden we de tijd die de rebellenclub doorbrengt met schatgraven kunnen stimuleren door oudheidkundige voorwerpen flink op te kopen en zo de tijd die ze aan godgewijde zaken als moord en verkrachting besteden kunnen, verminderen? En passant zou zelfs het probleem van oudheden zonder traceerbare herkomst kunnen worden aangepakt: door significant meer te bieden wanneer die oudheden voorzien zijn van een ordentelijke opgravings- dan wel plunderingsdocumentatie. Ik zeg nu iets wat ik van de ethische code van mijn beroepsgroep eigenlijk helemáál niet mag zeggen. Maar ja, als er mensenlevens in het spel zijn, is mijn mening over wat je met een ethische code kunt doen vrij helder.

Ik verkondig een minderheidsstandpunt, ik weet het. Eigenlijk wijk ik nog veel verder af van mijn vakbroeders omdat ik over de plunderingen zelfs een beetje leedvermaak heb. Weet u, er bestaat geen beter argument tegen het heidendom dan een museum vol door mensen gemaakte afgodsbeelden waar al een paar duizend jaar geen mens meer naar omkijkt, laat staan een gebed aan richt, omdat noch die beelden, noch waar ze voor staan ook maar iets kúnnen betekenen. Zelfs onze geliefde kalief is in staat om dat in te zien.

Wie zo’n museum leeghaalt en de afgodsbeelden vernielt, weet dat over één generatie de kindertjes in het kalifaat zomaar ineens geen antwoord meer kunnen verzinnen op de volslagen belachelijke – maar op zichzelf wél pertinente – vraag waarom het opperwezen geen vliegend spaghettimonster zou kunnen zijn. Zo zullen de kalifaatskindertjes zich over een generatie of wat ook geen enkel beeld meer kunnen vormen bij de vroege geschiedenis van de islam. Waar maakte die profeet nu eigenlijk zo’n heisa over? Waren die mushrikun in Mekka nu écht zo vreselijk? Ze zullen er totaal geen beeld meer bij hebben. Tekst wel ja, veel tekst zelfs, maar zonder beelden erbij zal dat nooit gaan leven voor die kinders.

We weten natuurlijk dat de jongemannen van de kalief slechts nagels aan de doodskist van de islam vormen. We zien dat vooral in de misdaden die ze plegen, het feit dat ze God noch gebod respecteren en dat letterlijk niets heilig voor ze is. Dat is allemaal heel waar en terecht. Maar we onderschatten de wijze waarop deze lieden ook onderhuids sluipmoord plegen op de islam. De islam is niet voor niets een godsdienst van belang geworden: zij staat op de schouders van reuzen, die op hun beurt ook weer op schouders staan van niet mindere reuzen. Ook al kom je op een gegeven moment bij reuzen uit wier gedachtengoed je niet meer deelt: je geloof verliest aan betekenis wanneer je dat gedachtengoed niet meer kent.

Het kalifaat is de islam langzaam aan het isoleren van alles waarmee het ooit in verband stond en waar die islam nolens volens een deel van zijn betekenis aan ontleent. Hoe succesvoller die isolatie zal verlopen, hoe meer de islam op een lege huls zal gaan lijken en hoe onvermijdelijker de islam aan betekenis zal verliezen voor moslims. Dat is pas écht het slopen van erfgoed…

Geplaatst in Erfgoed, Religie | Tags: , , , , | 1 reactie