Donald

Democratie01Ik weet het allemaal niet meer zo zeker de laatste tijd. Een aantal jaren terug waren we het er allemaal over eens dat het tijd werd dat Assad vertrok. En wat hebben we er aan ellende bij gekregen? Dat is natuurlijk geen relevante vraag: wij hebben er alleen maar een paar extra vluchtelingen bij gekregen. De juiste vraag is: wat hebben zij er allemaal aan ellende bijgekregen?

Vatbommen, IS en opvang in de regio. Daar valt ons vluchtelingenprobleempje volledig bij in het niet. De ellende is alleen maar groter geworden, maar we hadden toch goede redenen om tegen Assad te zijn? Inmiddels zijn we collectief blij wanneer de troepen van Assad een paar oude ruines heroveren.

Elders zorgde de Arabische Lente voor vrije verkiezingen en koos de helft van de bevolking een moslimbroeder die prompt op allerlei manieren de absolute macht naar zich toe begon te trekken. De andere helft schrok zich rot en was dolgelukkig toen een jaar later het leger de macht overnam. Ik ben geen voorstander van gewelddadige staatsgrepen. Ik ben ook geen voorstander van een democratie die zichzelf opheft. Maar ik ben ook geen voorstander van een kolonelsregime.

Een premier van een niet nader te noemen NAVO-bondgenoot deed min of meer hetzelfde, alleen véél beter. Ook hij kreeg op een kwade dag een staatsgreep voor zijn kiezen. Het ene kamp juichte de coup toe, het andere liet niet na erop te wijzen dat het hier wel een democratisch gekozen staatshoofd betrof. Hoe durfden we het om een gewelddadige coup tegen een democratisch gekozen staatshoofd goed te keuren? Anderzijds is datzelfde democratisch gekozen staatshoofd nu bezig met zuiveringen waar menig via minder democratische kanalen aan de macht gekomen staatshoofden nog trots op zouden zijn.

Dichter bij huis koos een Engels dorp dat van de EU-subsidies aan elkaar hangt massaal om dan maar op bizarre wijze zelfmoord te plegen en eruit te stappen. In de consequenties verdiepte het stemvee zich pas ná het referendum. Maar ja, riep één kamp, dit was een democratisch besluit en met democratische besluiten hoor je maar één ding te doen en dat is ze respecteren en uitvoeren. Nóg dichter bij huis riepen een paar organisatoren van een ander referendum dat ook.

Daar zit formeel gezien natuurlijk wat in. Maar gaan we dat straks dan ook zeggen over Donald als die begint met het uit elkaar trekken van de hele wereld? Vroeger was zo’n kwestie duidelijk, toen hadden we Mohammad Mossadeq en Salvador Allende. Met zulke mannen is het niet moeilijk om democratische principes te hebben.

Maar nu? Aan de ene kant staat oliedom stemvee dat zijn vooroordelen liever door charlatans krijgt voorgekauwd dan dat ze de moeite nemen om zelf na te denken, of zich zelfs maar correct te laten voorlichten. Aan de andere kant staan politici die democratie uitsluitend zien als de voortzetting van machtwellust met andere middelen.

Er zijn dan cynici die zeggen dat een volk de leiders krijgt die het verdient. Dat is in principe natuurlijk waar, maar het is niet terecht. In het Midden-Oosten wordt degene de baas met het grootste leger en de meeste buitenlandse steun.  En over de vraag of Donald straks eigenhandig de wereld uit elkaar mag gaan trekken, daar heeft slechts zo’n 4,5% van de wereldbevolking iets over te zeggen.

Het schijnt Churchill te zijn geweest die beweerde dat democratie een buitengewoon slechte regeringsvorm was, maar dat alle andere vormen nóg slechter waren. Eerlijk gezegd, ik weet het allemaal niet meer zo zeker de laatste tijd.

Geplaatst in Geschiedenis, Politiek, Samenleving | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Truc

NieuweKerkDelftMisschien heeft u erover gelezen in de krant: het archeologische onderzoek naar de begravingen in de Nieuwe Kerk in Delft. Die zaak woedt momenteel voor het gerecht.

Eerst even wat achtergrondinformatie. In Nederland is het zo geregeld dat wie ergens iets wil (ver/her)bouwen en daarbij de bodem in gaat, verplicht kan worden te bekijken of er geen archeologische resten ongezien verloren gaan en er zo nodig voor te zorgen dat die resten worden beschermd of netjes gedocumenteerd. De overheid kan dus archeologisch onderzoek afdwingen via de vergunning die je doorgaans voor dat soort werkzaamheden nodig hebt. Toen de Protestantse Gemeente Delft de gemeente verzocht om een bouwvergunning voor de aanleg van een keuken in de Nieuwe Kerk, konden ze verwachten dat er archeologisch onderzoek aan zat te komen.

De Nieuwe Kerk is namelijk een Rijksmonument, een keuken er aan de buitenkant aanbouwen kwam daarom nicht in Frage. Geen nood, dan bouw je de keuken inpandig en ondergronds. Dat betekende wel dat er zo ongeveer 2.100 graven geruimd moesten worden en aangezien die graven van behoorlijk historisch belang zijn – er wordt al tijden niet meer in de kerk begraven, tenzij je van koninklijken bloede bent – had de Protestantse Gemeente ook wel door dat daar archeologisch onderzoek aan te pas zou komen.

Nu is er weinig archeologisch onderzoek zo tijdrovend en dus kostenintensief als grafonderzoek. De Protestantse gemeente kwam dan ook met de gemeente Delft een compromis overeen: als ze nu eens een steekproef zouden laten onderzoeken, minimaal zo’n 80 graven (± 3,8%), was dat dan goed genoeg? De kosten zouden dan ongeveer drie ton bedragen (dat is zo’n € 3.750,- per dode Delftenaar), maar dat kon de Protestantse Gemeente wel opbrengen. Afhankelijk van hoe het onderzoek verliep, konden – vooral binnen de kerk, waarover we nog weinig wisten – van dat budget nog wel iets meer graven worden gedocumenteerd. De gemeente ging akkoord en zo’n 2.000 oude Delftse graven (of als het meezat, iets minder) mochten dus zonder archeologisch onderzoek geruimd worden.

Dat kan en dat mag. Het is immers de taak van het openbaar bestuur dat zij belangen tegen elkaar afweegt die niets met elkaar te maken hebben. In dit geval werd het belang van het behoud van archeologische kennis over het Delftse verleden afgewogen tegen het belang van de Protestantse Gemeente om wat extra bij te verdienen door het ontplooien van commerciële activiteiten in het kerkgebouw. Appels met peren inderdaad, maar de bestuurlijke praktijk bestáát uit niks anders. Bij die afweging heeft het College van B&W zich ongetwijfeld laten adviseren door hun eigen archeologische dienst. Delft heeft die als één van de weinige Nederlandse gemeenten. Wat hun advies is geweest, weet ik niet.

Maar plaatselijke amateur-archeologen waren not amused en stapten naar de rechtbank om de vergunningverlening aan te vechten. Ze werden in het ongelijk gesteld. Op dit moment loopt een hoger beroep tegen die uitspraak bij de Raad van State. Half archeologisch Nederland is nu in rep en roer, want het lijkt erop dat er nu een bom ligt onder de strekking van het Verdrag van Malta, waar de Nederlandse archeologie-wetgeving op is gebaseerd en waarin is geregeld dat ‘de verstoorder betaalt’. Half archeologisch Nederland leest daarin dat de verstoorder betaalt voor het documenteren (of beschermen) van alle archeologisch erfgoed dat hij dreigt te verstoren. De andere helft leest dat niet zo en weet niet beter of dit soort afwegingen van belangen zijn al jaren de dagelijkse praktijk in de Nederlandse archeologie dus waar zeuren we over?

Hoewel het in de Nederlandse praktijk vrijwel altijd de amateur-archeologen zijn die naar de rechter stappen, worden hun opinies ook gedeeld door professionele archeologen. Een paar maanden geleden trof ik er één, een hoge nog wel en naar mijn mening ook een zeer deskundige, die zijn mening gaf over de Delftse kwestie. Zijn visie was bepaald een openbaring voor me, niet in het minst omdat hij inhoudelijk behoorlijk op de hoogte was van de redenen die het college van B&W hadden gehad om tot hun beslissing te komen.

Zo waren er in het recente verleden wel meer grafvelden in kerken uitgebreid en systematisch onderzocht: In Eindhoven en Oldenzaal bijvoorbeeld. In Delft zou men geargumenteerd hebben dat wéér een volledig grafveld in een kerk opgraven wellicht wat teveel van het goede was. Dat is een pertinente overweging. In de praktijk wordt in Nederland altijd gekeken naar de zeldzaamheid van bepaalde typen vindplaatsen en naar hoe goed en hoe vaak die in het recente verleden zijn onderzocht. Vindplaatsen waar heel weinig over bekend is, jargon spreekt van ‘kennislacunes’, eindigen hoger op het prioriteitenlijstje en zullen zo nodig enthousiaster en completer worden onderzocht.

Maar mijn zegsman volgde die redenering niet. ‘Eindhoven en Oldenzaal zijn compleet verschillende gemeenschappen vergeleken met Delft’, zo was zijn commentaar. En dat is waar. Wie even op een stoel gaat zitten en nadenkt, zal zo een lijstje met tien verschillen hebben opgesteld die allemaal zo hun weerslag gehad kunnen hebben op wie er wel en niet in de respectievelijke grafvelden terecht zijn gekomen en hoe.

Hij had nog een bijkomend argument, dat ik nog indrukwekkender vond. Juist nu we de resultaten van het onderzoek in Eindhoven en Oldenzaal hadden, konden we bij het onderzoek naar nieuwe, vergelijkbare grafvelden onze onderzoeksvragen bijstellen en preciseren. Delft zou, met andere woorden, nieuw onderzoek naar een nieuw grafveld worden, niet het zoveelste onderzoek in een rij van gelijkaardige onderzoeken . Wie dat dacht, zo concludeerde hij, ‘die houdt zijn vakliteratuur niet bij’.

Alles wat deze archeoloog te berde bracht is waar, ontzettend waar. Er is geen speld tussen zijn betoog te krijgen, dat strikt logisch tot maar één conclusie leidt. Ik was diep onder de indruk, maar meer vanwege wat anders.

Het is een ontzettend gave truc.

Natuurlijk kunnen vindplaats X, Y en Z niet op dezelfde plek liggen, dus je kunt altijd beweren dat ze van elkaar verschillen: verschillende mensen hebben er in verschillende tijden, in een verschillende omgeving aan ‘gewerkt’. En wellicht hebben ze dat dus ook wel gedaan met verschillende middelen, verschillende bedoelingen en verschillende overtuigingen. Wilt u per se dat twee op het eerste gezicht op elkaar lijkende vindplaatsen totáál verschillend worden, dan is er altijd wel een lijstje goede redenen bij te vinden. Kwestie van even doelgericht nadenken totdat je er bent.

Dat op zichzelf maakt elke individuele vindplaats al uniek, maar je kunt ook van ieder onderzoek stellen dat het uniek is omdat elk onderzoek tot nieuwe vragen leidt, die bij het volgende onderzoek een rol kunnen gaan spelen. Stel dat ik er, ondanks wat hierboven staat, in slaag twee gelijkaardige vindplaatsen te localiseren en dat ik die achter elkaar onderzoek. Volgens mijn zegsman zou ik de tweede opgraving – vooropgesteld dat ik mijn vakliteratuur bijhoud natuurlijk – anders opgraven, want mijn eerste opgraving heeft me nieuwe vragen opgeleverd die ik als goed archeoloog zal meenemen in mijn tweede onderzoek.

Volgens deze denkwijze zal de zeldzaamheid van mijn type vindplaats nooit afnemen en de kennislacune nooit slinken. Dat is zelfs zo als ik vandaag mijn vindplaats X opgraaf, er vannacht een wonder gebeurt en hij er morgenochtend weer als nieuw bij ligt en ik hem nog eens kan opgraven. De vindplaats blijft even zeldzaam en de kennislacune net zo groot, of groter als je pech hebt.

En dat is gek. Waarom? Nou, omdat alle archeologen bij het bepalen van de waarde van een archeologische vindplaats rekening houden met ‘zeldzaamheid’. Dat moeten ze zelfs, het staat keurig beschreven in de KNA, de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Waardebepaling is het dagelijks werk van een archeoloog, want op basis dáárvan wordt bestuurlijk besloten of een ‘verstoorder’ verplicht moet worden om archeologisch onderzoek te laten doen. Maar als het begrip ‘zeldzaam’ in de praktijk terug wordt gerationaliseerd tot het besef dat elke vindplaats maximaal zeldzaam (want: uniek) is, dan levert dat bestuurlijk nogal wat consequenties op.

Er zijn niet weinig archeologen die denken langs de lijnen van de rationalisatie die ik hierboven schets en die – ook op leken – daarmee behoorlijk wat indruk maken, omdat hij inhoudelijk gewoon wáár is. Je ziet het ook werken op een lager niveau: dat van de individuele graven. De Protestantse Gemeente stelde oorspronkelijk voor 10 tot 20% van de graven te onderzoeken. Dat is een zéér behoorlijke steekproef, maar als u wat rond googlet over deze kwestie, treft u voornamelijk reacties aan van archeologen die zo’n steekproef veel te klein vinden.

Dat vinden ze op basis van eenzelfde kwalitatief argument als wat ik hierboven al als eerste noemde: net zoals de ene vindplaats de andere niet is, is ook het ene graf het andere niet, een steekproef is alleen goed als alle te verwachten categorieën graven erin vertegenwoordigd zijn en u raadt het natuurlijk al: van die categorieën kun je er een heleboel noemen en uiteindelijk is de enige steekproef die écht deugt alles onderzoeken. Voor zo’n kwantitatieve claim geven archeologen trouwens nooit een kwantitatieve onderbouwing, maar dat even terzijde.

Zoals ik al zei: het is een redenering die klopt als een bus, er zijn hier echt geen archeologen bezig de boel te flessen of zo en niemand debiteert een drogreden. Maar eenmaal toegepast, blijkt het een truc, een rationalisatie waarmee je altijd uit kunt komen op het door jou gewenste vooringenomen standpunt. Daarmee is het gebruik van het argument niet meteen fout, maar wel aan grenzen gebonden. Het houdt een keer op.

Het idee dat gebeurtenissen uit het verleden uniek en onvergelijkbaar zijn stamt uit de 19e eeuw, toen men bedacht dat geschiedschrijving een vak was en geen literair genre. Maatschappelijke gegevenheden moesten volgens deze eerste professionals verklaard worden vanuit hun geschiedenis, die nu eenmaal bestond uit individuele mensen en gebeurtenissen. Die moesten op hun beurt weer vanuit hun eigen geschiedenis worden verklaard, dus u begrijpt dat er alleen al statistisch gezien weinig ruimte was voor de werking van meer algemene wetmatigheden zoals we die bijvoorbeeld uit de sociologie, economie en psychologie kennen.

Geschiedenis moest vooral vanuit zichzelf worden verklaard en geschiedkundige gebeurtenissen bezien vanuit hun eigen tijd. Het werk van de historicus was niets meer dan te laten zien wie es eigentlich gewesen was. Deze opvatting staat bekend als ‘historisme’ en is in de afgelopen honderd jaar onderwerp geweest van behoorlijk wat debat onder wetenschappers. Niet dat er iets verkeerd aan is, maar er zitten forse nadelen aan en andere geschiedkundige visies hebben daar terecht op gewezen. Dat is uitgebreide stof op theoriecolleges op de universiteit. Een academicus die spreekt in termen van ‘elke vindplaats is uniek’, moet zich bij wijze van Pavlov-reactie realiseren dat hij iets zegt waar al sinds pakweg een eeuw nogal wat kanttekeningen bij staan.

Geplaatst in Samenleving, Wetenschap | Tags: , | 1 reactie

Feedback

DaryaVorige week heb ik 39 kindertjes vloeiend spijkerschrift leren spreken. Dat kan, en al zegt men ook dat het niet kan, en al kan het ook niet, de vorige zin is té leuk om niet een keer op te schrijven.

Ik geef mijn cursussen ook voor HOVO Rotterdam en daar heeft men de gewoonte om in de zomer de ouderen die er door het jaar onderwijs genieten, de gelegenheid te geven hun kleinkinderen mee te nemen naar de kinderuniversiteit. Vorig jaar heb ik een lezing gegeven over Kruistocht in Spijkerbroek, in het verlengde van mijn cursus over de kruistochten. Dat vond ik zó leuk, dat dit jaar weer meegedaan heb. Omdat ik bezig ben met het leren van Akkadisch, stelde ik ‘Spijkerschrift ontcijferd’ voor en dat leverde dus 39 leergierige studenten op.

Tot mijn eigen verbazing ging mijn lezing uiteindelijk – lezingen schrijven zichzelf soms – niet zozeer over spijkerschrift, als wel over hoeveel je eigenlijk eerst moet weten voordat je kunt beginnen aan een poging om spijkerschrift te ontcijferen. Zo heb ik mijn studenten uitgelegd dat we al sinds de oudheid heel veel wisten over de oude Perzen, omdat de oude Grieken het aardig vonden uitgebreid de geschiedenis op te schrijven van de eeuwenlange oorlogen die zij met de Perzen voerden. Zonder die – Griekse – kennis over de Perzen hadden we nooit kunnen beginnen aan het ontcijferen van Oud-Perzisch, waar de ontcijfering van spijkerschrift mee begonnen is.

Ik heb ze ook uitgelegd dat de eerste poging om spijkerschrift te ontcijferen, is gedaan door een man die kennis had van twee talen die verwant waren aan het Oud-Perzisch: Avestisch en Pahlavi. Zonder kennis van een paar inscripties in het Pahlavi, die allemaal begonnen met de standaardzin: ‘X, grote koning, koning der koningen, koning van landen…’, had hij nooit kunnen vermoeden dat de Oud Perzische inscriptie waar hij zijn tanden op stukbeet met precies dezelfde formule begon. Zonder kennis van het Avestisch had hij nooit kunnen vermoeden dat hij op de goede weg zat toen hij eenmaal aan het ontcijferen was.

En ik heb ze ook verteld over Cornelis de Bruijn, de Nederlandse kunstenaar en diplomaat die als eerste Europeaan terugkwam van zijn reizen door Perzië met mooie tekeningen van Perzische oudheden én heel precieze afschriften van inscripties in spijkerschrift, de eerste betrouwbare spijkerschriftteksten in Europa. Dat de eerste pogingen om spijkerschrift te ontcijferen eigenlijk zijn gedaan op basis van later gemaakte tekeningen van Carsten Niebuhr, heb ik maar weggelaten. Cornelis de Bruijn is veel leuker…

Maar spijkerschrift leren is natuurlijk niet compleet zonder het zelf te proberen. Dus toog ik met tien kilo klei in mijn rugzak naar Rotterdam en had ik voor iedereen een schrijfspatel gemaakt van een stengel van de rietsoort arundo donax, die speciaal voor dat doel voor me was meegenomen uit Toscane door mijn baas. Aan de hand van een woordenlijst en een tekenlijst heb ik mijn studenten een aantal losse woorden laten ontcijferen, uiteraard pas na een deskundige uitleg over hoe dat spijkerschrijfsysteem nu eigenlijk werkt, want het is geen alfabet.

Deze week kreeg ik zowaar feedback. Eén van mijn studentjes had geprobeerd om aan de hand van de verstrekte tekenlijst een eigen tekst op te schrijven. Een foto van haar eerste spijkerschrifttablet werd aan de organisatie gestuurd en die stuurden het weer door naar mij, een tekst waar – denk ik althans – dit staat:

ma-ma is ra-ar
ma-ma i-ša ra-[ar]
mama is raar

Voor het laatste teken was geen plek meer op haar kleitablet, een onbedoelde les in hoe lastig schrijven zijn kan: je moet niet alleen je tekens kennen, je moet ook van te voren een beetje kunnen inschatten hoeveel ruimte je tekst gaat innemen.

Zoiets is feedback voor je als docent. Zo had ze goed begrepen dat je in spijkerschrift in principe elke taal kunt schrijven, dus waarom geen Nederlands? En dat je een lettergrepenschrift een beetje creatief moet toepassen om op papier – herstel: in de klei – te krijgen wat je bedoelt, dat had ze ook door. In mijn tekenlijst ontbrak een teken voor de klank is, dus combineerde ze twee tekens die er wél in stonden: de i en de ša.

Maar op één punt is iets niet goed overgekomen: hoe je de spijkertjes in de klei drukt. U ziet dat mijn student de kopjes en de staartjes van de spijkers apart in de klei heeft gedrukt, elk spijkertje in twee keer dus. Maar het moet in één keer. Voor dat misverstand zijn twee oorzaken aan te wijzen. In de eerste plaats: ik heb het niet duidelijk genoeg voorgedaan. Daar moet dus voor de volgende keer een list op verzonnen worden, ik denk aan een filmpje, want als docent doe je het niet duidelijk voor op een kleitabletje in je hand als er 39 kindertjes om je heen staan….

Daarmee los je meteen ook een ander probleem op: de wijze waarop spijkerschrift wordt geschreven als het op papier staat, leidt ook heel gemakkelijk tot het idee dat zo’n spijkertje bestaat uit twee delen: de kop en de staart. Zelfs de benaming ‘spijker’-schrift draagt daaraan bij. In werkelijkheid zijn de ‘spijkers’ eerder wigjes. Het heet dan ook cuneiform in het Engels en Frans en Keilschrift in het Duits. Al mijn presentatiemateriaal was gebaseerd op spijkertjes zoals ze in geschreven en gedrukte literatuur voorkomen. HOVO Rotterdam had zelfs speciaal daarvoor een apart lettertype voor spijkerschrift op hun computer geïnstalleerd.

Het aardige van lesgeven aan kinderen is dat hun kennisniveau ook echt op nul staat. Als docent word je meteen geconfronteerd met de gevolgen als je bepaalde ‘voor zich sprekende’ kennis bij je studenten veronderstelt. Zicht krijgen op dat soort verborgen aannames, is denk ik één van de lastigste dingen van het lesgeven. Geen publiek dat geschikter is om je te helpen bij het opsporen dan kinderen…

 

Geplaatst in HOVO, Taal, Wetenschap | Tags: , , , | 10 reacties

#JesuisUK

katholieken (groen) en protestanten (oranje)

katholieken (groen) en protestanten (oranje)

Tijdens mijn studententijd – eer Deetman minister van onderwijs was – vertrok mijn docent Oud Egyptisch naar Zwitserland omdat hij daar een betere baan kon vinden. De faculteit theologie waar hij werkte, begon ook toen al te bezuinigen en vond een vak dat toekomstige theologen iets bijbracht over de wereld waarin de bijbel was ontstaan van minder belang dan andere vakken. Na een paar jaar kwam hij terug naar Nederland voor familiebezoek en sprak onze club studenten Oud Egyptisch weer eens met hem af. We vroegen hem hoe dat nou was, zo’n referendumdemocratie. ‘O,’ sprak hij niet zonder ironie, ‘geweldig: er verandert nooit meer wat.’ Lees verder

Geplaatst in Politiek | Tags: , | 3 reacties

Traditie onder druk

Qur'an 7th century 1 Cadbury Research LibraryEnige tijd geleden blogde ik over de koolstofdatering van een koranmanuscript in Birmingham, over de vragen en opmerkingen die daarover in de media zoal verschenen en de herkomst van het manuscript. Ja, het leek erop dat de koran als complete tekst al zeer vroeg in de geschiedenis van de islam aanwezig was. En nee, iedereen zag over het hoofd dat diezelfde datering ook een zéér alternatieve hypothese kon ondersteunen: namelijk dat de koran dateerde van vóór het optreden van Mohammed, dat in 610 begon en eindigde met zijn dood in 632. Het lijkt er nu op dat die laatste optie niet alleen tot de journalistieke media is doorgedrongen, er blijkt ook meer steun voor te bestaan dan alleen deze ene koolstofdatering: andere manuscripten blijken al even oud, of ouder. Dat zet het traditionele islamitische verhaal over het ontstaan van de koran onder druk. Lees verder

Geplaatst in Geschiedenis, Koran | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Doe de test!

Doe%20de%20testVoor de peetmoeder van onze dochter heb je best wel wat over, dus vandaag een blogpost die onbeschaamd reclame maakt voor een wetenschappelijk onderzoek van een jongedame die haar master aan het halen is voor de studie economie & business.

Zij vraagt zoveel mogelijk mensen om een zevental testjes te doen. Ik kan en mag er vooraf niks over zeggen, want dat kan de resultaten beïnvloeden. U komt er vanzelf wel achter. Het kost je pakweg een kwartier: ik heb hem zojuist zelf gedaan. Mededingers maken kans op een cadeaubon van bol.com (zoals u weet hebben studenten het niet breed). Anoniem meedoen mag uiteraard ook.

Ga even rustig zitten, ongestoord en geconcentreerd en klik hier om bij de tests te komen.

Geplaatst in Wetenschap | Tags: , | 10 reacties

Slavernij

DollarsEen goede kennis van me is Rooms Katholiek priester. Het is een jonge vent die merkbaar enorm plezier heeft in zijn werk. Dat is zeldzaam in die beroepsgroep, niet het plezier, wel dat zoiets merkbaar is, maar dat terzijde. Hij vertelde me eens dat zijn zus zich tegenover derden regelmatig moet verantwoorden voor de keuze van haar broer om een beroep te kiezen dat door velen – zeg maar – gezien wordt als ‘besmet’. Lees verder

Geplaatst in Religie, Samenleving | Tags: , , , | 2 reacties