Meneer Pomeroy

ManWhoGaveIn 1975 – ik was toen twaalf – gaf mijn moeder aan mijn vader een boekje cadeau: De man die zichzelf weggaf, van Gordon Sheppard. De hoofdpersoon, meneer Pomeroy, doet precies wat de titel van het boekje zegt: hij besluit alles wat hij heeft weg te geven, zichzelf incluis, helemaal. Aan het einde van het boekje is hij ook inderdaad helemaal weg. De manier waarop dat proces beschreven werd, sprak mij destijds aan, en eigenlijk nog steeds wel, al kan ik me nog maar één detail herinneren: meneer Pomeroy gaf zijn knoopsgat aan de bloemen. Bij nalezing blijkt dat zijn eerste gift te zijn:

Om te beginnen gaf hij zijn knoopsgat aan de bloemen die zijn knoopsgat altijd zó opgefleurd hadden dat alle aardige meisjes tegen hem hadden geglimlacht zolang hij zich herinneren kon dat aardige meisjes naar hem keken (hetgeen lang, heel lang geleden was). De rest van zijn jas stak hij op een stok en zo gaf hij hem aan de motten.

Het boek gaat zo nog een tijdje door en verzint de gekste manieren om dingen van een mens weg te geven.

Hij gaf zijn kleed aan een ziek stuk gras, dat voor de winter nodig toegedekt moest worden. Hij gaf zijn vlieger aan de lucht die hem al jarenlang had proberen af te pakken, maar meneer Pomeroy was hem altijd te slim af geweest. En zijn rood-witte zakdoek gaf hij, zoals een heer betaamt, aan een zwerm lieveheersbeestjes om hem als tent bij hun jaarlijkse bijeenkomst te gebruiken. En aan twee oude bomen – die zoveel van elkaar hielden dat zij één wilden worden (hij wist dat door het nachtelijk gekreun van hun takken) – gaf hij zijn hangmat.

Uiteindelijk heeft hij niets meer en begint letterlijk zichzelf weg te geven.

Daarna gaf meneer Pomeroy zijn handen aan een verstomde piano die net voorbij kwam.
(…) Aan een kerk in de buurt gaf hij zijn knieën.
(…) De schelpen op het strand kregen zijn oren.

En als meneer Pomeroy tenslotte zelfs zijn stem, zijn dromen en zijn herinneringen heeft weggegeven, is het klaar.

En toen, met een diepe, diepe zucht die door de wind overal heengevoerd werd, ging meneer Pomeroy dood.
Maar eigenlijk is meneer Pomeroy nooit gestorven. Tot op deze dag leeft hij overal verder waar iets van hem is achtergebleven. De wind spreekt nog steeds met zijn stem (een beetje heser nu).
De bloemen zijn trots op zijn knoopsgat en geven het aan elkaar door (…) De twee oude bomen zijn gelukkig verenigd door zijn hangmat (en hebben zelfs al een klein boompje dat naast hen opgroeit).

Ik weet niet op welke leeftijd het begrip van beeldspraak doordringt, maar als twaalfjarige begreep ik dat dit beeldspraak wás, ook al kende ik het woord niet.

Jaren later kwam ik met een vriendin te praten over de vraag welke boeken onze gedachten over het leven zoal gevormd hadden, en toen kwam meneer Pomeroy weer voorbij. Inmiddels was er internet en besloot ik te gaan zoeken naar het boekje. Er bleken talloze links naar te zijn – zelfs de tekst was vindbaar – maar in een wel heel verrassende hoek. Het boekje werd vooral aanbevolen om kinderen vertrouwd te maken met de dood.

Dat was me als twaalfjarige totaal ontgaan en zo had ik de plot van het boek ook niet onthouden. Zelfs nu ik wél zie dat het inderdaad een boek over doodgaan is, begrijp ik nog steeds waarom ik dat als twaalfjarige niet zag: het is namelijk eigenlijk een metafoor over hoe je moet leven.

Geplaatst in Literatuur | Tags: | Een reactie plaatsen

Je beste vriend

politieVroeger woonde ik in een buurt waar het inkomen beduidend lager lag dan gemiddeld. Dan weet je dat de politie er wat vaker langs komt. Op een dag speelde zich een straatrelletje direct onder mijn raam af. Het was heet, mijn raam was open en ik kon de discussies tussen politie en relschoppers woordelijk volgen.

Ja, u leest dit goed: discussies. De sfeer was dreigend, er werden mensen gearresteerd, het was een relletje, maar de meeste energie werd gestoken in discussies en die maakten grote indruk op me. Vooral de wijze waarop agenten consequent, stelselmatig en methodisch probeerden de zaak te de-escaleren. Volledig doorgedraaide en hysterische relschoppers heb ik tot een aanvaardbaar niveau horen ontdooien dankzij de deskundig kalmerende aanpak van de agenten.

Dat was de tijd dat de politie nog je beste vriend was. Inmiddels is er iets veranderd. Ik weet niet precies wat. Maar er is de laatste jaren wel iets gebeurd en ik heb het gevoel dat we daar nu langzaamaan de wel zéér bittere vruchten van aan het plukken zijn. Het viel me op bij het bekijken van de – vrijwel live – uitgezonden beelden van de arrestatie van Tariq Z. de verwarde man die enkele maanden geleden met een nepwapen het acht uur journaal in zijn greep hield. En nu weer bij de publieksvideo’s van de laatste momenten van Mitch Henriquez, de man die een grap maakte over een vuurwapen die de agenten van dienst niet konden waarderen.

Op de video’s van beide gevallen is goed te zien dat de beide heren op een gegeven moment geen echt gevaar meer vormen. Mitch vormde dat al niet: het is duidelijk te horen dat de agenten wéten dat het om een grap gaat. Tariq geeft aan te gaan doen wat de politie van hem vraagt, gooit zijn (nep)wapen weg, draait zich om en gaat netjes op zijn knieën zitten met zijn handen achter zijn hoofd. Mitch ligt op de grond met een paar agenten op zijn rug en één om zijn nek en kan he-le-maal niks meer. Je zou denken: situatie onder controle, nu nog netjes afhandelen.

Natuurlijk ben je als agent dan voorzichtig: heeft hij nóg een wapen bij zich? Gaat hij nog gekke dingen doen? Je let dus op, dat is logisch, maar op een gegeven moment kom je op het punt dat je wéét dat de arrestant geen gevaar meer vormt. Maar wat in de video’s te zien is – maar vooral te horen – past totaal niet bij een situatie die inmiddels volledig onder controle is.

Het gebrul.

Ik ga er van uit dat de politie een professionele organisatie is, waar mensen werken die voor dit soort dingen in de leer gaan of ten minste een cursus hebben gevolgd. Ik kan me werkelijk niet voorstellen dat er in die cursus geen psycholoog voorkomt die de agenten in spé uitlegt dat een inmiddels uitgeschakelde arrestant toebrullen alsof hij nog steeds een levensgevaar voor je vormt, je idee alleen maar zal bestendigen dat hij ook nog steeds een levensgevaar ís. Precies zoals het uitleven van je woede die woede helemaal niet bekoelt, maar juist doet aanhouden, of zelfs erger maakt.

“Ik kan het me niet voorstellen.” Dat zegt in eerste instantie iets over mijn gebrek aan voorstellingsvermogen. Ik ben inmiddels bang dat dát ook mijn probleem is.

Geplaatst in Samenleving | Tags: , | 7 reacties

Hulspas’ nieuwe boek

hulspas_mohammed_en_het_ontstaan_van_de_islamOpmerking vooraf: ik ken Marcel Hulspas persoonlijk en in de aanloop van het schrijven van zijn nieuwe boek – dat vandaag wordt gepresenteerd – hebben we met enige regelmaat gecorrespondeerd. Het zal u dus niet verbazen dat ik een drukproef van zijn boek gelezen heb.

Hulspas nieuwe boek is een biografie van de profeet Mohammed, ingebed in een breder geschiedkundig kader en met gebruikmaking van een kritische beschouwing van de bronnen. Een lastige klus, waarover hieronder meer, die heeft geresulteerd in een kloeke biografie van over de 600 pagina’s, dit keer zonder de tsunami aan voetnoten die zijn vorige boek wat moeizaam maakte, maar wel weer mét de grote aandacht voor details die je doorgaans niet aantreft in de standaard biografieën van de profeet. Het boek is opgezet in drie delen.

Deel één is wat mij betreft het beste en op zichzelf de aankoop van het boek al waard. Het biedt een uitgebreide beschrijving van de historische context waarin de islam is ontstaan. Hulspas neemt daar zowel in plaats, tijd als thematiek flink de ruimte voor. Deel één laat duidelijk zien dat de islam niet is ontstaan in een afgelegen woestijn-hoek van de wereld, maar in een regio die vollop meedeed met de wereldgeschiedenis. Het Byzantijnse rijk, het Perzische rijk van de Sassaniden, het christelijke koninkrijk in Ethiopië, het Joodse koninkrijk van Himyar in Jemen en diverse Arabische stammen en stamverbanden speelden daarin de hoofdrol en die worden elk door Hulspas ook belicht.

Ook de veelkleurige religieuze (voor)geschiedenis van het Arabisch schiereiland en zijn wijde omgeving komen ruimschoots aan bod. Dit is het enige publieksboek dat ik zo snel kan noemen dat bijvoorbeeld aandacht besteedt aan de profeet Mani, de stichter van het Manicheïsme, die – evenals Mohammed veel later – claimde het ‘zegel der profeten’ te zijn en de door Jezus beloofde ‘helper‘ (in de christelijke traditie de Heilige Geest).

Door die ruime aanpak is deel één wel een lastige leesklus. Hulspas springt regelmatig heen en weer in de tijd wanneer hij weer een nieuwe verhaallijn oppakt en noemt bijzonder veel namen van volkeren, stammen en personages. Een notitieblokje en een landkaart zijn geen overbodige luxe. Daar staat tegenover dat geen enkel publieksboek over het leven van Mohammed of het ontstaan van de islam zo uitgebreid ingaat op die context, die zéér relevant is voor het ontstaan van de islam.

Deel twee is de eigenlijke biografie (deel drie bevat de ‘nasleep’), waarin Hulspas het hoofdprobleem van elke biografie van Mohammed bij de horens vat, namelijk dat we eigenlijk niets over de man weten. De enige bronnen die we hebben, zijn wat losse en partijdige opmerkingen van christelijke schrijvers, waarvan we niet weten of ze wel goed geïnformeerd waren, de koran en de islamitische traditieliteratuur. De laatste zijn een eeuw of twee, drie later opgeschreven en je kunt dus gegronde twijfels hebben bij het gebruik ervan. De koran geldt in brede kring wel als contemporain, maar afgezien van de vraag of dat wel waar is, biedt deze als biografische bron vrijwel geen directe informatie over Mohammed.

Tot voor kort is dat altijd opgelost door de islamitische traditie min of meer voor waar te houden, aperte wonderverhalen en andere onzinnigheden er uit te filteren en de zo overgebleven ‘feiten’ met enig psychologisch inzicht te duiden. Biografieën als die van Karen Armstrong en Maxime Rodinson passen in die ‘school’, die tegenwoordig ‘naief’ genoemd wordt. De verhalen uit de islamitische traditie blijken namelijk vrijwel nooit betrouwbaar terug te voeren te zijn naar de tijd van de profeet zelf. Op zijn vroegst dateren ze van een eeuw later en vaak zelfs nóg later. Ze vertonen dan ook onderling behoorlijk wat tegenstrijdigheden.

Dat heeft geleid tot een reeks publicaties met andere, revisionistische ideeën, waarin zelfs de vraag ‘heeft Mohammed eigenlijk wel bestaan?’ niet werd geschuwd. Recent werk van de ons inmiddels ontvallen PVV-europarlementarier en Arabist Hans Jansen en het veelbesproken boek van Eildert Mulder en Thomas Milo zijn daar een voorbeeld van. Hulspas’ boek zit daar ergens tussenin, met als meest opvallende kenmerk dat hij er van uit gaat dat Mohammed heeft bestaan en vooral: dat in de islamitische traditieverhalen en de koran betrouwbare informatie te vinden is over het leven van de man. De redenen voor die keuze licht hij nergens toe, op één opmerking na, waarin hij stelt dat het nu eenmaal het enige is wat we hebben.

Hulspas is kritischer in zijn behandeling van wat de bronnen ons bieden. Daarbij wordt hij geholpen door de wetenschap dat veel van de biografische verhalen achteraf zijn uitgevonden om bepaalde koranpassages te verklaren en van een historische context te voorzien. Ook van het gegeven dat de hele wereld rond de beginnende islam zich bediende van een verhalenvertellerscultuur, waarin hele andere regels golden ten aanzien van wat ‘waar’ was dan in de onze, maakt Hulspas dankbaar gebruik. Zo scheidt hij al onderzoekende en schrijvende het kaf van het koren.

De keuzes die hij daarbij maakt, zijn niet altijd even makkelijk te volgen. Hulspas is bijzonder sterk in het stellen van kritische vragen aan de bronnen, maar zijn antwoorden zijn lang niet zo overtuigend als hij denkt. Zo maakt hij – het is wél de eerste keer dat ik het tegenkwam in een publieksboek – melding van een religieuze hervorming die kort voor het optreden van Mohammed plaatsgevonden zou hebben in Mekka. Er is één bron: de – late – eerste biografie van Mohammed. Hulspas citeert een aantal behoorlijk cryptische passages, voorziet ze van een heldere en éénduidige interpretatie en weet de lezer op basis daarvan te vertellen wat de hervorming precies inhield.

Die hervorming is interessant, omdat ze aangeeft dat er mogelijk al monotheistische tendenzen aan de gang waren in Mekka ruim voordat Mohammed optrad. Dat is op zich al het vermelden waard, maar Hulspas gaat zelfs details reconstrueren en weet uiteindelijk te melden dat pelgrims vanaf die hervorming kleding dienden te dragen die gemaakt was van of tenminste leek op veren. ‘Veren’ is de letterlijke vertaling van een term uit de koran waarvan niemand weet wat er eigenlijk mee wordt bedoeld. Hulspas maakt er veren van door er andere citaten en zelfs Adam en Eva bij te halen en al die bevindingen in een schijnbaar logisch verband te plaatsen. Ik moet dan altijd denken aan de taalkundige die over vierduizend jaar de betekenis van ‘blonde rakker’ moet reconstrueren.

Dit is dan nog een klein detail, maar Hulspas weet het grootste deel van zijn verhaal zo op te bouwen: hij brengt korancitaten en biografisch materiaal uit de islamitische traditie bij elkaar, schept een logisch verband, plaatst wat kritische noten en bouwt op zijn interpretaties een verhaal dat hij met zelfverzekerdheid brengt. Mij begon het op een gegeven moment op te vallen: ‘ongetwijfeld’ komt 34 keer in zijn boek voor, ‘zo lijkt het’ 20 keer, ‘het lijkt erop’ 16 keer en zo zijn er vele variaties op die formulering die eigenlijk aangeven dat Hulspas hier hypotheses aan het formuleren is.

Dat is op zich niet erg, maar zijn  hypotheses bouwen behoorlijk op elkaar voort. Interpretaties uit de ‘eerste laag’ vormen de input voor verdere interpretaties in een ‘tweede laag’ en zo verder. Het is een kaartenhuis, dat waarschijnlijk al instort al er maar een paar interpretaties onjuist blijken te zijn. En er doen zich nogal wat gelegenheden voor waar alternatieve interpretaties goed mogelijk zijn.

Zo past Hulspas onder andere het zogenaamde ‘gêne-criterium’ toe: een verhaal met een inhoud die eigenlijk te beschamend is voor de profeet, móet wel waar zijn. Zoiets zouden de gelovigen nooit hebben verzonnen. Het is een bekend criterium uit het Jezus-onderzoek. Uitgerekend in de islam is het gebruik van dat criterium twijfelachtig. Om te beginnen zijn traditieverhalen in later tijd vaak verzonnen om de voorouders van de verschillende partijen en facties in het zonnetje te zetten, desnoods ten koste van de profeet. Hulspas verwijst er zelf regelmatig naar.

Bovendien zijn er in de vroege islam groepen moslims geweest die Mohammed als profeet niet bijzonder hoog aansloegen: zijn functie was slechts die van ‘postbode': het doorgeven van de boodschap, maar als mens stelde hij niet bijster veel voor. Jezus werd door deze moslims veel hoger aangeslagen. Ook uit die factie kunnen verhalen met een negatieve kijk op de profeet afkomstig zijn, zoals het verhaal waarin Mozes Mohammed steeds maar weer terugstuurt de hemel in om opnieuw met God te onderhandelen over het aantal gebeden per dag. Als Mozes niet had ingegrepen, hadden moslims nu 50 keer per dag moeten bidden…

Kort samengevat: ik ben niet overtuigd door Hulspas’ antwoorden in het tweede en derde deel. Toch heb ik het met plezier gelezen om twee redenen, de eerste noemde ik al: hij stelt zulke verdraaid leuke vragen en zet de lezer aan het denken. De tweede is dat Hulspas aandacht besteedt aan relevante details die je in geen enkele andere inleiding in het onderwerp tegenkomt, zelfs niet in die van Hans Jansen uit zijn normale periode. Het zijn er echt heel veel: een opsomming zou deze hele blogpost kunnen vervangen. Ik raad u het boek – als de materie u tenminste boeit – dus wel degelijk van harte aan.

Geplaatst in Geschiedenis, Koran | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Hoe oud is de koran?

DAM01-27-1f3r_02Eind jaren zeventig schreef de Amerikaanse historicus John Wansborough het boek ‘Quranic Studies’, waarin hij betoogde dat de koran in de vorm zoals we die nu kennen, samengesteld was in de negende eeuw, ruim twee eeuwen na de dood van Mohammed. De vroege islam zou dus nog geen koran of in ieder geval geen koran hebben gehad die af was. Zijn boek heeft geleid tot nogal wat navolging, voornamelijk vanwege de nieuwe methoden die hij toepaste op de koran: methoden die gangbaar waren in het onderzoek naar de geschiedenis van antieke teksten en theologische gereedschappen om de betekenis en functie van religieuze teksten te achterhalen. Die methoden worden nog steeds toegepast en uitgedragen door wetenschappers als een nieuwe en vruchtbare weg van koranonderzoek, ook nu we weten dat Wansboroughs datering onjuist is.

Daarnaast was er ook veel kritiek, vooral uit islamitische hoek en vooral over die datering. Een koran uit de negende eeuw spreekt namelijk alles wat moslims geloven tegen. Niet alleen zou daarmee het directe verband tussen de openbaringen van Mohammed en de optekening ervan op losse schroeven komen te staan, ook wat binnen de islam bekend is over hoe de koran tot stand gekomen is, is niet te rijmen met een datering in de negende eeuw.

Doorgaans geloven moslims dat er maar één koran is, die niet alleen senkrecht von oben is nedergedaald, maar daarna ook in slechts één versie is overgeleverd, zonder afwijkingen en in opperste staat van betrouwbaarheid, tot op de huidige dag. Die betrouwbare tekstoverlevering wordt ervaren als een sterk contrast met de tekstoverlevering van de bijbel die – zoals algemeen bekend – een nogal bewogen geschiedenis heeft. Menig westerse geleerde die in het Midden Oosten op zoek was naar oude manuscripten van de koran is wel eens op onbegrip gestuit: waarom oude korans zoeken als je om de hoek bij de boekhandel een gloednieuw exemplaar kon kopen?

Wansborough sprak die geloofsovertuiging tegen, maar raakte ook een open zenuw. Want moslims weten zelf ook dat het verhaal dat ik in de vorige alinea schreef, enige nuance behoeft. Zo is het niet moeilijk om in de islamitische traditie de bewering te vinden dat de koran is geopenbaard in zeven ahruf, letterlijk: ‘letters’. Wat daarmee wordt bedoeld? Meestal houden moslims het op ‘dialecten’, van de verschillende Arabische stammen, maar wie de islamitische literatuur over die vraag bekijkt, komt er al snel achter dat er tientallen verklaringen zijn. We weten het dus gewoon niet.

Zelfs over de vraag of van die ahruf er nu nog maar één over is, of dat ze alle zeven nog gevonden kunnen worden, is men het niet eens. Bovendien bestaan er van de koran ook nog qira’at, doorgaans vertaald met ‘reciteerwijzen’. Daar zijn er zeker twintig van en de onderlinge verschillen tussen die twintig belopen rond de 30.000 tekstvariaties. Professionele islambashers, meestal van christelijke huize, hebben er groot plezier in die variaties op te sporen en te publiceren op het internet en de meest sprekende voorbeelden zijn dan ook eenvoudig te vinden.

Voor de minder in het oog lopende voorbeelden heb je specialistische literatuur nodig. Ik weet dat het aantal varianten in de 30.000 loopt omdat ik dat een keer heb gelezen over het vijfdelige standaardwerk, dat in Koeweit is uitgegeven. Een handzamer naslagwerk heb ik ooit zelf gekocht, in Teheran. Studie van qira’at is een gewoon onderdeel van de islamitische theologische opleiding en zelfs niet-theologisch geschoolde moslims weten ervan: er is één koran, maar in meerdere reciteerwijzen.

Want in werkelijkheid zijn die 30.000 onderlinge verschillen helemaal niet zo imposant. Het leeuwendeel betreft verschillende spellingsconventies, heel soms wordt een ander voegwoord of partikel gebruikt en in zeer zeldzame gevallen staat ergens een synoniem. Ik ken slechts drie voorbeelden – er zijn er vast meer – van passages waar naast de woorden, ook de betekenis van de tekst iets verschilt. Maar geen moslim ligt wakker van de vraag of God nu de Koning, dan wel de Eigenaar van de Oordeelsdag is als hij soerat al-Fatiha bidt.

Toch wijzen die qira’at wel degelijk op een zekere geschiedenis. Die twintig zijn namelijk alleen de canonieke, erkende reciteerwijzen. Er zijn er meer bekend en in de islamitische literatuur zijn daarnaast vele citaten te vinden van passages die afwijken van de erkende teksten. Vaak zijn dat citaten uit korans die in het bezit zouden zijn geweest van directe volgelingen van Mohammed. Die exemplaren zouden uiteindelijk verloren zijn gegaan tijdens één van de meest ingrijpende hervormingen waar de islamitische traditie herinneringen aan bewaart: het vaststellen van een standaard tekst van de koran onder de derde kalief Uthman (644-656) ten koste van alle andere teksten, die moesten worden verbrand.

Het lijkt er nu op dat er één tekst gevonden is die mogelijk in dat verhaal kan passen. Het gaat om de ‘ondertekst’ van een palimpsest. Dat is perkament dat is hergebruikt door de oude tekst – de ondertekst – weg te krabben en er een nieuwe overheen te schrijven. Zo’n ondertekst kan weer leesbaar gemaakt worden. De palimpsest is in de jaren zeventig gevonden in Sanaa, de hoofdstad van Jemen, en inmiddels (2012) integraal gepubliceerd door twee – ik vermoed – Iraanse moslims: Behnam Sadeghi en Mohsen Goudarzi.

In tegenstelling tot wat veel mensen denken, doen er namelijk ook moslims mee in het onderzoek ‘aan westerse kant’. Sadeghi en Goudarzi hebben zich van hun taak uitstekend gekweten, beter dan eerdere (deel)publicaties van het manuscript door westerse, maar revisionistische wetenschappers, die bovendien bovenop hun microfilms van het manuscript blijven zitten.

De ondertekst van het door Sadeghi en Goudarzi gepubliceerde palimpsest is overduidelijk een korantekst, maar zó verschillend van wat we al kennen, dat het hier wel moet gaan om een tekst die buiten de traditie valt waaruit de standaard van Uthman is voortgekomen. Sommige tekstvarianten komen overeen met die we al uit de literatuur kennen, andere zijn volkomen nieuw. Zij menen dan ook dat we een tekst te pakken hebben van een vroege volgeling van Mohammed. Dat is natuurlijk niet onmogelijk, maar het hoeft niet.

Het palimpsest is gedateerd met behulp van de koolstofmethode: 1407 BP ± 36. De doorzetters onder de lezers van dit blog weten dat zo´n datering moet worden gecalibreerd. Dat levert de volgende cijfers op: 614-656 cal AD bij en 578-669 cal AD bij . Er bestaat dus 68% kans dat het perkament uit de periode 614-656 stamt en 95% dat het uit de periode 578-669 komt. De datering is uitgevoerd door een lab met een uitstekende reputatie en is conform de regelen der kunst gecorrigeerd voor isotoopfractionering. Niks raars aan de hand dus en de conclusie is onvermijdelijk: dit is een korantekst uit de zevende eeuw.

Althans, daar lijkt het sterk op. Want wie de cijfers heel goed bekijkt, kan ze alsnog gaan interpreteren. Sadeghi en Goudarzi doen dat door de datering anders te publiceren dan gebruikelijk:

More precision may be obtained by radiocarbon dating, which assigns the parchment, and hence the lower codex, to the period before AD 671 with a probability of 99% (before 661 with the probability of 95.5%, and before 646 with a probability of 75%).

Het doel van deze weergave is duidelijk: aangeven dat dit manuscript niet alleen zeer oud is, maar ook dat hij wel moet stammen uit de periode voor of rond de standaardisering van kalief Uthman. Er wordt met andere woorden gezocht naar aansluiting bij het traditionele islamitische verhaal, zoals dat uit bronnen van enkele eeuwen later kan worden gehaald.

Dat is echter niet de enige mogelijkheid: de kans dat het manuscript uit de periode 578-610 komt is weliswaar kleiner, maar nog steeds zeer reëel. Dat is de periode waarin Mohammed nog helemaal geen openbaringen ontvangen had volgens datzelfde traditionele verhaal. Een volledig alternatief idee wordt door deze koolstofdatering niet weersproken: de koran zou wel eens ouder kunnen zijn dan de islam of het optreden van Mohammed.

Dat idee is al eens geopperd, onder andere op basis van het gegeven dat we het Arabisch uit de vroeg-islamitische periode prima begrijpen, maar dat het Arabisch van de koran ons voor grote problemen stelt. Zou het een eerdere – minder goed begrepen – taalfase kunnen weergeven? Dat is circumstantial evidence, er is geen direct bewijs dat de koran ouder is dan we denken. Daarvoor is de vondst van een nóg ouder manuscript noodzakelijk, of een citaat bij een schrijver uit een oudere periode, wat dan natuurlijk geen interpolatie mag zijn. Dat is echter niet voorhanden.

De koolstofmethode is in ieder geval niet precies genoeg om een zevende eeuws manuscript te koppelen aan een tot op het decennium nauwkeurig gedateerde historische gebeurtenis. Maar we weten nu wel zeker dat er ten minste één alternatieve teksttraditie méér is geweest naast de traditie waaruit de standaard van Uthman is voortgekomen en dat verhaal kan – bij de vondst van meer manuscripten – alleen maar spannender worden.

Geplaatst in Koran, Wetenschap | Tags: , , | 2 reacties

Straatterreur

ColportageKrantIn mijn eigen buurt, in mijn eigen straat, voel ik me de laatste tijd niet meer veilig. Dat heeft niets te maken met het feit dat ons inmiddels de grote denker Fred Teeven ontvallen is, maar met lieden die geld van mij willen.

Er gaat bijna geen dag voorbij of er staan wel mensen op de brug in mijn buurt die je ongevraagd aanspreken. Er zit een daklozenopvang direct naast die brug, maar het aantal daklozen dat me de afgelopen jaren heeft aangesproken voor ‘een eurootje’ is op de vingers van één hand te tellen.

De kwestie is deze: die brug – die in een winkelstraat ligt – is onvermijdelijk. Wie er niet overheen wil, moet via het noorden twee kilometer omlopen en via het zuiden een kilometer. Je moet bovendien goed de weg kennen, want bij ons in het dorp lopen nogal wat grachten die niet voor elke doorgaande route van een brug voorzien zijn. De brug is dan ook de ideale plek voor colporteurs en het dorpsbestuur besluit met een zeer grote regelmaat om aan allerlei instanties vergunning te verlenen om passanten aan te spreken voor ‘koude acquisitie’.

U kunt het zo gek niet bedenken: het Parool, het Handelsblad en de Volkskrant staan er zowat elk weekeinde, soms zelfs alle drie tegelijk, maar dan in de vermomming van ‘de Nationale Krantentest’. Tussendoor staan er nog diverse organisaties die iets doen voor mensen in binnen- en buitenland die op enigerlei wijze hulpbehoevend zijn. Plus natuurlijk de onvermijdelijke categorie ‘overige bedrijven’. Ik kan de straat niet meer over – de locale supermarkt zit aan de overkant – zonder aangesproken te worden door een vrolijk spontaan leuk jong ding met een voorstel.

Nu bestaat er in Nederland al sinds jaar en dag een ongeschreven protocol voor wanneer u niet op die voorstellen in wilt gaan. U heeft het meegekregen van uw ouders tijdens uw opvoeding. Het komt ongeveer neer op het volgende: het vrolijke spontane leuke jonge ding spreekt u aan, u houdt even in (dat is optioneel), wekt de indruk welwillend naar een korte uitleg over doel en nut van de activiteiten van het vrolijke spontane leuke jonge ding te luisteren en weigert dan beleefd met een frase waarvan de lengte naar eigen inzicht gekozen mag worden.

Heeft u ervoor gekozen niet even in te houden, dan loopt u door en uit uw weigering in weinig woorden. Het vrolijke spontane leuke jonge ding zoekt vervolgens naar een nieuw slachtoffer. Het is niet verplicht om in uw – lang of kort geformuleerde – weigering iets te zeggen dat ook feitelijk juist is, het belangrijkste is dat u beleefd blijft en het vrolijke spontane leuke jonge ding van dienst in zijn of haar waarde laat. In ruil daarvoor blijft ook het vrolijke spontane leuke jonge ding beleefd tegen u.

En juist daar gaat het mis. Om te beginnen start het acquisitiegesprek niet meer met een variatie op het gebruikelijke thema ‘mag ik u wat vragen?’ In plaats daarvan vuurt het vrolijke spontane leuke jonge ding een zonderlinge vraag op je af. Eén die niets te maken heeft met colportage en nog minder met het doel van het gesprek. Of ik vroeger op school wel eens gespijbeld heb, dat soort vragen.

Op zo’n soort vraag geef je – al is het maar uit verbouwereerdheid – een zo normaal mogelijk antwoord, voor zover dat gegeven de vraag mogelijk is, en dan zit je plotsklaps in het gesprek dat je volgens de ongeschreven spelregels eigenlijk nog moet gaan afwijzen. Maar dat kan dan al niet meer. In plaats daarvan is je taak je weer beleefd uit het reeds aangevangen gesprek terug te trekken. Ik heb ooit begrepen dat dat precies de techniek van een DOS-attack is, maar daar blog ik wel een andere keer over.

Bij dat terugtrekken gaat nog meer mis. Want hoe je ook probeert verbaal weer uit die valkuil te klauteren, het vrolijke spontane leuke jonge ding heeft letterlijk overal een antwoord op. Geen enkele variatie op het thema ‘nee’ lijkt door die vrolijke spontane leuke jonge dingen begrepen te worden. Ze begrijpen het natuurlijk wel, maar ze zijn allemaal op de cursus geweest waar je leert dat ieder ‘nee’ slechts een ‘ja maar’ is. Ze hebben technisch gezien een enorme voorsprong. Alles wat ik daar op straat sta te improviseren, hebben zij al twintig keer geoefend. Eitje.

En het knappe is dat het vrolijke spontane leuke jonge ding die blaartrekkende exercitie weet te voltrekken zonder ook maar één moment de indruk te wekken dat er sprake is van onbeleefdheid of grensoverschrijdend gedrag. Terwijl het natuurlijk apert onbeschoft is om een gesprekspartner die al zes keer ‘nee’ gezegd heeft nog steeds niet serieus te nemen. Toch slagen ze erin om elke argeloze voorbijganger zo, op een zeer respectvolle wijze te dissen.

Nu zijn er ruwweg drie oplossingen voor dit probleem. De makkelijkste is kortaf of ronduit onbeleefd te reageren. Dat werkt ook het snelst. De minst effectieve manier is ze kordaat uit te leggen dat je niet gedient bent van hun handelswijze en dat je hun bejegening onbeschoft vindt. Dat zou in theorie een toekomstige passant kunnen sparen, maar áls die interventie al effect sorteert, dan staan er voor elk vrolijk spontaan leuk jong ding weer tien paraat om de opengevallen plek in te nemen. Zo blijf je bezig.

Onbeleefd reageren is voor mij geen optie: ik los het probleem weliswaar direct op, maar onbeleefd uitvallen tegen mijn – ook onbeleefde – medemens verpest mijn humeur voor minstens een halve dag. Dus ik kies meestal voor de derde optie: een antwoord geven op de zonderlinge openingsvraag dat net zo onverwacht is als die openingsvraag zelf. Dat brengt elk vrolijk spontaan leuk jong ding uit evenwicht en daarvan kun je gebruik maken om door te lopen. ‘Mevrouw, ik zou niets liever willen, maar ik moet u teleurstellen, ik ben al getrouwd’ heeft me al meermaals uit de brand geholpen.

Maar ik heb er helemaal geen zin in om over straat te lopen en ook nog eens permanent op mijn qui vive te zijn, immer paraat om een snedig antwoord te debiteren. Letten op het verkeer is al zwaar genoeg. Ik loop daar gewoon als law abiding, tax paying citizen, minding my own business. Ik wil met rust gelaten worden!

Dus steek ik tegewoordig als een schichtig konijn de straat over, check eerst waar de verkopers staan en kies dan de route naar de supermarkt met de kleinste kans om door zo’n vrolijk spontaan leuk jong ding getackeld te worden. Ik blijk dat geheel automatisch en onbewust te doen: ik betrap mezelf er regelmatig op dat ik dit sluipgedrag vertoon.

En dus wil ik mijn straat terug. Waar is grote denker Fred Teeven wanneer je hem nodig hebt?

Geplaatst in Samenleving | Tags: , | 5 reacties

Tweede Pinksterdag

Dakhaas01

Aan:
Zijne Eminentie Wim kardinaal Eijk

Eminentie,

Uit de schoot van de Heilige Moederkerk roep ik tot u. Doe het toch niet! Ik weet wel dat de Paastijd vijftig dagen duurt en dat Tweede Pinksterdag op de 51e dag valt. Ik weet dat er voor die dag geen enkele schriftuurlijke of theologische rechtvaardiging voorhanden is en dat er dus alles voor te zeggen valt om die dag als vrije dag af te schaffen. U lijkt daar onlangs voor te hebben gepleit. Maar in dit land van volledig doorgeseculariseerde calvinisten interesseert dat niemand ook nog maar ene lor, als ze het al snappen.

In plaats daarvan zou u beter Tweede Kerstdag op kunnen geven. Het gedenken van de Heilige Stefanus, martelaar, met een vrije dag geniet óók geen enkele schriftuurlijke of theologische rechtvaardiging. Zeker niet in een land waar ook de grotere en belangrijker heiligen als de Heilige Nicolaas van Myra, de Heilige Martinus van Tours, de Moeder Gods, de Heilige Jozef, arbeider, de Apostelen en de Heilige Franciscus van Assisi slechts worden bedacht met een anti-racisme-betoging, kinderen die – noodgedwongen ‘s avonds – om snoep komen bedelen, een staking of bezetting, werelddierendag dan wel een gewone werkdag die onopgemerkt voorbijgaat.

De reden voor Tweede Kerstdag zal ik u uitleggen, hij is even eenvoudig als Bartjens: volgens mij valt Tweede Kerstdag slechts vijf maal in de zeven jaar op een werkdag. Terwijl Tweede Pinksterdag – uit de aard der zaak – altijd op een maandag valt. Ongetwijfeld heb ik daar niet exact gelijk mee, maar daar heb ik reageerders voor die me wel op mijn rekenfout zullen wijzen. Hoe het ook zij: u berooft met Tweede Kerstdag werkend Nederland van slechts vijf vrije dagen in zeven jaar, of daaromtrent, maar met Tweede Pinksterdag zijn het zeven vakantiedagen in zeven jaar.

Met Tweede Pinksterdag zijn waarden gemoeid die ook hen die het Pinkstergebeuren niet snappen, lief zijn. Want die volledig doorgeseculariseerde calvinisten hier te lande interesseert één ding wél: de Mammon. Er gaat geen maand voorbij of de baas verklaart tegenvallende cijfers wel met de frase dat ‘er best veel vrije dagen in deze maand zaten’. Alsof het begrip correctiefactor nooit is uitgevonden. Elke dag dat het personeel niet werkt is voor die knakenpoetsers een dag niet geleefd, dus die zijn maar wat blij met die zeven dagen.

Daarom Eminentie: als het dan toch moet, offer dan Tweede Kerstdag op. Het Nederlandsch Proletariaat zal er u dankbaar voor zijn.

Geplaatst in Religie, Samenleving | Tags: , , | 1 reactie

Takfir!

takfir01In Ierland is bijna iedereen katholiek en dat leidt tot een aantal opvallende verschillen met – bijvoorbeeld – Nederlandse katholieken. Zo vertelde een Ierse vriendin me eens dat Ieren hun mede-katholieken zelfs in het allerergste geval op zijn hoogst ‘a bad Catholic’ zullen noemen, maar nóóit ‘not a Catholic’. In Ierse ogen is zo’n opmerking ‘far too Protestant’. Hetzelfde verschijnsel – zonder de verwijzing naar Protestanten – bestaat in de islamitische wereld, waar zo mogelijk een nog groter taboe rust op het benoemen van ongelovigheid bij medemoslims. Daarentegen wemelt het van de ‘niet écht goede moslims’ en de ‘écht niet goede moslims’, maar verder gaat het niet.

Die attitude gaat terug op een uitspraak van de profeet Mohammed himself, die meende dat wanneer de ene moslim de andere uitmaakte voor ongelovige, ten minste één van de twee dat ook daadwerkelijk was. Dat was uiteraard bedoeld als waarschuwing – en wordt ook zo opgevat – ongeveer zoals het Nederlandse gezegde dat wanneer je met één vinger naar een ander wijst er drie vingers naar jezelf wijzen. Of de mop van die balk en die splinter natuurlijk. Die Mohammed was geen domme jongen: een gemeenschap die zich voorzichtig onthoudt van al te scherpe uitspraken aangaande de geloofsopvattingen van de groepsgenoten heeft in ieder geval één machtig middel om haat te zaaien effectief kaltgestellt.

Dat kaltstellen moet – om goed te werken – wel gebaseerd zijn op een gedeeld ‘vertoog': zowel beoordelaars als beoordeelden moeten dezelfde visie delen op wat een echte gelovige nu eigenlijk is en wat niet. De maat waarnaar men zou kunnen oordelen – maar waarnaar men dat idealiter niet doet – wordt door iedereen onderschreven. Zo komt het dat het bepaald niet lastig is om moslims te vinden die ook zichzelf zullen onderbrengen in de grote groep ‘niet écht goede’ tot ‘écht niet goede’ moslims. Dat geldt zelfs voor moslims die bij nadere ondervraging blijken helemaal niet tekort te komen in de naleving van bepaalde voorschriften, maar die er ook daadwerkelijk geen snars van geloven.

Geen wonder dat er in het westen nog steeds onderzoekers rondlopen die hetzelfde idee verkondigen: er bestaat zoiets als ‘islam’, waarvan je de inhoud redelijk betrouwbaar kunt vaststellen en reëel existerende moslims voldoen in meerdere of mindere mate aan dat ideaal. Er zijn met andere woorden goede en minder goede tot slechte moslims. Het sluit perfect aan bij wat je in de islamitische wereld zelf kunt horen. Mijn goede vriend Jona geeft hier een feilloze analyse van het resultaat: essentialisme of – nog mooier – ontologisch holisme. Maar in werkelijkheid gaan er achter die (zelf)benoemde ‘niet écht goede’ moslims mensen schuil die een griezelig breed scala aan opvattingen kunnen huldigen die hier te lande niet anders dan in heel veel verschillende denominaties ondergebracht kunnen worden.

U heeft bij het lezen van al het bovenstaande waarschijnlijk al enkele keren de wenkbrauwen gefronsd. Elkaar voor ongelovigen uitmaken, moslims doen toch niet anders? Van Ayaan Hirsi Ali die op de nationale televisie voor murtad (afvallige) werd uitgemaakt tot de Vorst der Gelovigen en zijn rebellenclub die allen die hen onwelgevallig zijn tot kafir (ongelovige) benoemen en dan ook maar meteen een kopje kleiner maken? U heeft het in de krant vaak genoeg gelezen. Zó vaak dat u zelfs de Arabische naam voor de procedure wellicht kent: takfir – iemand voor ongelovige uitmaken.

En toch is takfir een uitzondering: een zonde die regelrecht ingaat tegen wat de profeet in hoogsteigen persoon leerde. Takfir is een hobby van radicalen binnen de islam: Kharidjieten zijn ermee begonnen: lieden die zó overtuigd achter de claim van Ali op de post van kalief stonden, dat ze hem uiteindelijk hebben vermoord omdat hij niet hard genoeg zijn best deed. Verderop in de geschiedenis komt het nog een paar keer voor met als voorlopig hoogtepunt salafisten en hun grootste medestanders: westerse islamcritici. Maurits Berger wijst er in deze blogpost fijntjes op hoezeer die twee op elkaar lijken. Hij is trouwens niet de eerste.

Berger heeft in zijn blogpost één zin opgenomen die zó listig is geformuleerd, dat hij inhoudelijk volkomen waar is, maar toch een beetje de verkeerde indruk geeft:

De islam is meer dan dertien eeuwen oud, maar de eerste zelfmoordaanslag die in naam van de islam veel slachtoffers wilde veroorzaken bij de vijand, dateert van 1983: de aanslag van Hezbollah op de Amerikaanse ambassade in Beiroet.

De eerste zelfmoordaanslagen door moslims dateren bij mijn weten uit de tijd van de kruistochten: de Assassijnen zijn er beroemd mee geworden en hebben zelfs hun naam gegeven aan het Franse en Engelse begrip voor ‘moordenaar’ tout court. Ook de Assassijnen waren zo’n extreme afsplitsing: volgelingen van een in de opvolging gepasseerde troonpretendent binnen het Fatimidenkalifaat, dat op zijn beurt binnen de Sji’ietische islam de Ismailische tak vertegenwoordigde, genoemd naar ene Ismail, een eveneens in de opvolging gepasseerde (zevende) imam van de Sji’ieten.

Maar Berger heeft technisch gesproken wel gelijk: de Assassijnen pleegden gerichte politieke moordaanslagen op één of enkele personen, die direct verantwoordelijk waren voor het weerstreven van hun politieke doelen. Massamoord op burgers – wier verantwoordelijkheid alleen kan worden aangetoond met behulp van lange en vergezochte redeneringen – stamt pas van later.

Geplaatst in Religie, Samenleving | Tags: , , | 2 reacties