Mogen wij jullie verzoeken

Foto0677Ergens in onze gemeente ligt een bedrijventerrein zoals er dertienhonderd in een dozijn passen: saai, ongeïnspireerd, doods en zowel stedenbouwkundig als architectonisch gespeend van iedere denkbare vorm van originaliteit. Daar werk ik. Helemaal achterin dat bedrijventerrein, aan het einde van onze straat, zit Avery Dennison.

Ik heb geen idee wat ze daar maken. Het bedrijf zit in een potdichte plaatstalen kubus in vergelijking waarmee alle andere gebouwen op het bedrijventerrein hip-hop-Art Nouveau met een postmoderne twist lijken. Wat voor soort mensen daar zoal komen, zou ik ook niet weten: er staan nooit veel, maar wel wisselende hoeveelheden auto’s op het parkeerterrein, dus er zullen wel mensen af- en aankomen, maar waarvoor is me onduidelijk. Op de website lees ik dat Avery Dennison a global leader in labeling and packaging materials and solutions is. Dat is taalkundig al net zo origineel als de architectuur van de lichtblauwe kubus.

Een paar maanden geleden is aan de afzondering van het eenzame bedrijf nog wat extra toegevoegd. Rond de parkeerplaats bij de kubus is een fors hek gezet met een op afstand bedienbare poort met intercom. Mensen die op het bedrijventerrein werken en met de trein komen, maken gebruik van een voetpad dat aan het einde van onze straat begint, precies bij de parkeerplaats. Ze staken vroeger af over die parkeerplaats en moeten nu dus omlopen. De parkeerplaats stond nooit vol, daarvoor was het gewoon niet druk genoeg daar achterin het bedrijventerrein. Er is al jaren geen hangjongere gesignaleerd, daarvoor is het te ver weg van de bewoonde wereld. Het moesten dus wel die naar hun werk lopende forenzen zijn, dacht ik. De mensen van Avery Dennison zijn kennelijk op hun rust en orde gesteld.

Tot ik het bordje zag dat naast de poort was gezet. Dat is een bord met zo’n specifieke tekst en afbeeldingen, dat het wel speciaal op bestelling moet zijn gemaakt. Misschien is het zelfs wel het enige bord ter wereld van dit type. Er blijkt uit dat de mensen van Avery Dennison een hele andere inschatting maken van de risico’s van de buurt waarin ze gevestigd zijn: luide muziek, drugsgebruik, alcohol, zwerfafval en rondhangend gespuis. Ze zijn in de acht jaar dat ik hier werk nog nooit gesignaleerd, maar de mensen van Avery Dennison maken zich er zorgen over. Daar is een reden voor: naast Avery Dennison zit de plaatselijke sociale werkplaats.

Of het aan de dienstdoende gemeente ligt, weet ik niet, maar deze sociale werkplaats is behoorlijk groot en er werken ook een fors aantal mensen. Reden waarom het pand ook een kantine heeft, waar trouwens iedereen welkom is. Mijn collega’s en ik gaan er iedere vrijdagmiddag lunchen. Ze serveren er uitstekende uitsmijters, broodjes, warme happen, soep en smoothies.

Het blijft natuurlijk een sociale werkplaats. Niet iedereen loopt er zogezegd rond in een krijtstreep en aan sommige mensen is duidelijk te zien dat het socialisatieproces nog in volle gang is. Dat doet echter niets af aan de vriendelijke bediening, de gemoedelijke sfeer en het feit dat de mensen er hard hun best doen. Het enige bijzondere aan deze plek is dat de vlaggen voor het gebouw opvallend vaak halfstok hangen. Dat gebeurt als er in het pand een sterfgeval te betreuren is. Dat u weer weet waar in de maatschappij de klappen vallen.

De mensen die werken in deze sociale werkplaats hebben, zoals dat zo mooi heet, ‘een afstand tot de arbeidsmarkt’. Daar wordt mee bedoeld dat de arbeidsmarkt afstand van ze neemt: ze zijn te ziek, te moeilijk plaatsbaar, te ingewikkeld, te lang werkloos, te buitenlands, te onervaren, te oud, vergen teveel aanpassingen, you name it, de arbeidsmarkt wil ze niet en dus zitten ze hier, in een apart hoekje van een eenzaam bedrijventerrein, in een apart hoekje van de gemeente, in een apart hoekje van de samenleving.

Het bordje van Avery Dennison is een woordeloze manier om die uitsluiting nog eens extra aan te zetten: het spreekt ze aan als rondhangende, troep makende, zuipende, blowende pillenslikkers die hier niet gewenst zijn en die je vanzelfsprekend niet aanspreekt in de beleefdheidsvorm. A global leader in labeling and packaging materials and solutions. Natuurlijk, etiketjes plakken, dát kunnen ze bij Avery Dennison.

Geplaatst in Samenleving | Tags: , | 1 reactie

Nobody expects

amargaVan de week kreeg ik petitie in mijn mailbox. Het ging om een zeventienjarig Oezbeeks meisje – Margarita Alexandrova – uit Kampen. Ze woont zeven jaar in Nederland en moet ingevolge het Nederlandse vreemdelingenbeleid terug naar Oezbekistan. Voor mij was de zaak daarmee al meteen duidelijk. Je laat niemand eerst zeven jaar opgroeien in Nederland om daarna in volle ernst te besluiten dat ze weer terug moet. Het is van tweeën één: óf je hebt geen verstand en besluit direct dat ze mag blijven, óf je hebt geen hart en besluit dat ze meteen terug moet, maar én geen verstand én geen hart, dat gaat mij wat ver. Dus ik had de petitie al getekend voordat ik me verder in de kwestie verdiept had.

Aan de email was wat achtergrondinformatie toegevoegd, iets over een Russisch-Orthodoxe familie die protestants-christelijk geworden was en daarom niet terug kon naar Oezbekistan. Voor mij was dat allemaal niet belangrijk, temeer omdat enig googelen al snel leerde dat je in Oezbekistan maar beter helemáál niks kunt zijn. Toch was mijn nieuwsgierigheid gewekt, want op de één of andere manier was die overgang van de ene naar de andere christelijke denominatie door de overheid getoetst. Dat leek me onbestaanbaar, dus voerde ik de zoektermen “asiel geloof overgang” in.

Er ging een wereld voor me open. De overheid blijkt dus wel degelijk veranderingen in denominatie te toetsen als het om asielzoekers gaat. In Nederland bedoel ik dan, niet in Oezbekistan. Enkele bloedstollende citaten uit uitspraken van de Raad van State:

Blijkens het verslag van het nader gehoor heeft de vreemdeling op de vraag wat het wezen is van de pinksterbeweging, geantwoord dat het voornamelijk om het geloof in Christus gaat; in haar antwoord verwijst zij niet naar de positie van de Heilige Geest. Het geloof in Christus is echter eveneens kenmerkend voor andere stromingen binnen het christelijk geloof en niet specifiek voor de pinksterbeweging.

De vreemdeling heeft zich naar eigen zeggen reeds in Iran bekeerd tot het christendom en is daar gedoopt. Zoals de staatssecretaris terecht tot uitgangspunt neemt, ligt aan een bekering tot een andere geloofsovertuiging steeds een welbewuste en weloverwogen keuze ten grondslag.

De aan de vreemdeling gestelde vragen over de naam van de kerk waar, en van de priester die hem heeft gedoopt,

De rechtbank is eveneens eraan voorbij gegaan dat de vreemdeling ruim achtenveertig jaar lang het orthodox-christelijke geloof heeft beleden zodat zij wordt geacht van de inhoud van dit geloof te hebben kunnen kennisnemen ondanks dat in een voor haar onbegrijpelijke taal werd gepredikt.

Ik kan toe met een hele korte karakterisering van deze misstand: Nederland wordt bewoond door geseculariseerde calvinisten – met de nadruk op dat laatste – die geen idéé hebben hoeveel redenen mensen kunnen hebben om van denominatie te veranderen (het consequent spreken van ‘bekering’ door de overheid en de rechtbank is al illustratief), geen notie van de rol die geloof kan hebben in andere delen van de wereld dan Noordwest Europa en ten slotte – hier komt het stukje secularisatie – geen flauw benul van geloof. En dat zootje ongeregeld slaat dan aan het toetsen…

Toen in 1492 de katholieke majesteiten Ferdinand en Isabella besloten dat het voor Spanje beter was dat alle joden katholiek werden, werden deze de keuze geboden: dopen of vertrekken. Wie de reis naar Noord-Afrika, het Ottomaanse rijk of de Lage Landen niet betalen kon, werd dus katholiek. Dat was zo’n succes dat in 1502 ook moslims dezelfde ruime keuze geboden werd. Een eeuw later, op 9 april 1609 (hier te lande beter bekend als het begin van het twaalfjarig bestand) werden voor de zekerheid toch ook maar alle bekeerde moslims het land uitgezet.

Het zal duidelijk zijn dat niet iedereen even enthousiast de schoot van de heilige moederkerk opzocht en het bevoegde gezag wist dat natuurlijk ook. Aangezien het rijksbeleid gericht was op één geloofsovertuiging, was er dus nogal wat nazorg te verrichten in de vorm van het opsporen van lieden wier bekering ongeloofwaardig was. Daarvoor was al – de katholieke majesteiten beschikten over een vooruitziende blik – in 1478 een onderzoekscommissie ingesteld die de opdracht kreeg om landsdekkend mensen op te sporen wier geloofsopvattingen en -beleving niet afdoende geloofwaardig waren. Dat gebeurde uiteraard door middel van onderzoek, inquisitio in het Latijn.

In de twintigste eeuw maakte Monthy Python’s Flying Circus een grap over het zo ontstane instituut en daaraan is de titel van dit stukje ontleend. En met die grap hadden ze gelijk, voor je er erg in hebt, heb je ze opnieuw uitgevonden.

Geplaatst in Politiek, Religie, Samenleving | Tags: , , , | 2 reacties

Grammatica

post-atheist1-324x193Drie weken geleden (inmiddels veel langer) was ik bij de presentatie van Marcel Hulspas’ nieuwe boek Mohammed en het ontstaan van de islam. Na afloop werd er nog een drankje gedronken en gezellig bijgepraat. Ergens in het voorbijgaan hoorde ik een jong stel wat mopperend tegen elkaar praten: als hij niet eens Arabisch kende, hoe serieus kon je de auteur dan nog nemen? Of woorden van die strekking.

Ik heb terwijl hij aan zijn boek aan het schrijven was, regelmatig de grap gemaakt dat hij toch eens Arabisch moest gaan leren. Maar Marcel kent nog steeds geen woord Arabisch en wil dat ook graag zo houden. En gelijk heeft hij. Arabisch is een semitische taal en semitische talen zijn hartstikke leuk, totdat je aan het werkwoord begint. Daarna is het lasciate ogni speranza.

Ik weet niet of u ooit een overzicht van Hebreeuwse of Arabische werkwoordsvervoegingen heeft gezien: daar past het amo, amas, amat van de middelbare school zeker acht keer in, als het niet meer is. Om het nog leuker te maken, kunnen semitische talen niet zoveel met onze indeling in werkwoordstijden: andere dingen zijn belangrijker dan tegenwoordige, verleden of toekomstige tijd. En waar wij sterke en zwakke werkwoorden hebben, hebben semitische talen sterke, drie tot acht soorten zwakke én onregelmatige werkwoorden. Echt: semitische talen, begin er niet aan, ik heb u gewaarschuwd.

Anderzijds wil dat wel zeggen dat wie bijvoorbeeld de koran of de bijbel écht lezen wil – wil weten wat er stáát – zonder de kennis van de grondtaal licht gehandicapt is. Als in het bijbelboek Ruth bijvoorbeeld de hoofdpersoon ’s nachts bij Boaz onder de wol kruipt, schrikt deze wakker en vraagt: ‘Wie ben jij?’ Wie een vertaling uit de Indo-Europese taalfamilie leest, zal zich nooit realiseren dat Boaz meteen weet dat hij tegen een vrouw spreekt, ondanks het feit dat het donker is. Indo-Europese talen kennen een onderscheid in geslacht tussen ‘hij’ en ‘zij’, maar datzelfde onderscheid bestaat niet voor ‘jij’. In semitische talen is dat onderscheid er wel en bij Boaz en Ruth maakt dat verschil voor het begrip van de situatie.

Dat mag misschien een kleinigheid zijn, een nuance, maar juist boeken als de bijbel en de koran hangen van de nuances aan elkaar. Zonder kennis van het Hebreeuws mis je de woordgrappen in het scheppingsverhaal, Jesaja die ‘kut’ zegt, Jozef– met zijn technicolour dreamcoat – die maar wat graag de koffer in duikt met de vrouw van zijn Egyptische meester Potifar en Abraham die God smadelijk lastert (en nog wel recht in Zijn gezicht ook). Zonder kennis van het Arabisch mis je in de koran het verbod om je vrouw te slaan. Als mijn kennis van het Arabisch beter was geweest, had ik u evenveel voorbeelden uit de koran kunnen geven, maar de pointe zal duidelijk zijn.

Goed. Hulspas kent dus geen Arabisch. Ondertussen heeft hij wel een kloek boek geschreven waarvan vooral het eerste deel – ik kan het niet anders zeggen – behoorlijk geweldig is. Dat is trouwens het historische deel. Wat het mopperende stel inmiddels heeft gepresteerd weet ik niet, al wil ik er niet aan twijfelen dat zij Hulspas tweede deel zouden moeten kunnen overtreffen met hun kennis van het Arabisch. Alleen: dat is nog niet gebeurd.

Het Nederlands Bijbelgenootschap geeft de ene na de andere bijbelvertaling uit, elk met een eigen opzet en doelgroep, maar het zijn nog steeds vertalingen. Ook voor de koran zijn er inmiddels behoorlijk wat vertalingen in omloop. Maar wat je nodig hebt om te beseffen wat je leest, zijn voetnoten, commentaar, tekstuitleg, verhandelingen over de sociologische, economische en antropologische achtergronden waartegen de teksten gelezen moeten worden, kortom: een hele bibliotheek. Dat gaat het mopperende stel – hoeveel Arabisch ze ook kennen – natuurlijk niet trekken en ook de gehele afgestudeerde jaargang Arabistiek van 2015 gaat zo’n mère niet boire. Ze zijn wel goed maar niet gek.

En daarom gaan er nog iedere week gelovigen naar sjoel, kerk of moskee om daar een droosje, preek of kutbah aan te horen, waarin over de paar zinnen die die dag worden gelezen uit de respectievelijke heilige schriften iets nader wordt toegelicht door de rabbijn, pater, dominee of mullah van dienst. Zoals iedere sjoel-, kerk- en moskeeganger weet, is zo’n praatje maar zelden het hoogtepunt van de week en ligt het tempo waarin je werkelijk wat opsteekt nogal laag. Maar zoals het spreekwoord zegt: zij die geloven, haasten zich niet.

Helemaal vergeten: afgelopen 20 juli geplaatst op Sargasso.

Geplaatst in Bijbel, Koran, Religie | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Ambiguitätstoleranz

ISIS-vs-Western-ModernitySoms verschijnen er blogposts die je zelf had willen schrijven. In dit geval gaat het om een driedelige blogpost van arabist Wim Raven op zijn blog Leeswerk Arabisch en Islam over steniging in de islam. Over de vraag hoe steniging in het islamitisch recht terecht is gekomen kan ik wel wat droge theorie debiteren, maar Raven verwijst naar onderzoek van een collega naar de islamitische praktijk, dat een wel heel bijzondere conclusie oplevert: het vonnis ‘steniging’ als resultaat van een islamitische sharia-rechtsgang komt – voor de twintigste eeuw – niet in de islam voor. Steniging is een modern verschijnsel, er is niks ‘middeleeuws’ aan.

Daar passen twee kanttekeningen bij: er is één uitzondering bekend, die in zekere zin de conclusie bevestigt. De betreffende steniging leidde namelijk tot grote publieke verontwaardiging en de rechter van dienst werd uit zijn functie ontheven. Ten tweede wordt een vonnis als uitkomst van een rechtsgang volgens de islamitische regelen der kunst onderscheiden van een religieus gemotiveerde lynchpartij. Dat laatste komt namelijk wel voor, maar kan niet zomaar gekarakteriseerd worden als sharia-rechtspraak. Het houdt zich immers niet aan de regels van diezelfde sharia.

Die conclusie op zichzelf maakt Ravens blogpost al de moeite waard, maar daarachter zit nog een veel interessantere vraag: waarom wordt er dan sinds de twintigste eeuw wél gestenigd in landen die zich laten voorstaan op het islamitische karakter van hun rechtspraak? Het antwoord op die vraag is zo mogelijk nóg verrassender: de – alles behalve islamitische –  invloed van het westen.

Ik kan hier de inhoud van Ravens blogposts wel gaan zitten navertellen, maar daar ben ik te lui voor. Het is bovendien slecht voor de bezoekcijfers van Ravens blog. U kunt het dus veel beter hier (deel 1, 2, 3) zelf nalezen. Voor de echte doorzetters is er een achterliggend artikel (pdf; in het Duits) dat uitgebreid ingaat op de ‘middeleeuwse’ islamitische praktijk, waarin dus niet gestenigd werd. Belangrijk punt hierin – en dat was de reden dat ik die blogpost ook wel zelf geschreven zou willen hebben – is een fenomeen dat de onderzoeker Ambiguitätstoleranz noemt. Wat is Duits toch een mooie taal.

Ambiguitätstoleranz is een fenomeen dat zich buitengewoon slecht verhoudt tot wat je ‘moderniteit’ zou kunnen noemen: het gegeven dat gelovigen – geleerden voorop – er geen enkele moeite mee hebben dat hun ideeën en overtuigingen schijnbaar vol zitten met tegenstrijdigheden. In het geval van steniging geldt dat de zeer duidelijk beschreven rechtsregel dat op overspel tussen gehuwden de straf steniging staat, terwijl in de jurisprudentie de voorwaarden voor dat vonnis met zoveel ifs and butts worden omgeven dat het praktisch onmogelijk wordt.

Dat is niet uniek voor de islam. In het Oude Testament staat dat je je opstandige zoon moet stenigen. In de Talmoed melden de rabbijnen met gepaste trots dat dat vonnis nog nooit in de geschiedenis van het Joodse volk ten uitvoer is gebracht. Jezus verbood echtscheiding categorisch, maar in het Vaticaan – en trouwens in ieder bisdom – functioneert nog steeds een kerkelijke rechtbank waar je je huwelijk ‘ongeldig’ kunt laten verklaren.

Meerduidigheid was een deugd, ook in de islamitische wereld, totdat die zich ging afvragen waarom het westen op hen voorliep en ze van de weeromstuit de moderniteit gingen importeren. En zo werd in de loop van de twintigste eeuw ook de islam een geloof dat éénduidig, helder, specifiek, meetbaar, aantoonbaar, realistisch, tijdgebonden, consequent, duidelijk en consistent moest zijn. Met de moderniteit meegeïmporteerde Victoriaanse preutsheidsidealen – ook al volslagen onislamitisch – deden de rest.

Verdorie, nou heb ik het tóch naverteld…

Geplaatst in Geschiedenis, Koran, Religie, Wetenschap | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Verdienmodel

ClarksOmdat ik voeten heb die niet helemaal mee willen, loop ik al jaren met steunzolen. Alleen als ik sandalen draag met een bepaald type meeverend voetbed kan ik zonder. Ik ben niet bang van onbeschaamd reclame maken: de sandalen waarmee ik niet minder dan de afgelopen tien jaar mijn lopende leven heb doorgebracht, waren van het merk Clarks. Na tien jaar zijn ze nog steeds niet kapot, alleen behoorlijk versleten. Toen ik dat in een onbewaakt moment aan mijn moeder vertelde, wist ze meteen waar ze me voor mijn verjaardag een plezier mee kon doen: een nieuw paar Clarks sandalen.

Dat was vorig jaar. Afgelopen zomer heb ik mijn oude Clarks nog even afgedragen op vakantie in het buitenland en deze zomer ben ik begonnen op mijn nieuwe. Ik schat dat ik er in totaal een maand of drie op gelopen heb. Afgelopen week ontdekte ik dat de aanhechting van één van de banden aan de zool half was losgescheurd. Bij nadere inspectie bleek datzelfde punt aan de andere sandaal ook al te zijn begonnen aan losscheuren. Dat is schrikken als je verwacht een paar jaar vooruit te kunnen.

Ik had de sandalen iets meer dan een jaar geleden gekregen. Dat betekende twee dingen: één, ik had de aankoop bon niet en twee, de garantietermijn van een jaar was recent al verstreken. Toch ben ik teruggegaan naar de winkel. Ik wist toevallig waar mijn moeder ze had gekocht.

Daar werd ik allervriendelijkst geholpen, daar niet van. Men was zelfs bereid om ook na het verstrijken van de garantietermijn de sandalen te laten repareren. En de aankoop bon hoefde ook niet per sé, een bankafschrift was ook goed, zolang maar op de één of andere manier duidelijk was dat de schoenen inderdaad in die winkel waren gekocht. Het zou immers zo kunnen zijn dat ze toch ergens anders waren gekocht en dan konden ze zich niet verantwoorden voor de gemaakte kosten van reparatie. Dat bleek het enige echt onoverkomelijke probleem te zijn voor de winkel.

Nu vind ik het bijzonder vervelend om te gaan vragen naar de bon, ook al is het geen geheim voor me wat ze gekost hebben. Nog veel vervelender vind ik het om mijn moeder te vertellen dat haar cadeau nu al kapot is (zij leest dit blog gelukkig alleen als ik erop wijs). Ik kon dus onverrichterzake terug naar huis en bedacht aldaar het volgende.

Punt één: het moet het personeel duidelijk zijn geweest dat hier geen ontevreden klant stond, maar een tevreden klant met een klein probleem. Dergelijke klanten kunnen nog maar één kant op en dat is richting ontevredenheid. Punt twee: aan de slijtage aan de zolen was goed te zien dat de sandalen niet veel gebruikt waren en ook niet bijzonder zwaar waren mishandeld. Punt drie: de sandalen waren zonder enige twijfel van Clarks en eventuele fabricagefouten of andere kleine ongevallen dus ook.

Misschien mis ik iets, maar volgens mij kun je als vertegenwoordiger van Clarks in zo’n situatie maar één ding doen: beseffen dat een sandaal niet binnen die tijd zo ernstig kapot hoort te gaan, laten bekijken wat er aan de hand is en zo de klant tevreden houden. Blijkt later alsnog dat hij iets vreselijk fout heeft gedaan, dan kun je hem dat tenminste met kennis van zaken uitleggen. Heeft de klant niks verkeerd gedaan, dan scoor je alleen maar als je de zaak laat repareren. Nogmaals: misschien mis ik iets, maar iedere andere actie lost het probleem niet op.

Helaas denkt Clarks daar anders over. Die hebben hun verkooppunten opgedeeld in eigen, aparte verdien-eenheden die ieder voor zich de baten zo hoog en de kosten zo laag mogelijk moeten houden. Om dat te stimuleren moeten die verdien-eenheden zich individueel verantwoorden tegenover het hoofdkantoor. Zo’n verdienmodel zal best werken, maar het zorgt er wel voor dat je klanten onnodig teleur stelt.

Zou het trouwens helpen, al die links in je blogpost?

Geplaatst in Samenleving | Tags: , | Een reactie plaatsen

Bewijs

foto: Cadbury Reseach Library, Birmingham

foto: Cadbury Reseach Library, Birmingham

Eerder blogde ik over de ‘ontdekking’ van het tot dusverre oudst bekende koranmanuscript in Birmingham, een vondst die aan alle kanten werd gezien als ‘bewijs’ voor het één of ander, of juist niet. Korte samenvatting van het voorgaande: Twee folio’s uit de bibliotheek van de Universiteit van Birmingham blijken de oudst bekende koranfragmenten te vormen. Ze zijn met de koolstofmethode gedateerd in de periode 568 – 645, met 95% zekerheid. Dat is extreem vroeg. De mogelijkheid dat de schrijver de profeet Mohammed (570 – 632) nog persoonlijk heeft gekend, is niet meer uit te sluiten. Maar afgezien van zo’n opmerkelijk borreltafelfeitje: wat bewijst deze vondst nu? Tijd voor een aantal vragen in een blogpost die meer weg heeft van een longread

1. Is het ontstaan van de koran nu gedateerd?
Nee. Op de folio’s staan 63 verzen (651 woorden) uit soera 18, 19 en 20. Op een totaal van 6236 verzen (ca.77.000 woorden) voor de hele koran is dat 1%. Conclusies over de datering kunnen nu alleen nog over die verzen worden getrokken. De folio’s horen mogelijk bij een ander manuscript in Parijs en als dat klopt, kan de reikwijdte van de datering eventueel worden uitgebreid over de verzen in dat manuscript. Ik vermoed dat het gaat om BNF 328c, het betreft dan een totaal van 502 verzen, zo’n 8% van de hele korantekst. De vergelijking tussen beide manuscripten betreft het handschrift, de scheidingstekens tussen de verzen en de wijze waarop de soera’s van elkaar worden gescheiden. De soerascheider wordt beschreven in het archief van de Bibliothèque Nationale de France:

trois filets ondulés de couleur rouge-orange sur lesquels ont été portés des points noirs courent parallèlement sur toute la largeur ; dans les deux intervales qui les séparent, des points de la même couleur ont été disposés. Dans la marge extérieure, les trois filets se rejoignent pour dessiner une palmette stylisée très grossière, en partie rognée.

Dat komt behoorlijk specifiek overeen met de soerascheider op het manuscript uit Birmingham:

M1572f1rSoerascheider01

2. Is de tekst van de verzen op de folio’s dan nu wel gedateerd?
Nee. Gedateerd is het perkament waarop de tekst staat. Er zijn geen aanwijzingen dat het perkament op het moment van beschrijven al oud was, dus vooralsnog moeten we ervan uit gaan dat de datering van het perkament ook ongeveer de datering van de tekst is. Perkament is duur en maak je niet in grote hoeveelheden voor niets. Dat wil overigens niet zeggen dat het onmogelijk is dat er oud perkament is gebruikt. Enkele resterende vellen die zijn overgebleven van een oud schrijfproject zijn zonder meer een mogelijkheid. En perkament is duur, dus dan begin je natuurlijk eerst met zoeken naar wat je nog hebt liggen.

Dat gezegd zijnde: zonder aanwijzingen voor gebruik van oud perkament heeft het geen zin om uit te gaan van die mogelijkheid. Dat lijkt eerder ingegeven door de gedachte dat de korantekst nu eenmaal niet zo oud kan zijn, en er dus wel oud perkament gebruikt moet zijn. Dat is niets meer dan een hulphypothese die een vooropgesteld dogma hoog moet houden. Anderzijds is het even dogmatisch om ervan uit te gaan dat er geen oud perkament gebruikt kan zijn, zoals Muhammad Isa Waley, een curator van de British Library naar aanleiding van deze vondst deed:

The Muslim community was not wealthy enough to stockpile animal skins for decades, and to produce a complete Mushaf, or copy, of the Holy Qur’an required a great many of them.

Dat is klinkklare onzin. Op basis van bovenstaande cijfers schat ik dat met twee folio’s per geit je ongeveer 112 geiten nodig hebt voor één koran. Tegen het einde van de periode waarin de folio’s zijn gedateerd (568 – 645) hadden de Arabieren de Levant, Egypte en Perzie al veroverd. De hoeveelheid buit moet astronomisch zijn geweest en die paar kuddes geiten die nodig waren voor deze koran moet daar slechts een fractie van zijn geweest. Een goede voorraad schrijfmateriaal is nooit weg. Bovendien kun je de redenering ook omdraaien: juist als je arm bent, moet je je perkament voor een groot schrijfproject opsparen en is de kans op gebruik van oud perkament groot.

3. Bewijst deze vondst dat de tekst van de koran vroeger anders was?
Nee, integendeel zelfs. De tekst op het manuscript verschilt nauwelijks van de tekst van de koran zoals we die nu kennen. Op 651 woorden zijn 67 verschilpunten te zien. Dat klinkt imposant, maar op 43 plekken waar in de huidige standaardtekst de letter alif staat, ontbreekt deze in het manuscript. Dat is niets anders dan een afwijkende spellingsconventie rond het wel of niet schrijven van een lange ‘a’.

Op 16 plekken ontbreekt de letter hamza, waarvan we weten dat het een later ingevoerd teken is dat oorspronkelijk geen onderdeel was van het Arabische alfabet. Het verduidelijkt waar in een woord een glottisslag (de klank tussen de twee a’s in na’apen) valt. Op één plek ontbreekt de combinatie wav-hamza , ook een spellingsconventie van later datum die de glottisslag plus ‘oe’-klank weergeeft. Verder ontbreken vijf scheidingstekens voor de verzen en staan er twee extra op plekken waar ze in de standaardeditie niet staan. De tekst komt verder geheel overeen met de tekstredactie die aan de derde kalief Uthman wordt toegeschreven.

4. Bewijst deze vondst dan dat de huidige korantekst de oorspronkelijke is?
Ook niet. Uit de islamitische traditie is bekend dat er naast de redactie van Uthman ook andere tekstredacties waren en dat er felle discussies waren tussen ‘aanhangers’ van de diverse redacties. Uthman kreeg van zijn tegenstanders zelfs de bijnaam ‘verbrander van het Boek’, omdat hij na zijn standaardisatie bevolen zou hebben dat alle andere exemplaren moesten worden verbrand. Dat is trouwens niet altijd gebeurd. Islamitische theologen hebben ook nooit echt afscheid genomen van die andere redacties en zijn afwijkende teksten eruit ook blijven gebruiken in hun commentaren en exegese. Zo weten we dat de afwijkingen tussen die teksten en de versie van Uthman behoorlijk zijn geweest.

Er is ook een koranmanuscript bekend uit Sanaa, in Jemen, dat slechts enkele decennia jonger is dan het manuscript uit Birmingham, waarop een tekstredactie is bewaard die sterk verschilt van de Uthmanische. De verschillen betreffen soms een al bekende afwijking van een andere niet-Uthmanische tekst die we uit de literatuur kennen, maar ongeveer even zo vaak is er een unieke, tot dusverre onbekend alternatief te vinden.

Wat we weten uit de islamitische traditie is dus dat er vanaf het begin meerdere tekstredacties naast elkaar hebben bestaan. Wat we weten van de oudste manuscripten lijkt dat beeld te bevestigen. Het is zo goed als onmogelijk te zeggen welke redactie nu de ‘oorspronkelijke’ was. Dat is ook een lastige vraag als je een tekst hebt waarvan zelfs gelovigen beweren dat er 22 jaar lang aan gewerkt is, van 610 tot 632, en dat er tijdens die periode al mensen waren die (delen van) de tekst optekenden. Het is ook een lastige vraag als tegenstanders en andere critici vanaf het begin al beweren dat het teksten zijn die zijn overgenomen of zelfs overgeschreven uit joodse en christelijke bronnen. Zonder eerst nauwkeurig te definiëren wat je bedoelt met ‘de oorspronkelijke tekst’, kun je met die vraag eigenlijk niets.

5. Als de geschreven tekst al zo oud is, klopt het dan wel dat de korantekst in eerste instantie vooral mondeling werd overgeleverd?
Ja, dat klopt. Een belangrijke overweging die bij dit manuscript in het achterhoofd gehouden moet worden, is dat het schrift in deze tijd nog niet voldoende ontwikkeld is om alle aspecten van de tekst vast te leggen, de klinkers voorop. Ook veel tekens die de verschillende medeklinkers uit elkaar moeten houden, zijn niet consequent toegepast. Dat wil zeggen dat teksten zoals op dit manuscript uit Birmingham vooral gefunctioneerd hebben als geheugensteun voor mensen die de tekst toch al min of meer uit hun hoofd kenden.

Dat blijkt onder andere uit de schrijfconventies. Zoals gezegd wordt de letter alif niet consequent gebruikt voor het aangeven van de lange ‘a’. Ik noemde dat hierboven een spellingsconventie, maar het kan ook betekenisverschillen veroorzaken. Zo wordt in het manuscript de spelling ql aangehouden voor zowel qul, ‘zeg!’ als voor qāla, ‘hij zei’. In de huidige standaardtekst wordt voor dat laatste de spelling qal aangehouden. Zonder die extra alif is het onderscheid tussen beide betekenissen niet in alle gevallen duidelijk uit de context en daar helpt de orale overlevering een handje.

6. Wat is er dan nu eigenlijk wél met zekerheid bewezen?
Niet bijster veel. Het is nu waarschijnlijker geworden dat de datering van de tekst van de koran zoals we hem nu kennen gelijktijdig met of kort na het ontstaan van de islam valt. Absoluut zeker is dat niet en het is ook niet gezegd dat dat voor de gehele koran geldt. De mogelijkheid dat er tekst van de koran vroeger gedateerd moet worden dan het ontstaan van de islam is – hoe revisionistisch ook – met deze datering niet uit te sluiten. Grappig genoeg is een veel latere datering van de tekst óók niet uit te sluiten, je weet immers niet absoluut zeker dat je niet pardoes een pagina gedateerd hebt waar oud perkament voor is gebruikt. Aanwijzingen daarvoor ontbreken echter.

Het enige wat nu met zekerheid kan worden gezegd is dat de tekstredactie van de 63 verzen in ieder geval een zeer oude traditie weergeeft en dat de volgorde van soera 19 en 20 in die redactie ook al vast lag. Blijkt het Parijse manuscript erbij te horen, dan kunnen we hetzelfde zeggen over de volgorde van de soera’s 10 – 11 en 20 – 23.

7. Welk onderzoek zou er nog gedaan moeten worden?
Veel. Om te beginnen zouden beide pagina’s van het manuscript gedateerd moeten worden, vooropgesteld dat ze van een verschillend beest gemaakt zijn. Als het klopt dat het onderdeel is van het Parijse manuscript, dan zouden alle pagina’s dáárvan (16 folio’s) ook gedateerd moeten worden. Alleen zo krijg je een betrouwbaar overzicht van de verdeling van de dateringen van alle gebruikte vellen en dus van de datering van het oorspronkelijke exemplaar van de koran waar het onderdeel van heeft uitgemaakt.

Inkt is niet te dateren – althans niet zonder de tekst ernstig te beschadigen – maar spectografische analyse kan wel een aanduiding geven van de samenstelling van de inkt of inkten die zijn gebruikt. Van bepaalde typen inkt is bekend dat ze pas vanaf een bepaalde periode voorkwamen. Ook zonder dat een manuscript meteen een palimpsest is, hebben de meeste manuscripten een geschiedenis in de vorm van correcties, reparaties en aanvullingen. Dat is vaak te zien aan verschillen in gebruikte inkt. Bepaalde vormen van spectrografische analyse kunnen soms weggeschraapte tekst weer zichtbaar maken. Eventueel nu nog onzichtbare correcties in de tekst kunnen dan worden onderzocht.

Schrijfstijl en handschiftanalyse kan op dit punt ook een boel zeggen. Het maakt uit of een tekst is geschreven door één hand of dat meerdere schrijvers aan een manuscript gewerkt hebben. In zo’n geval wordt de vraag wanneer een bepaalde schrijver aan een document heeft gewerkt ook weer actueel.

Op dit punt ligt er – vermoed ik, ik ben geen deskundige op dit gebied – nog een fors twistpunt. De schrijfstijl van het manuscript is Hijazi, het oudste ‘lettertype’ in de Arabische kalligrafie. Maar het oogt héél erg als Kufisch, een kalligrafeerstijl die pas later opkomt. Het manuscript is ook op diverse plekken als Kufisch gekarakteriseerd en wie het als Hijazi benoemt, meldt erbij dat het een ‘overgangsvorm’ naar het Kufisch vormt. Op basis van de stijl van het schrift zou een datering in het begin van de zevende eeuw onmogelijk zijn. Dat betekent dat óf de koolstofdatering niet helemaal goed klopt óf dat onze schrifttypologie van het vroege Arabische schrift bijgesteld moet worden. Dat laatste gaat niet zomaar: die typologie is behoorlijk goed gedocumenteerd. Die gooi je niet zomaar op basis van één losse datering weg.

DNA onderzoek lijkt niet veelbelovend. In theorie zou je ermee kunnen bekijken of de geiten (of schapen) waarvan de huid is gebruikt familie van elkaar waren en dus uit dezelfde kudde kwamen. Eventueel is het aantal kuddes zo te bepalen. Maar uit eerder onderzoek aan DNA op perkament is gebleken dat er enorm veel DNA in perkament zit: van het beest waar het van gemaakt is, van andere beesten waarvan bijvoorbeeld lijm is gemaakt om het perkament te behandelen, van beesten die in de inkt zijn verwerkt, van de mensen die het perkemant hebben bepoteld, van de kakkerlakken die eroverheen gelopen zijn. Dat wordt duur onderzoek met lastig te interpreteren resultaten.

Ten slotte vraag ik me af – wederom: dit is niet mijn specialisme – of stabiele isotopenanalyse van het perkament uitsluitsel kan geven over de regio waar het arme beest heeft geleefd. Dergelijk onderzoek wordt veel gedaan op botresten en tanden en is – in ieder geval in theorie – mogelijk op alle organisch materiaal. De verdeling van isotopen van bepaalde elementen is karakteristiek voor de omgeving waarin een organisme leeft en soms kan die regio worden ‘teruggevonden’. Ik weet niet of het mogelijk is om op die manier bijvoorbeeld de omgeving van Mekka, Jemen en Syrie uit elkaar te houden en ik weet ook niet of dergelijk onderzoek ooit op perkament is gedaan. Het zou een boel verheldering kunnen opleveren, want het is niet eens bekend waar Alphonse Mingana zijn manuscripten gekocht heeft.

Geplaatst in Koran, Religie, Wetenschap | Tags: , , , , | 6 reacties

Kennisgeil

TabletIk wist niet wat ik las, gisteren in de Volkskrant. Rients de Boer, docent Assyriologie aan de vakgroep Oudheidkunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, pleitte op de opiniepagina voor het bestuderen van geroofd erfgoed uit Irak en Syrie. In brede kringen geldt het bestuderen en vooral publiceren van geroofd erfgoed als een ‘besmette’ activiteit en er zijn internationale afspraken over een verbod op handel in geroofd erfgoed.

U weet inmiddels dat onze nieuwe kalief en zijn rebellenclub zichzelf voor een fors deel financieren met geld dat wordt verdiend met het leegroven van musea en archeologische sites. De ‘wij maken al die heidense troep kapot’-video’s zijn slechts de onverkoopbare restanten: voorwerpen die té bekend zijn om veilig te kunnen worden verhandeld, of spullen die te zwaar en te onhandelbaar zijn in relatie tot de te verwachten opbrengst.

De Boer neemt de redenen voor het niet bestuderen van geroofd erfgoed onder de loep:

Aan de ene kant staan onderzoekers (vaak archeologen) die vinden dat men per definitie geen geroofde antiquiteiten moet bestuderen. De twee hoofdredenen zijn: zonder de opgravingscontext van bijvoorbeeld een standbeeldje (waar is het gevonden? hoe is het begraven?) kan je weinig zinnigs zeggen; een tweede reden is dat de bestudering ervan de waarde verhoogt en indirect de handel erin vergoelijkt.

De Boer maakt één fout: de tweede reden is de hoofdreden. Zo staat het ook in – bijvoorbeeld – de ethische code van de Nederlandse Vereniging van Archeologen (NVvA). Ik citeer artikel III van het Handvest van die ethische code:

Archeologen gaan commercialisering van erfgoed tegen
Het kopen en verkopen van voorwerpen die uit hun context zijn verwijderd, draagt bij tot de vernietiging van vindplaatsen. Archeologen onthouden zich daarom van activiteiten die de commerciële waarde verhogen of de handel stimuleren in archeologisch materiaal dat zich buiten openbare collecties bevindt of dat niet voor wetenschappelijk onderzoek toegankelijk is.

Dat wil zeggen dat ik als archeoloog geen erfgoed mag kopen of verkopen op de markt, geen advies mag geven aan potentiele (ver)kopers van erfgoed op de markt, er niet in mag bemiddelen en me verder ook verre moet houden van het publiceren, beschrijven of anderszins begrijpelijk maken van erfgoed dat op de markt verhandeld wordt. Exact daarover zegt De Boer:

Aan de andere kant van de discussie staan vaak bepaalde specialisten zoals assyriologen die vinden dat het materiaal ongeacht de herkomst moet worden bestudeerd omdat het moedwillig ontkennen van historische bewijzen niet wetenschappelijk is. Daarnaast betogen zij dat sommige objecten zoals spijkerschriftteksten zelfs zonder opgravingscontext nog veel informatie geven en dat bovendien de geldwaarde van de objecten al vaak vóór academische bestudering door de markt is bepaald.

Dat laatste punt gaat aan het argument van de archeologen voorbij: natuurlijk is de geldwaarde van voorwerpen op de markt al bepaald, maar dat handelaren een prijs vragen is niet relevant. Het verbod geldt het door professionals bijdragen aan het verhogen van die waarde. Dat kan van nul tot iets zijn, maar ook van laag naar hoog. Als ik – ik noem wat willekeurige voorbeelden – aan een handelaar vertel dat het beeldje dat hij verkopen wil, inderdaad echt is, dan krijgt dat beeldje waarde en nog een goede reden voor die waarde ook. Als ik vertel dat het zeldzaam is, of een sexueel motief heeft, dan stijgt de waarde, want ook oudheidkundige sex sells.

Dat het ontkennen van historische bewijzen niet wetenschappelijk zou zijn, is een frame. Er wordt niets ontkend, archeologen hebben besloten bepaalde zaken niet te bestuderen om te voorkomen dat ze zelf bijdragen aan het ontstaan van een nog veel grotere voorraad aan onbruikbare historische bewijzen waar je alleen in uitzonderingsgevallen nog wat mee kunt. Op het gebied van die uitzonderingsgevallen heeft de Boer een punt:

Een spectaculair voorbeeld zijn de spijkerschriftteksten geroofd uit Irak omtrent het plaatsje ‘Al-Yahuda’ (Judah-stad in het Akkadisch) die een rechtstreeks beeld geven van de Joodse ballingschap in Babylonië in de vijfde en zesde eeuw voor Christus. Indien deze teksten niet waren bestudeerd zou men deze cruciale fase uit de Joodse geschiedenis niet met zoveel detail kennen.

Dat argument oogt sterk: het zijn unieke documenten, ze gaan over een periode en een onderwerp waar we nauwelijks wat van weten en het is nog min of meer onze bakermat ook. Als we het niet bestuderen zijn we die kennis voorgoed, volledig kwijt. Doodzonde. Ben u al overtuigd? Ik niet. Wat mij betreft kunnen die spijkerschrifttabletten direct de vergruizer in. Dat liever dan dat een kennisgeile wetenschapper het zicht verliest op wat er werkelijk aan de hand is.

Dít is er aan de hand: IS verkoopt erfgoed waarmee ze geld verdienen. Van dat geld gaan ze los tegen Sji’ieten, Koerden, Christenen, Yezidi’s en verder iedereen die niet bij de eigen club hoort. Alles wat wij in het westen doen om dat geroofde erfgoed belangrijker of waardevoller te maken, verhoogt de prijs ervan, zal dus leiden tot hogere inkomsten voor de kalief en zijn moordende bende en bredere mogelijkheden om hun heilzame werk in het Midden Oosten voort te zetten.

Het pleidooi van De Boer maakt zich medeplichtig aan misdaden tegen de menselijkheid. Laten we wel wezen: die Joden uit al-Yahuda zijn al een paar eeuwen hartstikke dood. Yezidi’s niet.

Full disclosure: in een vorig leven ben ik betrokken geweest bij het opstellen van de ethische code van de NVvA en op een ander moment ben ik een jaartje secretaris geweest van die club.
Geplaatst in Erfgoed, Geschiedenis, Samenleving, Wetenschap | Tags: , , , , | 3 reacties