Verdienmodel

ClarksOmdat ik voeten heb die niet helemaal mee willen, loop ik al jaren met steunzolen. Alleen als ik sandalen draag met een bepaald type meeverend voetbed kan ik zonder. Ik ben niet bang van onbeschaamd reclame maken: de sandalen waarmee ik niet minder dan de afgelopen tien jaar mijn lopende leven heb doorgebracht, waren van het merk Clarks. Na tien jaar zijn ze nog steeds niet kapot, alleen behoorlijk versleten. Toen ik dat in een onbewaakt moment aan mijn moeder vertelde, wist ze meteen waar ze me voor mijn verjaardag een plezier mee kon doen: een nieuw paar Clarks sandalen.

Dat was vorig jaar. Afgelopen zomer heb ik mijn oude Clarks nog even afgedragen op vakantie in het buitenland en deze zomer ben ik begonnen op mijn nieuwe. Ik schat dat ik er in totaal een maand of drie op gelopen heb. Afgelopen week ontdekte ik dat de aanhechting van één van de banden aan de zool half was losgescheurd. Bij nadere inspectie bleek datzelfde punt aan de andere sandaal ook al te zijn begonnen aan losscheuren. Dat is schrikken als je verwacht een paar jaar vooruit te kunnen.

Ik had de sandalen iets meer dan een jaar geleden gekregen. Dat betekende twee dingen: één, ik had de aankoop bon niet en twee, de garantietermijn van een jaar was recent al verstreken. Toch ben ik teruggegaan naar de winkel. Ik wist toevallig waar mijn moeder ze had gekocht.

Daar werd ik allervriendelijkst geholpen, daar niet van. Men was zelfs bereid om ook na het verstrijken van de garantietermijn de sandalen te laten repareren. En de aankoop bon hoefde ook niet per sé, een bankafschrift was ook goed, zolang maar op de één of andere manier duidelijk was dat de schoenen inderdaad in die winkel waren gekocht. Het zou immers zo kunnen zijn dat ze toch ergens anders waren gekocht en dan konden ze zich niet verantwoorden voor de gemaakte kosten van reparatie. Dat bleek het enige echt onoverkomelijke probleem te zijn voor de winkel.

Nu vind ik het bijzonder vervelend om te gaan vragen naar de bon, ook al is het geen geheim voor me wat ze gekost hebben. Nog veel vervelender vind ik het om mijn moeder te vertellen dat haar cadeau nu al kapot is (zij leest dit blog gelukkig alleen als ik erop wijs). Ik kon dus onverrichterzake terug naar huis en bedacht aldaar het volgende.

Punt één: het moet het personeel duidelijk zijn geweest dat hier geen ontevreden klant stond, maar een tevreden klant met een klein probleem. Dergelijke klanten kunnen nog maar één kant op en dat is richting ontevredenheid. Punt twee: aan de slijtage aan de zolen was goed te zien dat de sandalen niet veel gebruikt waren en ook niet bijzonder zwaar waren mishandeld. Punt drie: de sandalen waren zonder enige twijfel van Clarks en eventuele fabricagefouten of andere kleine ongevallen dus ook.

Misschien mis ik iets, maar volgens mij kun je als vertegenwoordiger van Clarks in zo’n situatie maar één ding doen: beseffen dat een sandaal niet binnen die tijd zo ernstig kapot hoort te gaan, laten bekijken wat er aan de hand is en zo de klant tevreden houden. Blijkt later alsnog dat hij iets vreselijk fout heeft gedaan, dan kun je hem dat tenminste met kennis van zaken uitleggen. Heeft de klant niks verkeerd gedaan, dan scoor je alleen maar als je de zaak laat repareren. Nogmaals: misschien mis ik iets, maar iedere andere actie lost het probleem niet op.

Helaas denkt Clarks daar anders over. Die hebben hun verkooppunten opgedeeld in eigen, aparte verdien-eenheden die ieder voor zich de baten zo hoog en de kosten zo laag mogelijk moeten houden. Om dat te stimuleren moeten die verdien-eenheden zich individueel verantwoorden tegenover het hoofdkantoor. Zo’n verdienmodel zal best werken, maar het zorgt er wel voor dat je klanten onnodig teleur stelt.

Zou het trouwens helpen, al die links in je blogpost?

Geplaatst in Samenleving | Tags: , | Een reactie plaatsen

Bewijs

foto: Cadbury Reseach Library, Birmingham

foto: Cadbury Reseach Library, Birmingham

Eerder blogde ik over de ‘ontdekking’ van het tot dusverre oudst bekende koranmanuscript in Birmingham, een vondst die aan alle kanten werd gezien als ‘bewijs’ voor het één of ander, of juist niet. Korte samenvatting van het voorgaande: Twee folio’s uit de bibliotheek van de Universiteit van Birmingham blijken de oudst bekende koranfragmenten te vormen. Ze zijn met de koolstofmethode gedateerd in de periode 568 – 645, met 95% zekerheid. Dat is extreem vroeg. De mogelijkheid dat de schrijver de profeet Mohammed (570 – 632) nog persoonlijk heeft gekend, is niet meer uit te sluiten. Maar afgezien van zo’n opmerkelijk borreltafelfeitje: wat bewijst deze vondst nu? Tijd voor een aantal vragen in een blogpost die meer weg heeft van een longread

1. Is het ontstaan van de koran nu gedateerd?
Nee. Op de folio’s staan 63 verzen (651 woorden) uit soera 18, 19 en 20. Op een totaal van 6236 verzen (ca.77.000 woorden) voor de hele koran is dat 1%. Conclusies over de datering kunnen nu alleen nog over die verzen worden getrokken. De folio’s horen mogelijk bij een ander manuscript in Parijs en als dat klopt, kan de reikwijdte van de datering eventueel worden uitgebreid over de verzen in dat manuscript. Ik vermoed dat het gaat om BNF 328c, het betreft dan een totaal van 502 verzen, zo’n 8% van de hele korantekst. De vergelijking tussen beide manuscripten betreft het handschrift, de scheidingstekens tussen de verzen en de wijze waarop de soera’s van elkaar worden gescheiden. De soerascheider wordt beschreven in het archief van de Bibliothèque Nationale de France:

trois filets ondulés de couleur rouge-orange sur lesquels ont été portés des points noirs courent parallèlement sur toute la largeur ; dans les deux intervales qui les séparent, des points de la même couleur ont été disposés. Dans la marge extérieure, les trois filets se rejoignent pour dessiner une palmette stylisée très grossière, en partie rognée.

Dat komt behoorlijk specifiek overeen met de soerascheider op het manuscript uit Birmingham:

M1572f1rSoerascheider01

2. Is de tekst van de verzen op de folio’s dan nu wel gedateerd?
Nee. Gedateerd is het perkament waarop de tekst staat. Er zijn geen aanwijzingen dat het perkament op het moment van beschrijven al oud was, dus vooralsnog moeten we ervan uit gaan dat de datering van het perkament ook ongeveer de datering van de tekst is. Perkament is duur en maak je niet in grote hoeveelheden voor niets. Dat wil overigens niet zeggen dat het onmogelijk is dat er oud perkament is gebruikt. Enkele resterende vellen die zijn overgebleven van een oud schrijfproject zijn zonder meer een mogelijkheid. En perkament is duur, dus dan begin je natuurlijk eerst met zoeken naar wat je nog hebt liggen.

Dat gezegd zijnde: zonder aanwijzingen voor gebruik van oud perkament heeft het geen zin om uit te gaan van die mogelijkheid. Dat lijkt eerder ingegeven door de gedachte dat de korantekst nu eenmaal niet zo oud kan zijn, en er dus wel oud perkament gebruikt moet zijn. Dat is niets meer dan een hulphypothese die een vooropgesteld dogma hoog moet houden. Anderzijds is het even dogmatisch om ervan uit te gaan dat er geen oud perkament gebruikt kan zijn, zoals Muhammad Isa Waley, een curator van de British Library naar aanleiding van deze vondst deed:

The Muslim community was not wealthy enough to stockpile animal skins for decades, and to produce a complete Mushaf, or copy, of the Holy Qur’an required a great many of them.

Dat is klinkklare onzin. Op basis van bovenstaande cijfers schat ik dat met twee folio’s per geit je ongeveer 112 geiten nodig hebt voor één koran. Tegen het einde van de periode waarin de folio’s zijn gedateerd (568 – 645) hadden de Arabieren de Levant, Egypte en Perzie al veroverd. De hoeveelheid buit moet astronomisch zijn geweest en die paar kuddes geiten die nodig waren voor deze koran moet daar slechts een fractie van zijn geweest. Een goede voorraad schrijfmateriaal is nooit weg. Bovendien kun je de redenering ook omdraaien: juist als je arm bent, moet je je perkament voor een groot schrijfproject opsparen en is de kans op gebruik van oud perkament groot.

3. Bewijst deze vondst dat de tekst van de koran vroeger anders was?
Nee, integendeel zelfs. De tekst op het manuscript verschilt nauwelijks van de tekst van de koran zoals we die nu kennen. Op 651 woorden zijn 67 verschilpunten te zien. Dat klinkt imposant, maar op 43 plekken waar in de huidige standaardtekst de letter alif staat, ontbreekt deze in het manuscript. Dat is niets anders dan een afwijkende spellingsconventie rond het wel of niet schrijven van een lange ‘a’.

Op 16 plekken ontbreekt de letter hamza, waarvan we weten dat het een later ingevoerd teken is dat oorspronkelijk geen onderdeel was van het Arabische alfabet. Het verduidelijkt waar in een woord een glottisslag (de klank tussen de twee a’s in na’apen) valt. Op één plek ontbreekt de combinatie wav-hamza , ook een spellingsconventie van later datum die de glottisslag plus ‘oe’-klank weergeeft. Verder ontbreken vijf scheidingstekens voor de verzen en staan er twee extra op plekken waar ze in de standaardeditie niet staan. De tekst komt verder geheel overeen met de tekstredactie die aan de derde kalief Uthman wordt toegeschreven.

4. Bewijst deze vondst dan dat de huidige korantekst de oorspronkelijke is?
Ook niet. Uit de islamitische traditie is bekend dat er naast de redactie van Uthman ook andere tekstredacties waren en dat er felle discussies waren tussen ‘aanhangers’ van de diverse redacties. Uthman kreeg van zijn tegenstanders zelfs de bijnaam ‘verbrander van het Boek’, omdat hij na zijn standaardisatie bevolen zou hebben dat alle andere exemplaren moesten worden verbrand. Dat is trouwens niet altijd gebeurd. Islamitische theologen hebben ook nooit echt afscheid genomen van die andere redacties en zijn afwijkende teksten eruit ook blijven gebruiken in hun commentaren en exegese. Zo weten we dat de afwijkingen tussen die teksten en de versie van Uthman behoorlijk zijn geweest.

Er is ook een koranmanuscript bekend uit Sanaa, in Jemen, dat slechts enkele decennia jonger is dan het manuscript uit Birmingham, waarop een tekstredactie is bewaard die sterk verschilt van de Uthmanische. De verschillen betreffen soms een al bekende afwijking van een andere niet-Uthmanische tekst die we uit de literatuur kennen, maar ongeveer even zo vaak is er een unieke, tot dusverre onbekend alternatief te vinden.

Wat we weten uit de islamitische traditie is dus dat er vanaf het begin meerdere tekstredacties naast elkaar hebben bestaan. Wat we weten van de oudste manuscripten lijkt dat beeld te bevestigen. Het is zo goed als onmogelijk te zeggen welke redactie nu de ‘oorspronkelijke’ was. Dat is ook een lastige vraag als je een tekst hebt waarvan zelfs gelovigen beweren dat er 22 jaar lang aan gewerkt is, van 610 tot 632, en dat er tijdens die periode al mensen waren die (delen van) de tekst optekenden. Het is ook een lastige vraag als tegenstanders en andere critici vanaf het begin al beweren dat het teksten zijn die zijn overgenomen of zelfs overgeschreven uit joodse en christelijke bronnen. Zonder eerst nauwkeurig te definiëren wat je bedoelt met ‘de oorspronkelijke tekst’, kun je met die vraag eigenlijk niets.

5. Als de geschreven tekst al zo oud is, klopt het dan wel dat de korantekst in eerste instantie vooral mondeling werd overgeleverd?
Ja, dat klopt. Een belangrijke overweging die bij dit manuscript in het achterhoofd gehouden moet worden, is dat het schrift in deze tijd nog niet voldoende ontwikkeld is om alle aspecten van de tekst vast te leggen, de klinkers voorop. Ook veel tekens die de verschillende medeklinkers uit elkaar moeten houden, zijn niet consequent toegepast. Dat wil zeggen dat teksten zoals op dit manuscript uit Birmingham vooral gefunctioneerd hebben als geheugensteun voor mensen die de tekst toch al min of meer uit hun hoofd kenden.

Dat blijkt onder andere uit de schrijfconventies. Zoals gezegd wordt de letter alif niet consequent gebruikt voor het aangeven van de lange ‘a’. Ik noemde dat hierboven een spellingsconventie, maar het kan ook betekenisverschillen veroorzaken. Zo wordt in het manuscript de spelling ql aangehouden voor zowel qul, ‘zeg!’ als voor qāla, ‘hij zei’. In de huidige standaardtekst wordt voor dat laatste de spelling qal aangehouden. Zonder die extra alif is het onderscheid tussen beide betekenissen niet in alle gevallen duidelijk uit de context en daar helpt de orale overlevering een handje.

6. Wat is er dan nu eigenlijk wél met zekerheid bewezen?
Niet bijster veel. Het is nu waarschijnlijker geworden dat de datering van de tekst van de koran zoals we hem nu kennen gelijktijdig met of kort na het ontstaan van de islam valt. Absoluut zeker is dat niet en het is ook niet gezegd dat dat voor de gehele koran geldt. De mogelijkheid dat er tekst van de koran vroeger gedateerd moet worden dan het ontstaan van de islam is – hoe revisionistisch ook – met deze datering niet uit te sluiten. Grappig genoeg is een veel latere datering van de tekst óók niet uit te sluiten, je weet immers niet absoluut zeker dat je niet pardoes een pagina gedateerd hebt waar oud perkament voor is gebruikt. Aanwijzingen daarvoor ontbreken echter.

Het enige wat nu met zekerheid kan worden gezegd is dat de tekstredactie van de 63 verzen in ieder geval een zeer oude traditie weergeeft en dat de volgorde van soera 19 en 20 in die redactie ook al vast lag. Blijkt het Parijse manuscript erbij te horen, dan kunnen we hetzelfde zeggen over de volgorde van de soera’s 10 – 11 en 20 – 23.

7. Welk onderzoek zou er nog gedaan moeten worden?
Veel. Om te beginnen zouden beide pagina’s van het manuscript gedateerd moeten worden, vooropgesteld dat ze van een verschillend beest gemaakt zijn. Als het klopt dat het onderdeel is van het Parijse manuscript, dan zouden alle pagina’s dáárvan (16 folio’s) ook gedateerd moeten worden. Alleen zo krijg je een betrouwbaar overzicht van de verdeling van de dateringen van alle gebruikte vellen en dus van de datering van het oorspronkelijke exemplaar van de koran waar het onderdeel van heeft uitgemaakt.

Inkt is niet te dateren – althans niet zonder de tekst ernstig te beschadigen – maar spectografische analyse kan wel een aanduiding geven van de samenstelling van de inkt of inkten die zijn gebruikt. Van bepaalde typen inkt is bekend dat ze pas vanaf een bepaalde periode voorkwamen. Ook zonder dat een manuscript meteen een palimpsest is, hebben de meeste manuscripten een geschiedenis in de vorm van correcties, reparaties en aanvullingen. Dat is vaak te zien aan verschillen in gebruikte inkt. Bepaalde vormen van spectrografische analyse kunnen soms weggeschraapte tekst weer zichtbaar maken. Eventueel nu nog onzichtbare correcties in de tekst kunnen dan worden onderzocht.

Schrijfstijl en handschiftanalyse kan op dit punt ook een boel zeggen. Het maakt uit of een tekst is geschreven door één hand of dat meerdere schrijvers aan een manuscript gewerkt hebben. In zo’n geval wordt de vraag wanneer een bepaalde schrijver aan een document heeft gewerkt ook weer actueel.

Op dit punt ligt er – vermoed ik, ik ben geen deskundige op dit gebied – nog een fors twistpunt. De schrijfstijl van het manuscript is Hijazi, het oudste ‘lettertype’ in de Arabische kalligrafie. Maar het oogt héél erg als Kufisch, een kalligrafeerstijl die pas later opkomt. Het manuscript is ook op diverse plekken als Kufisch gekarakteriseerd en wie het als Hijazi benoemt, meldt erbij dat het een ‘overgangsvorm’ naar het Kufisch vormt. Op basis van de stijl van het schrift zou een datering in het begin van de zevende eeuw onmogelijk zijn. Dat betekent dat óf de koolstofdatering niet helemaal goed klopt óf dat onze schrifttypologie van het vroege Arabische schrift bijgesteld moet worden. Dat laatste gaat niet zomaar: die typologie is behoorlijk goed gedocumenteerd. Die gooi je niet zomaar op basis van één losse datering weg.

DNA onderzoek lijkt niet veelbelovend. In theorie zou je ermee kunnen bekijken of de geiten (of schapen) waarvan de huid is gebruikt familie van elkaar waren en dus uit dezelfde kudde kwamen. Eventueel is het aantal kuddes zo te bepalen. Maar uit eerder onderzoek aan DNA op perkament is gebleken dat er enorm veel DNA in perkament zit: van het beest waar het van gemaakt is, van andere beesten waarvan bijvoorbeeld lijm is gemaakt om het perkament te behandelen, van beesten die in de inkt zijn verwerkt, van de mensen die het perkemant hebben bepoteld, van de kakkerlakken die eroverheen gelopen zijn. Dat wordt duur onderzoek met lastig te interpreteren resultaten.

Ten slotte vraag ik me af – wederom: dit is niet mijn specialisme – of stabiele isotopenanalyse van het perkament uitsluitsel kan geven over de regio waar het arme beest heeft geleefd. Dergelijk onderzoek wordt veel gedaan op botresten en tanden en is – in ieder geval in theorie – mogelijk op alle organisch materiaal. De verdeling van isotopen van bepaalde elementen is karakteristiek voor de omgeving waarin een organisme leeft en soms kan die regio worden ‘teruggevonden’. Ik weet niet of het mogelijk is om op die manier bijvoorbeeld de omgeving van Mekka, Jemen en Syrie uit elkaar te houden en ik weet ook niet of dergelijk onderzoek ooit op perkament is gedaan. Het zou een boel verheldering kunnen opleveren, want het is niet eens bekend waar Alphonse Mingana zijn manuscripten gekocht heeft.

Geplaatst in Koran, Religie, Wetenschap | Tags: , , , , | 1 reactie

Kennisgeil

TabletIk wist niet wat ik las, gisteren in de Volkskrant. Rients de Boer, docent Assyriologie aan de vakgroep Oudheidkunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, pleitte op de opiniepagina voor het bestuderen van geroofd erfgoed uit Irak en Syrie. In brede kringen geldt het bestuderen en vooral publiceren van geroofd erfgoed als een ‘besmette’ activiteit en er zijn internationale afspraken over een verbod op handel in geroofd erfgoed.

U weet inmiddels dat onze nieuwe kalief en zijn rebellenclub zichzelf voor een fors deel financieren met geld dat wordt verdiend met het leegroven van musea en archeologische sites. De ‘wij maken al die heidense troep kapot’-video’s zijn slechts de onverkoopbare restanten: voorwerpen die té bekend zijn om veilig te kunnen worden verhandeld, of spullen die te zwaar en te onhandelbaar zijn in relatie tot de te verwachten opbrengst.

De Boer neemt de redenen voor het niet bestuderen van geroofd erfgoed onder de loep:

Aan de ene kant staan onderzoekers (vaak archeologen) die vinden dat men per definitie geen geroofde antiquiteiten moet bestuderen. De twee hoofdredenen zijn: zonder de opgravingscontext van bijvoorbeeld een standbeeldje (waar is het gevonden? hoe is het begraven?) kan je weinig zinnigs zeggen; een tweede reden is dat de bestudering ervan de waarde verhoogt en indirect de handel erin vergoelijkt.

De Boer maakt één fout: de tweede reden is de hoofdreden. Zo staat het ook in – bijvoorbeeld – de ethische code van de Nederlandse Vereniging van Archeologen (NVvA). Ik citeer artikel III van het Handvest van die ethische code:

Archeologen gaan commercialisering van erfgoed tegen
Het kopen en verkopen van voorwerpen die uit hun context zijn verwijderd, draagt bij tot de vernietiging van vindplaatsen. Archeologen onthouden zich daarom van activiteiten die de commerciële waarde verhogen of de handel stimuleren in archeologisch materiaal dat zich buiten openbare collecties bevindt of dat niet voor wetenschappelijk onderzoek toegankelijk is.

Dat wil zeggen dat ik als archeoloog geen erfgoed mag kopen of verkopen op de markt, geen advies mag geven aan potentiele (ver)kopers van erfgoed op de markt, er niet in mag bemiddelen en me verder ook verre moet houden van het publiceren, beschrijven of anderszins begrijpelijk maken van erfgoed dat op de markt verhandeld wordt. Exact daarover zegt De Boer:

Aan de andere kant van de discussie staan vaak bepaalde specialisten zoals assyriologen die vinden dat het materiaal ongeacht de herkomst moet worden bestudeerd omdat het moedwillig ontkennen van historische bewijzen niet wetenschappelijk is. Daarnaast betogen zij dat sommige objecten zoals spijkerschriftteksten zelfs zonder opgravingscontext nog veel informatie geven en dat bovendien de geldwaarde van de objecten al vaak vóór academische bestudering door de markt is bepaald.

Dat laatste punt gaat aan het argument van de archeologen voorbij: natuurlijk is de geldwaarde van voorwerpen op de markt al bepaald, maar dat handelaren een prijs vragen is niet relevant. Het verbod geldt het door professionals bijdragen aan het verhogen van die waarde. Dat kan van nul tot iets zijn, maar ook van laag naar hoog. Als ik – ik noem wat willekeurige voorbeelden – aan een handelaar vertel dat het beeldje dat hij verkopen wil, inderdaad echt is, dan krijgt dat beeldje waarde en nog een goede reden voor die waarde ook. Als ik vertel dat het zeldzaam is, of een sexueel motief heeft, dan stijgt de waarde, want ook oudheidkundige sex sells.

Dat het ontkennen van historische bewijzen niet wetenschappelijk zou zijn, is een frame. Er wordt niets ontkend, archeologen hebben besloten bepaalde zaken niet te bestuderen om te voorkomen dat ze zelf bijdragen aan het ontstaan van een nog veel grotere voorraad aan onbruikbare historische bewijzen waar je alleen in uitzonderingsgevallen nog wat mee kunt. Op het gebied van die uitzonderingsgevallen heeft de Boer een punt:

Een spectaculair voorbeeld zijn de spijkerschriftteksten geroofd uit Irak omtrent het plaatsje ‘Al-Yahuda’ (Judah-stad in het Akkadisch) die een rechtstreeks beeld geven van de Joodse ballingschap in Babylonië in de vijfde en zesde eeuw voor Christus. Indien deze teksten niet waren bestudeerd zou men deze cruciale fase uit de Joodse geschiedenis niet met zoveel detail kennen.

Dat argument oogt sterk: het zijn unieke documenten, ze gaan over een periode en een onderwerp waar we nauwelijks wat van weten en het is nog min of meer onze bakermat ook. Als we het niet bestuderen zijn we die kennis voorgoed, volledig kwijt. Doodzonde. Ben u al overtuigd? Ik niet. Wat mij betreft kunnen die spijkerschrifttabletten direct de vergruizer in. Dat liever dan dat een kennisgeile wetenschapper het zicht verliest op wat er werkelijk aan de hand is.

Dít is er aan de hand: IS verkoopt erfgoed waarmee ze geld verdienen. Van dat geld gaan ze los tegen Sji’ieten, Koerden, Christenen, Yezidi’s en verder iedereen die niet bij de eigen club hoort. Alles wat wij in het westen doen om dat geroofde erfgoed belangrijker of waardevoller te maken, verhoogt de prijs ervan, zal dus leiden tot hogere inkomsten voor de kalief en zijn moordende bende en bredere mogelijkheden om hun heilzame werk in het Midden Oosten voort te zetten.

Het pleidooi van De Boer maakt zich medeplichtig aan misdaden tegen de menselijkheid. Laten we wel wezen: die Joden uit al-Yahuda zijn al een paar eeuwen hartstikke dood. Yezidi’s niet.

Full disclosure: in een vorig leven ben ik betrokken geweest bij het opstellen van de ethische code van de NVvA en op een ander moment ben ik een jaartje secretaris geweest van die club.
Geplaatst in Erfgoed, Geschiedenis, Samenleving, Wetenschap | Tags: , , , , | 3 reacties

Kattengejank

UmmKulthumDeze blogpost had ik eigenlijk willen bewaren tot het moment dat een PVV’er in de media een denigrerende opmerking zou maken over de muziek van onze medelanders met een achtergrond uit het Midden Oosten, muziek die door veel mensen wordt ervaren als ‘kattengejank’. Maar die opmerking komt maar niet. PVV’ers zijn misschien toch muziektheoretisch beter onderlegd dan ik dacht, of onze zoveelste generatie allochtonen is inmiddels massaal overgestapt op westerse popmuziek. Gelukkig kan een blogpost over kattengejank ook gewoon tussendoor.

De kwestie is namelijk deze: muziek uit het Midden Oosten is geen kattengejank. U ervaart die muziek als kattengejank omdat u zelf gewend bent aan kattengejank. Onze eigen, westerse muziek is namelijk kattengejank, en daardoor ervaren we alles wat dat niet is als – u raadt het al – kattengejank. Over smaak valt weliswaar niet te twisten, maar of iets kattengejank is, kun je gewoon bepalen door de frequentie te meten, in harde Hertzen.

Dat werkt ongeveer zo. Muziek, melodieën opereren doorgaans in een zogenaamde ‘toonladder’. Dat is een reeks tonen die ervaren wordt als ‘bij elkaar horend’. U kent waarschijnlijk de toonladder: do-re-mi-fa-sol-la-ti-do, dat is er één uit vele mogelijkheden. In het westen, waar hij bekend staat onder de technische term ‘majeur’, is hij nogal populair. De tonen in een toonladder zijn niet allemaal aan elkaar gelijk. Een melodie in majeur heeft bijvoorbeeld een ‘grondtoon’ – dat is de do – die door de luisteraar ervaren wordt als de basis van de melodie. Daar begint en eindigt hij bijvoorbeeld mee.

BeethovenOmdat de luisteraar ‘weet’ waar de melodie ongeveer moet eindigen, zijn er ook tonen die de luisteraar ertoe kunnen verleiden te denken dat een melodie op zijn eind loopt: ´leidtonen’. Bepaalde riedeltjes kunnen dat effect ook hebben, en daarbij wordt gebruik gemaakt van het feit dat niet iedere toon in een toonladder een gelijke functie heeft. U hebt wellicht ooit bij het beluisteren van een symfonie van Beethoven wel eens gedacht dat de muziek zijn einde naderde, om vervolgens te merken dat die onverwacht doorging. Misschien hebt u dat ook wel eens enkele keren vlak achter elkaar gedacht.

Dat is niet omdat u de muziek van Beethoven niet goed begrijpt. Integendeel, u begrijpt de muziek van Beethoven uitstekend en de oude Ludwig wist dat ook heel goed: hij maakt er gebruik van door iets te componeren dat u doet denken dat de muziek een rustpunt bereikt, om u vervolgens op het verkeerde been te zetten en vrolijk door te gaan. Zoiets heet in goed Nederlands een Trugschluß (‘fopslot’ kan natuurlijk niet). Beethoven, en trouwens elke goede componist, speelt dus met zijn luisteraars door momenten van rust en spanning in de muziek aan te brengen en ook door te spelen met de verwachting van rust of spanning bij de luisteraar. Dat kan allemaal door de verschillende functies van de tonen in de toonladder van een melodie slim te benutten.

Eén van de gereedschappen die een componist ter beschikking staan, is het zogenaamde ‘moduleren’. Daarbij zet je de melodie, of een deel van de melodie, waarmee de luisteraar zojuist kennis heeft gemaakt, even in een andere toonladder met een andere grondtoon. Daarmee komt de melodie hoger of lager te liggen, klinkt daardoor nét even iets anders en dat heeft effect in de ‘spanningsboog’.

En daar wordt het technisch een tikkeltje ingewikkeld. De tonen in een toonladder staan namelijk in een bepaalde verhouding tot elkaar. Zo wordt bijvoorbeeld de afstand tussen de lage en de hoge do – die heet ‘octaaf’- bepaald door een frequentieverhouding van één op twee. Heeft de lage do een frequentie van 100 Hertz, dan heeft de hoge do een frequentie van 200 Hertz en de do weer een octaaf hoger een frequentie van 400 Hertz, enzovoorts. Kent u de oude jingle van Rand-stad Uit-zend-bu-ro-ho! nog? Die o-ho, dát is een octaaf.

De afstand tussen de lage do en de sol heet een kwint. U kent de kwint uit het begin van het liedje Altijd is Kortjakje ziek: de tonen op ‘tijd’ en ‘is’ vormen een kwint. Ook die tonen hebben een exacte verhouding, namelijk van twee op drie. Heeft de do een frequentie van 100 Hertz, dan heeft de sol een frequentie van 150 Hertz. De kwint in een toonladder is een belangrijke toon. Wanneer een melodie de do als grondtoon heeft, speelt de sol vrijwel altijd een prominente rol in de omgang met spanning. Het is ook een voor de hand liggende toon om mee te gaan moduleren: dan wordt de sol de grondtoon van dezelfde melodie. De sol wordt dan dus even de nieuwe do en de melodie ligt tijdelijk hoger tot het moment dat de muziek weer terugkeert naar de oude grondtoon.

pianotoetsenIn de toonladder do-re-mi-fa-sol-la-ti-do zijn de afstanden tussen de tonen niet allemaal gelijk. Tussen mi en fa en tussen ti en do ligt een ‘halve’ toonafstand, tussen alle andere een ‘hele’. U kunt dat uitstekend zien op een piano. De zwarte boventoetsen zijn verdeeld in groepjes van twee en drie. Daartussen liggen steeds twee witte ondertoetsen naast elkaar zonder een zwarte toets ertussen. Neem nu het groepje van twee zwarte toetsen, druk de eerste witte toets links daarvan in en dan steeds de volgende witte toets direct rechts daarvan. Dan hoort u exact het do-re-mi-fa-sol-la-ti-do. De mi en de fa en de ti en de do liggen precies op de toetsen waartussen geen zwarte toets ligt: een halve toonafstand. Wilt u do-re-mi-fa-sol-la-ti-do spelen op een willekeurige andere witte toets, dan moet u ergens één of meer zwarte toetsen inzetten en witte overslaan.

Goed, een heel octaaf (do-do) omvat dus zes hele toonafstanden in totaal. Bij een kwint (do-sol) is dat drie-en-een-half. Stapel je nu zeven octaven op elkaar, dan zijn dat 7 x 6 = 42 hele toonafstanden. Bij twaalf kwinten kom je op hetzelfde uit: 12 x 3,5 = 42. En nu doet zich iets geks voor: als je datzelfde gegeven exact gaat uitrekenen in frequenties, kom je niet goed uit. Stapel je bijvoorbeeld zeven octaven met een frequentieverhouding van één op twee op een grondtoon van 100 Hertz, dan eindig je 42 hele tonen hoger op 12.800 Hertz. Maar bij twaalf kwinten met een frequentieverhouding van twee op drie wordt dat – afgerond – 12.975 Hertz, nét iets te hoog. Waar die tonen exact gelijk zouden moeten eindigen in een verhouding van 1:1, kom je uit op een verhouding van 1:1,036 – wederom afgerond. Dat kleine verschil kun je horen: het klinkt vals.

Alle tonen in een toonladder hebben een precies gedefinieerde verhouding tot de grondtoon, en dus tot elkaar: een octaaf 1:2, een kwint 2:3, een kwart 3:4, een grote terts 4:5 enzovoorts. Dat wil zeggen dat je een muziekinstrument wiskundig zuiver kunt stemmen: kies je voor een grondtoon do van 100 Hertz, dan ligt de frequentie van alle andere tonen ook meteen vast: de fa wordt 133 1/3 Hertz, de sol 150 Hertz, de volgende do 200 Hertz enzovoorts. Zuivere wiskunde klinkt in dit geval ook echt zuiver.

Maar eigenlijk is de kwint ietsje te groot om in het Prokrustesbed van het octaaf te passen en datzelfde geldt voor alle andere intervallen in het octaaf: ze zijn of net iets te groot, of net iets te klein. Wil je niet vals spelen, dan kun je op dat wiskundig zuiver gestemde instrument alleen muziek spelen in de toonsoort waar het voor gestemd is. Wanneer je een andere toon tijdelijk wilt gebruiken als grondtoon, dan staan de tonen van die tijdelijke toonladder niet in exact de vereiste verhoudingen om zuiver te klinken, ze zijn immers gestemd op een andere grondtoon.

Bij bepaalde aan elkaar verwante toonsoorten is dat niet heel erg, maar op een instrument dat exact zuiver op de ene toonsoort gestemd is, kun je bepaalde andere toonsoorten helemaal niet meer gebruiken zonder vreselijk vals te spelen. Dat werd in de loop van de muziekgeschiedenis ervaren als een nadeel, want componisten wilden kunnen moduleren en wel zo vrij mogelijk.

In de loop van de renaissance zijn er allerlei trucs uitgevonden waarbij door het sluiten van compromissen de mogelijkheden om te moduleren werden uitgebreid. Afhankelijk van wat muzikaal in de mode was, werden bepaalde kwinten zuiver gestemd en bepaalde tertsen niet, of die tertsen juist wel zuiver en de kwinten weer niet. Maar met het ontwikkelen van de muzikale smaak van de luisteraars voldeed niets echt goed.

12V2Uiteindelijk is een wiskundige oplossing bedacht door te berekenen hoe de onzuiverheid gelijkelijk over alle tonen kon worden verdeeld. Sindsdien is in de westerse muziek alleen het octaaf exact zuiver. verder zijn alle tertsen precies even onzuiver, alle kwinten, alle kwarten en alle andere denkbare intervallen. Dat komt omdat nu elke willekeurige halve toonafstand een verhouding heeft van één op de twaalfde machtswortel uit twee. Westerse muziek is dus in alle toonaarden even vals en componisten konden vanaf de uitvinding van deze evenredig zwevende stemming moduleren dat het een lust was. Want moduleren is een westerse smaak. In niet-westerse muziek is het lang zo belangrijk niet en daar kon men dus vrolijk verder met het compromisloos stemmen van instrumenten. En daarom denkt u dus dat u naar kattengejank aan het luisteren bent…

Geplaatst in Erfgoed, Kunst | Tags: , , | 2 reacties

Je beste vriend (2)

politieLaatst blogde ik over het politieoptreden dat leidde tot de dood van Mitch Henriquez. Eén van de mensen die reageerden, postte een link naar dit stuk. Om het voorzichtig uit te drukken: daar schrok ik me kapot van. Dat was niet om de titel: ‘Mitch Henriquez had een hele simpele optie: meewerken’.

Hier geldt quod gratis asseritur, gratis negatur: het is nog maar zeer de vraag of iemand die niet eens op het idee komt dat een baldadige grap een gewelddadige arrestatie zou kunnen uitlokken, wel tijdig beseft dat zijn besprongen worden door vijf man toch écht een actie is namens het bevoegd gezag. Het is goed denkbaar dat Mitch Enriquez in eerste instantie in een zelfverdedigingsreflex is geschoten, of gewoon in paniek is geraakt en dat het moment waarop hij besefte dat hij moest meewerken zich te laat, of niet meer heeft voorgedaan. Het is ook goed denkbaar dat het gebrul van de agenten – volgens een andere reactie iets wat agenten leren om ervoor te zorgen dat de verdachte ‘geen tijd meer om na te denken’ heeft – ertoe heeft bijgedragen dat dat moment er niet op tijd kwam. Zo simpel is die optie van meteen meewerken dus niet.

Ook niet echt schokkend is het gegeven dat de schrijver de gotspe heeft om de politie als slachtoffer neer te zetten.

Besef je eens (sic) hoe het is om tijdens de uitoefening van je taak te worden aangevallen, geschopt en geslagen. Dat je uniform of uitrusting bijna van je lijf getrokken wordt en dat terwijl er om je heen omstanders verzamelen die staan te joelen, te schreeuwen, te filmen en met een beetje pech je nog een schop in je rug geven terwijl jij al vechtend op de grond ligt. En je in ieder geval niet bijstaan. Stel het je eens voor…

Ik vind dat niet schokkend, want daders voorstellen als slachtoffers, dat doet iedereen. Van ordinaire criminelen tot politici, bankiers en wetenschappers. Dus waarom zou de politie dat niet mogen doen? Even terzijde: de omstanders bij Mitch bestonden vooral uit familie en vrienden die hem verbaal probeerden tot medewerking te bewegen en filmende omstanders.

Wél schokkend vond ik wat de schrijver van het stuk meldt over de opleiding van agenten. En eerlijk gezegd: ik ben blij dat hij dat gedaan heeft:

32 uur. Dat is het aantal uren dat een politieagent jaarlijks krijgt om alle geweldsbeheersing zich meester te maken. Dus dat betreft hand-tot-handgevechten. autoprocedures, gebruik van pepperspray en de korte en de lange wapenstok, het aanhouden in bussen, trams en treinen, het werken in grote mensenmassa’s zoals op festivals, het aanhouden van gestoorden, het doen van instappen in woningen, aanhoudingen in cafes en supermarkten, het lopen van een conditieparcours, het gebruik van het vuurwapen in alle mogelijke situaties en natuurlijk ook alle theorie die komt kijken bij het toepassen van geweld tijdens het werk. 32 uur. Per jaar.

Er zitten 52 weken in een jaar, waarvan ik er vijf niet werk, da’s 47 weken van 40 uur. Als mijn arbeidsomstandigheden enigszins lijken op die van de politie, wil dat dus zeggen dat een gemiddelde agent ongeveer 1,7% tijd besteedt aan het trainen van situaties waaraan mensen dood kunnen gaan. Dat is zo’n 41 minuten per week.

Ik heb zelf jaren geschermd en hoewel ik er nooit erg goed in ben geweest, heb ik wel enige ervaring in hoe een vechtsport werkt. Wil je die een béétje leren beheersen, dan heb je aan 41 minuten per week niet genoeg, zelfs al zou je maar één activiteit oefenen uit de lijst van elf die de schrijver noemt. Nog leerzamer is een zeer terechte vergelijking die de schrijver trekt:

Vergelijk dat eens met een sportschutter: die moet, om zijn verlof tot het houden van een vuurwapen veilig te stellen, per jaar minimaal 18 schietbeurten maken. En het spannendste dat een sportschutter doet is waarschijnlijk een wedstrijd schieten. Hoe kan het zijn dat de overheid politieagenten de straat op stuurt met zo’n 3 á 4 schietbeurten per jaar?

Dát punt is duidelijk: agenten zijn onvoldoende – en dat lijkt me in dit verband toch echt wel het eufemisme van het jaar – getraind voor de gevaarlijke situaties waarin zij regelmatig belanden. De burger kan dus maar beter meewerken wanneer hij door vijf van die totaal niet op de situatie ingestelde types wordt besprongen en we moeten er maar begrip voor hebben dat er bij arrestaties af en toe wat mis gaat. Die conclusies – die overigens niet expliciet zo worden verwoord – zijn even onzinnig als waar, maar daar gaat het me nu even niet om.

Een agent die nog geen kwart van de trainingstijd krijgt die wettelijk verplicht is voor een sportschutter, terwijl hij in de praktijk in veel bedreigender en gecompliceerder situaties terecht komt, is geen wetshandhaver meer, maar een regelrecht gevaar voor de samenleving. Een agent die gemiddeld 41 minuten per week gevechtstraining krijgt, legt in no time het loodje tegen iedere amateur die zich wél serieus met vechtsport bezig houdt. Je hebt niet eens een zwarte band nodig om hem zijn wapen te ontfutselen. Zo’n agent is dus ook een gevaar voor zichzelf en zijn collega’s.

De enige logische gevolgtrekking is deze: van een agent die de straat op gestuurd wordt met een vuurwapen, wetende dat hij niet is toegerust om zo’n ding zelfs maar bij zich te hebben, zou je toch verwachten dat hij naar zijn baas stapt en hem toevoegt wat hij met zijn Walther P5 kan doen? Die conclusie is sticking out a mile – zoals de Engelsen zo fraai zeggen – maar ik mis hem totaal in het stuk.

Geplaatst in Samenleving | Tags: , | Een reactie plaatsen

Oudste koranmanuscript

M1572calWie dergelijk nieuws een beetje bijhoudt – ik dus niet, mijn goede vriend Jona wees me er op – weet dat gisteren de Universiteit van Birmingham bekend heeft gemaakt dat ze het oudste koranfragment ter wereld hebben ontdekt. Het bericht daarover op de website van de BBC brengt het althans als een ‘ontdekking’ en niet zo’n kleintje ook: de bibliotheek van de Universiteit van Birmingham bleek in bezit van een oud koranmanuscript dat met de koolstofmethode is gedateerd en dat nu het oudst bekende koranfragment blijkt te zijn. Volgens de journalisten is er 95% kans dat het nieuw ontdekte fragment uit de periode 568 – 645 stamt. Dat is zelfs nog iets ouder dan het tot dusverre als oudst bekend staande fragment uit Sanaa in Jemen, dat – met 95% kans – uit de periode 578 – 669 dateert. Het is bovendien geen palimpsest, maar een nog geheel intacte tekst.

De datering valt nog tijdens de regeerperiode van de derde kalief Uthman die – ik blogde er eerder al over – de standaardtekst van de koran liet vaststellen. Dit manuscript is zó oud, dat het zomaar eens geschreven zou kunnen zijn door iemand die de profeet Mohammed nog persoonlijk gekend heeft. Dat laatste is speculatie, vooral leuk voor de journalisten, maar met een dergelijke datering niet onmogelijk. Apologetische moslimsites kraaien al victorie. Ik vond althans dit item op een site die ‘Calling Christians to the truth of Islam’ heet en deze tweet is ook wel amusant.

Wie het oorspronkelijke nieuwsbericht op de website van de Universiteit van Birmingham leest, ziet al snel dat de werkelijkheid iets gecompliceerder is. Zo is het manuscript niet ‘ontdekt’, maar was het al een hele tijd bekend. Het is ook nooit kwijtgeraakt, wat in bibliotheken natuurlijk de beste manier is om een herontdekking te organiseren. Het manuscript is al tijden bekend onder de naam M1572. De ‘M’ staat voor Mingana, genoemd naar de ontdekker van het negen folio’s tellende manuscript: Alphonse Mingana, een uit het huidige Irak afkomstige christen die zijn hele leven gewerkt heeft in Birmingham. Hij voegde het manuscript in de jaren ’20 van de vorige eeuw aan de verzameling toe.

Foto’s van M1572 zijn dan ook vrij eenvoudig te vinden op het internet. Enkele folio’s zijn hier opgenomen, met wat achtergrondinformatie, en het hele manuscript is te vinden op de virtuele manuscriptenbibliotheek van de Universiteit van Birmingham. Niks nieuws dus en in zekere zin ook erg geruststellend, want nu de geschiedenis van het manuscript bekend is, hoeven we ons geen zorgen te maken over de vraag of het wellicht een recente vervalsing is. Wat is er dan met dit al lang bekende document wél aan de hand?

Wie de moeite neemt om in de virtuele manuscriptenbibliotheek even alle folio’s te bekijken, zal – ook met een lekenoog – al snel zien dat de schrijfhand van folio’s 1 en 7 verschilt van die van folio’s 2 t/m 6 en 8 t/m 9. De twee afwijkende folio’s horen niet bij de andere, hier zijn ooit twee folio’s van het ene document tussen zeven folios van een ander document terecht geraakt. Inmiddels is bekend dat de twee afwijkende folio’s behoren bij een koranmanuscript dat zich in de Bibliothèque Nationale de France in Parijs bevindt. Ik weet nog niet welk trouwens.

Die ontdekking is de aanleiding geworden om het manuscript te dateren en daarbij bleek dat de twee folio’s onverwacht oud waren: een halve eeuw ouder dan eerder werd gedacht, en dát was al oud. Zo’n halve eeuw maakt verschil in een tijd waarin de discussies over hoe oud de koran nu eigenlijk is, meer dan alleen wetenschappelijke repercussies hebben. Het is niet voor niets dat in deze blogpost twee links staan naar islamitische apologetische websites.

De feiten kort samengevat: Een in Hijazi – de oudst bekende Arabische schrijfstijl, doorgaans zevende en achtste eeuw – geschreven manuscript van negen folio’s, al sinds de jaren ’20 van de vorige eeuw in bezit van de Universiteit van Birmingham, is opnieuw onderzocht. Twee folio’s uit dit tot dusverre voor een eenheid aangeziene manuscript horen daar bij nader inzien niet bij. Ze bevatten de tekst van soera 18:17 – 18:31 (folio 7) en 19:91 – 20:40 (folio 1).

Na koolstofdatering blijken ze (95% zekerheid) te dateren uit de periode 568 – 645 cal AD. Voor zover ik kan nagaan, betekent dat een ongecalibreerde datering van 1456 of 1457 ± 24 BP. Dat is een ongewoon scherpe marge, maar niet onmogelijk. Het manuscript uit Sanaa had een ongecalibreerde datering van 1407 ± 36 BP en ook dat is een scherpe marge. Het laboratorium dat de datering heeft uitgevoerd staat bovendien als één van de beste bekend.

De gecalibreerde datering plaatst dit fragment tussen twee jaar vóór de traditionele geboortedatum van Mohammed en het tweede regeringsjaar van de derde kalief, Uthman, als je hem tenminste letterlijk neemt. Dat letterlijk nemen is echter niet de bedoeling, al gebeurt het wel in de media. Wie iets leest over de koolstofmethode, moet zich realiseren dat de datering een kans aangeeft. Geen enkele koolstofdatering is exact. Zelfs als we hetzelfde manuscript meermaals zouden dateren, komen daar (als het goed is) licht verschillende uitkomsten uit. De enige conclusie die we nu kunnen trekken is dat het perkament van dit manuscript zeer waarschijnlijk uit het laatste kwart van de zesde of de eerste helft van de zevende eeuw stamt.

Dat beeld kan trouwens nog wijzigen als alle pagina’s van het bijbehorende Parijse manuscript gedateerd gaan worden. Ik voorspelde al in mijn vorige blog over koranmanuscripten dat we nog spannende tijden tegemoet zouden gaan voor wat betreft dit onderwerp. Dat ik zo snel al gelijk zou krijgen, had ik niet verwacht.

Naschrift (23/7): hier is de transcriptie van het hele manuscript te vinden, voor wie dat leuk vindt.
Naschrift (24/7): een krappe marge in een ongecalibreerde koolstofdatering van perkament komt ook voor in de datering van de veelbesproken Vinland-kaart: 37 jaar.

Geplaatst in Erfgoed, Koran, Religie, Wetenschap | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Timeo Danaos

TetradrachmeAntheneUilEr wordt nog wel eens gewezen naar de Grieken de laatste tijd: zij hebben de boel belazerd destijds, zijn op valse voorwendselen bij de Euro gekomen terwijl dat eigenlijk helemaal niet kón, hebben met zijn allen jarenlang geprofiteerd en ja, al is de leugen nog zo snel… Dus moeten ze nu op de blaren zitten, eigen schuld dikke bult en meer van dat soort oubollige joligheid.

Daar kun je een boel over zeggen, maar dat ga ik hier niet doen. Ik ben geen econoom. Maar ik kan wel een beetje rekenen en een paar vragen die ik had over de inhoud van het begrip ‘de Grieken’ heb ik van de week weten te beantwoorden. Vragen als: wanneer werd de euro eigenlijk ingevoerd? Wanneer werd dat besluit genomen? Op basis van gegevens over welke tijdsperiode? Wanneer is de regering die de kluit belazerd zou hebben eigenlijk gekozen? Wie waren er toen stemgerechtigd? Wie stemden ook echt op de winnende partij(en)? En vooral: hoeveel mensen leven er nu in Griekenland die met die hele toestand nooit iets te maken hebben gehad? Of er nooit voor gestemd hebben? De antwoorden blijken in één avond vindbaar.

In april 2000 stelde de Europese Centrale Bank op basis van eigen onderzoek voor om Griekenland op te nemen in de Euro, omdat het inmiddels (bijna) voldeed aan de eisen. Het rapport had betrekking op cijfers uit de periode april 1999 tot en met maart 2000. Naar we nu weten, waren dat nogal creatief opgebouwde cijfers.

De laatste parlementsverkiezingen in Griekenland voorafgaand aan dat moment waren op 22 september 1996. Grieken mogen stemmen vanaf hun achttiende. Dat wil zeggen dat de Grieken die ooit gestemd hebben voor de regering die Europa voor het lapje hield nu minimaal 37 jaar zijn, geboortejaar 1978 of later.

Ik heb geen cijfers over de bevolkingssamenstelling kunnen vinden voor 2015, maar volgens cijfers uit 2012 (3 jaar geleden, toen waren ze dus 34 jaar) leefden er in dat jaar 4.319.190 Grieken geboren in 1978 of later. Dat is 38,26% – op een bevolking van 11.290.067 zielen – die niet stemgerechtigd waren in 1996. De overige 61,74% Grieken waren dat wel en daarvan heeft 41,5% gestemd op de partij die destijds de absolute meerderheid aan zetels won, en dus de regering vormde. Dat betekent dat – althans in 2012 – 41,5% van 61,74% in 1996 op die partij (PASOK) gestemd had. Dat is 25,62% van de gehele bevolking, een ruime kwart.

Sinds 2012 zijn er nog nul-, één-, twee, en driejarigen bij gekomen en onder de ouderen zullen er wat overleden zijn. Die ruime kwart zal nu dus lager liggen (en in de komende jaren alleen maar dalen). Ik ga er voor de vorm maar even van uit dat zowel magere Hein als de ooievaar onder de stemmers van alle partijen gelijk huishoudt. Dat is een aanname die niet helemaal zonder problemen is, maar dat effect zal nooit groot zijn.

Wie het dus heeft over ‘de Grieken’ die nu terecht op de blaren moeten zitten, heeft het over slechts een kwart van de bevolking die als stemgerechtigden medeverantwoordelijk gehouden zouden kunnen worden voor hun eigen toestand, over 36% die destijds wel stemden, maar niet noodzakelijk ‘fout’ en over 38% van de bevolking die er met geen mogelijkheid verantwoordelijk voor gehouden kan worden.

 

Geplaatst in Samenleving | Tags: , , | 1 reactie