Ouwe troep

Spijkerschrift01Nu ben ik archeoloog en ik zou dus eigenlijk vooraan moeten staan in de protesten tegen de vernielingen van oudheden die in opdracht van onze geliefde kalief zijn aangericht in de musea in Mosul. Maar daar sta ik niet. Het doet me bijzonder weinig. Ja, er gaat onvervangbaar erfgoed verloren en dat is – zelfs ik zie dat – ongelofelijk jammer. En toch wordt dit stukje geen vlammend protest, noch een begeesterde veroordeling van de barbarij die onder onze geliefde kalief zo welig opbloeit.

Daar heb ik een heleboel redenen voor. De eerste is praktisch: deze jongemannen lijden aan een Gilles de la Tourette-achtige aandoening die ze precies laat doen waar je ze juist van af probeert te houden. Hoe harder je protesteert, hoe harder ze zich zullen gaan toewijden aan het doen van wat niet mag. De stoere knapen van onze geliefde kalief zijn erop uit voor zichzelf de reputatie van een God noch gebod respecterende club te bevestigen en met protesten geef je ze precies aan in welke richting ze het moeten zoeken. In zekere zin zijn ze dan ook heel goed aan te sturen. Zoals ik al zei: jonge mannen zijn het, niet meer.

Mijn tweede reden is even praktisch als moreel: ik heb liever dat die losgeslagen hormonen losgaan in een museum met ouwe troep dan op een berg vol mensen. Als ik moet kiezen tussen mijn vak, beroep en levensvervulling versus een mensenleven is mijn keuze verrassend snel en makkelijk gemaakt. In de tijd die ze steken in het slopen van een lamassu, zijn ze niet bezig met het verbranden, kruisigen of anderszins slopen van mensen. Laat ze, als we er toch al niks aan kunnen doen.

De voorgaande twee redenen leiden tot een gedachte waarmee ik mezelf een beetje tegenspreek: zou het in dit kader geen idee zijn om de plunderingen juist te stimuleren?Mijn goede vriend Jona heeft al aangegeven dat onze geliefde kalief helemaal niet zoveel erfgoed kapot maakt als hij wil dat wij denken, maar dat de oudheden vooral worden verkocht ter spekking van de kalifatelijke kas. Er gaat dus niet zo heel veel verloren en wat we aan vernielingen zagen, was alleen de onverkoopbare rest.

Zouden we de tijd die de rebellenclub doorbrengt met schatgraven kunnen stimuleren door oudheidkundige voorwerpen flink op te kopen en zo de tijd die ze aan godgewijde zaken als moord en verkrachting besteden kunnen, verminderen? En passant zou zelfs het probleem van oudheden zonder traceerbare herkomst kunnen worden aangepakt: door significant meer te bieden wanneer die oudheden voorzien zijn van een ordentelijke opgravings- dan wel plunderingsdocumentatie. Ik zeg nu iets wat ik van de ethische code van mijn beroepsgroep eigenlijk helemáál niet mag zeggen. Maar ja, als er mensenlevens in het spel zijn, is mijn mening over wat je met een ethische code kunt doen vrij helder.

Ik verkondig een minderheidsstandpunt, ik weet het. Eigenlijk wijk ik nog veel verder af van mijn vakbroeders omdat ik over de plunderingen zelfs een beetje leedvermaak heb. Weet u, er bestaat geen beter argument tegen het heidendom dan een museum vol door mensen gemaakte afgodsbeelden waar al een paar duizend jaar geen mens meer naar omkijkt, laat staan een gebed aan richt, omdat noch die beelden, noch waar ze voor staan ook maar iets kúnnen betekenen. Zelfs onze geliefde kalief is in staat om dat in te zien.

Wie zo’n museum leeghaalt en de afgodsbeelden vernielt, weet dat over één generatie de kindertjes in het kalifaat zomaar ineens geen antwoord meer kunnen verzinnen op de volslagen belachelijke – maar op zichzelf wél pertinente – vraag waarom het opperwezen geen vliegend spaghettimonster zou kunnen zijn. Zo zullen de kalifaatskindertjes zich over een generatie of wat ook geen enkel beeld meer kunnen vormen bij de vroege geschiedenis van de islam. Waar maakte die profeet nu eigenlijk zo’n heisa over? Waren die mushrikun in Mekka nu écht zo vreselijk? Ze zullen er totaal geen beeld meer bij hebben. Tekst wel ja, veel tekst zelfs, maar zonder beelden erbij zal dat nooit gaan leven voor die kinders.

We weten natuurlijk dat de jongemannen van de kalief slechts nagels aan de doodskist van de islam vormen. We zien dat vooral in de misdaden die ze plegen, het feit dat ze God noch gebod respecteren en dat letterlijk niets heilig voor ze is. Dat is allemaal heel waar en terecht. Maar we onderschatten de wijze waarop deze lieden ook onderhuids sluipmoord plegen op de islam. De islam is niet voor niets een godsdienst van belang geworden: zij staat op de schouders van reuzen, die op hun beurt ook weer op schouders staan van niet mindere reuzen. Ook al kom je op een gegeven moment bij reuzen uit wier gedachtengoed je niet meer deelt: je geloof verliest aan betekenis wanneer je dat gedachtengoed niet meer kent.

Het kalifaat is de islam langzaam aan het isoleren van alles waarmee het ooit in verband stond en waar die islam nolens volens een deel van zijn betekenis aan ontleent. Hoe succesvoller die isolatie zal verlopen, hoe meer de islam op een lege huls zal gaan lijken en hoe onvermijdelijker de islam aan betekenis zal verliezen voor moslims. Dat is pas écht het slopen van erfgoed…

Geplaatst in Erfgoed, Religie | Tags: , , , , | 1 reactie

Porno

Champagne04Twee keer per jaar hou ik er de licht cynische gewoonte op na om mijn goede vriend Jona een sms te sturen wanneer ik de eerste paaseitjes in februari januari in de winkel signaleer en hetzelfde doe ik met pepernoten, die doorgaans in september augustus in de winkel verschijnen. Mijn goede vriend blijkt ze steevast al eerder te hebben gesignaleerd dan ik. Paaseitjes hebben al jaren de gewoonte om ruim voor het begin van de Vasten (voor de oningewijden: die begon afgelopen woensdag) in de winkel te verschijnen en hoewel ik niet veel met die vasten heb, vind ik dat het op die manier negeren van de Vasten eigenlijk niet kan. De Vasten duurt veertig dagen, Pasen is vijftig dagen feest – tot en met Pinksteren – dus er is tijd zat om paaseitjes aan de man te brengen. Maar probeer maar eens een paasei rond Pinksteren te vinden.

Zo horen ook pepernoten bij de Sinterklaastijd: liefst pas na aankomst van de Goedheiligman, als de avonden vroeg donker zijn en de Glühwein en de warme chocolademelk weer op de menukaarten staan. Als het spelen van sinterklaasliedjes op de achtergrond beperkt kan blijven tot de Sinterklaastijd, waarom dan pepernoten niet? Mijn goede vriend heeft daar minder moeite mee: hem zijn pepernoten gewoon té lekker.

Daar staat tegenover dat er nog genoeg dingen zijn die alleen verkrijgbaar zijn rond de tijd waarin ze hun functie hebben. Christmas Pudding is echt alleen te vinden rond de kerst en oliebollen zie ik ook alleen de paar dagen rond Oud en Nieuw. Charoset en lamsbout maak ik maar eens per jaar – met Pasen – terwijl het allebei verschrikkelijk lekker is. Champagne is wel het hele jaar door verkrijgbaar, maar ik vermoed dat het grootste deel van de mensheid slechts champagne drinkt rond middernacht van 31 december.

Die beperkte beschikbaarheid maakt dat je er extra van geniet. In zekere zin ontleen je je extra plezier – en niet in het minst de voorpret –  juist aan het feit dat je je de rest van het jaar er van onthoudt. Vasten doe je voor de lol. Als je het mij vraagt, kan het geen ander doel hebben dan dat. Dat brengt me onwillekeurig bij Sir Winston Churchill, wiens reguliere ontbijt tijdens de Tweede Wereldoorlog – onder andere, mag ik hopen – bestond uit het nuttigen van een gehele fles champagne. Daarmee was ‘s mans dagelijkse alcoholconsumptie nog niet volbracht trouwens.

Je kunt je afvragen hoe het in vredesnaam mogelijk is geweest dat zo’n zware alcoholist Groot Brittannië door de Tweede Wereldoorlog heeft kunnen loodsen. Persoonlijk vind ik de vraag een stuk interessanter hoe men in Groot Brittannië gedurende vijf jaar aan voldoende champagne (ruim 1800 flessen) kon komen voor de behoeften van de Prime Minister, terwijl Frankrijk toch in vijandelijke handen was. Maar Sir Winston Churchill doet me vooral denken aan een uitspraak die aan de profeet Mohammed wordt toegeschreven:

Wie altijd vast, vast nooit.

Wat je verder ook van de man mag vinden, die uitspraak is raak: om welke reden je het ook doet, vasten hoort een uitzondering te zijn op de gebruikelijke gang van zaken. De andere kant van precies dezelfde medaille is: genieten. Ook dat doe je niet aan één stuk door. Aan één stuk door is geen genieten of vasten meer, dat is – for lack of a better word – porno.

Kenmerkend voor porno is namelijk niet dat het de geslachtsdaad in beeld, of de goede zeden in gevaar brengt. Evenmin dat het leidt tot meer of juist minder agressie jegens vrouwen dan wel onrealistische voorstellingen rond de menselijke sexualiteit. Kenmerkend voor porno is die ene zin uit het bekende liedje van Queen (ja: dat heb ik moeten opzoeken): ‘I want it all, and I want it now‘, inclusief de onherstelbare verbetering: ‘…and I want it smothered in chocolate and whipped cream.’

Die chocolade en slagroom brengt me bij dat befaamde experiment met ratten die konden kiezen tussen lekker eten en sex. Het eten werd geserveerd na een druk op een knopje, de sex was geregeld via een electrode in de rattenhersentjes, die ze konden aanzetten door op een hendel te drukken. Alle ratten in dat experiment stierven uiteindelijk de hongerdood, leunend op de hendel en in volstrekt gelukzalige toestand, dat dan weer wel.

Ik stel me zo voor dat de ethische commissie die dit experiment heeft moeten goedkeuren, nog behoorlijk wat lastige afwegingen heeft moeten maken.

Zo af en toe heb ik gedachtengangen waarvan de afzonderlijke onderdelen aan elkaar hangen van de meest onwaarschijnlijke associaties en overeenkomsten. Voor mij zijn al die verbanden volkomen logisch en inzichtelijk, maar ik merk in het dagelijks leven dat de meeste mensen er nog wel eens moeite mee hebben. Ik heb geen idee of het normaal is, maar – frankly – I don’t give a damn, want ik kan er heel prima mee leven.

Geplaatst in Mijzelf, Samenleving | Tags: , , | 2 reacties

Troep

IMG_1684Vroeger was er geen vuilophaaldienst. Wie afval had, gooide dat uit het raam, in de greppel naast de boerderij, in het varkenskot, achter de stal, maar in ieder geval niet op enkele kilometers van de woonplek zoals nu. Je had wel wat beters te doen. Onbewust van microben en infectieziekten zag de mens vroeger in deze vorm van Entsorgung geen enkel probleem. We leefden op onze eigen vuilnisbelt. En dat is leuk, want daardoor kunnen we nu nog steeds onderzoek doen naar de plekken waar duizenden jaren geleden mensen woorden. Nooit heb ik mijn vak – de archeologie – beter samengevat gezien dan in de studentikoze boektitel: The how-to-dig-holes-in-alleged-junk-containing-soil-book.

Een echte archeoloog zal u een sjieker antwoord geven op de vraag wat hij doet. Archeologen bestuderen het menselijk verleden aan de hand van de materiële cultuur. Het menselijk verleden onderscheidt de archeoloog van de paleontoloog, die oude beesten bestudeert. De materiële cultuur onderscheidt hem van de historicus, die in geschreven bronnen doet. Materiële cultuur is op zijn beurt weer een sjiek woord voor de spullen die mensen maken. Dat kan letterlijk alles wezen: van gemeentehuizen en Chinese muren tot koffielepeltjes en veiligheidsspelden.

Wat mensen onbedoeld maken, kan ook onderwerp van onderzoek zijn: de veranderde samenstelling van het plantaardig leven rondom een boerendorp laat zijn sporen na in de in de bodem neergelagen stuifmeelkorrels. Geen prehistorische boer die daar ooit op gekomen is. Misschien dat hij wel eens aan zijn eigen afval heeft gedacht: ‘Als de één of andere idioot hier over tweehonderd jaar zijn schep in zet, heeft-ie echt géén idee!’

Dat afval is voor archeologen enorm belangrijk, omdat er veel van is, en omdat bepaalde typen afval het eeuwige leven hebben. Potscherven bijvoorbeeld, het breekt wel, maar het verdwijnt nauwelijks en een beetje materiaaldeskundige kan zelfs aan een potscherf ter grootte van een hondebrok nog zien uit welke tijd hij stamt. Want serviesgoed verandert. Dat heeft het altijd al gedaan.

Op de foto hierboven ziet u wat scherven die een collega van me de afgelopen weken uit de grond heeft gehaald in Katwijk, Zuid-Holland. Ik ben geen materiaaldeskundige, maar ik herken wel wat scherfjes Lowland Ware, terra sigillata, gladwandig en ruwwandig aardewerk. Dat is voor mij genoeg om te weten dat het een complex uit de Romeinse tijd betreft en een echte materiaalspecialist kan er waarschijnlijk een nog veel nauwkeuriger datering aan geven. Er bestaan aardewerksoorten die tot op vijf jaar nauwkeurig kunnen worden gedateerd, puur op stijlkenmerken. Dat is wel héél zeldzaam trouwens.

Op zichzelf interesseert het geen mens hoe oud die hondebrokken zijn, zelfs de archeoloog niet. Het was afval en het zou in principe nu nog steeds weggegooid kunnen worden. Niemand heeft er wat aan, geen mens wil het gaan bekijken in een museum en het is ook nog eens niks waard. Toch wordt het niet weggegooid en daar is een goede reden voor: de potscherf dateert niet alleen zichzelf, hij dateert ook het gat waarin hij gevonden is.

Elk gat dat de mens graaft, een greppel, een waterput, een voorraadkuil, stort eens weer dicht en afval dat aan de oppervlakte ligt, kom dan in zo’n gat terecht. Soms wordt afval expres in zo’n gat geschoven. De houten palen van een boerderij die in de grond zijn ingegraven, rotten langzaam weg. Het hout dat geleidelijk verdwijnt, wordt langzaam aangevuld met grond die in het gat zakt. Die grond neemt afval van de oppervlakte mee het gat in.

En een paar duizend jaar later is dat gat nog steeds te zien in de grond. De man die dat ontdekte, sprak de woorden: Nichts ist dauerhafter als ein Loch. Grond kun je nooit exact terugstorten en tussen ongestoorde grond en een oud gat is altijd wel een miniem tot magistraal verschil in kleur of samenstelling te zien. Dan komt er een archeoloog met zijn grote schep, haalt uit die greppel of dat paalgat een paar onooglijke potscherven en weet dan: deze boerderij moet in de Romeinse tijd zijn gebouwd, maar die greppel is uit de Late IJzertijd en die waterput is Middeleeuws.

Die hondebrokken vertellen nog meer. Het aardewerk dat ik hierboven aanduidde met terra sigillata werd op industriële schaal vervaardigd op een paar plekken in Europa. Productiecentra waar waarschijnlijk maar één of twee keer per jaar een oven werd gebrand, die dan meteen enkele honderdduizenden stuks vaatwerk bevatte. Dat weten we omdat we enkele van die fabrieken hebben opgegraven.

Je kunt in Nederland terra sigillata vinden die in Italië, Zuid-Frankrijk en Noord-Afrika is geproduceerd en in de rest van Europa is het al niet anders. Ander aardewerk werd meer lokaal geproduceerd, maar ook dat kan handelsnetwerken blootleggen. In het geval van terra sigillata kennen we zelfs honderden namen van fabrikanten, want die hadden de gewoonte die in hun producten te stempelen. Vandaar ook de naam terra sigillata: ‘gezegelde aarde’.

Hoe onooglijk een potscherf ook is: hij zegt iets over de context waarin hij gevonden is, en daarom worden al die hondebrokken die bij opgravingen of in boringen worden aangetroffen ook netjes gedocumenteerd, gewassen, beschreven, gedateerd, gewogen, in zakjes gestopt met een kaartje erbij en samen met de onderzoeksdocumentatie in – zuurvrije – kartonnen dozen gestopt en opgeslagen in klimaatbeheerste gemeentelijke en provinciale depots. Datzelfde geldt voor alle andere voorwerpen als veiligheidsspelden, koffielepeltjes, urnen, watertonnen, kano’s, heipalen, alles wat zo mooi onder de term mobilia kan vallen.

In die depots ligt alle onooglijks en minder onooglijks te wachten op het moment dat alle archeologen als een soort Walhalla voor ogen staat: Later. Want Later – zo heet het onder vakgenoten – zullen onze toekomstige collega’s met andere ogen, met nieuwe vragen en vooral: met betere technieken kunnen kijken naar oude vindplaatsen. Willen die nieuwe vragen en betere technieken echter ook nieuwe antwoorden en mooiere resultaten kunnen opleveren, dan zal wat wij nu uit de grond hebben geschept Later nog steeds beschikbaar moeten zijn.

Bij dat ‘Later’ moet u zich trouwens niet de verre utopische toekomst voorstellen die ik hierboven schetste. Wereldwijd houden archeologen zich met allerlei vragen over het verleden bezig en dat betekent dat er regelmatig een archeoloog – soms uit het buitenland – met een nog niet eerder gestelde vraag onder de arm komt kijken naar het vondstmateriaal van een type vindplaats waarin hij is geïnteresseerd.

Zo ken ik een archeologe die aan de hand van de schoenmaatverdeling van de lederen zolen uit Romeinse legerkampen (gááp!) wist aan te tonen dat er in die legerkampen ook vrouwen en kinderen woonden. En dat was een kleine revolutie, want iedereen ‘weet’ dat Romeinse soldaten niet mochten trouwen en bijgevolg stellen we ons bij een Romeins legerkamp ook een kazerne vol met uitsluitend mannen voor. Niets is minder waar: soldaten hadden vrouwen en kinderen in het kamp en namen die waarschijnlijk ook mee als hun legeronderdeel werd overgeplaatst. De kazerne bleek een dorp.

Neemt u van mij aan: een Romeinse lederen schoenzool is het aankijken nog niet waard. Maar juist omdat er af en toe een archeoloog is om al die hondebrokken tot een verhaal over het verleden van een plek terug te knutselen, staan er dus her en der in Nederland enorme depots vol met kartonnen dozen met – soms zorgvuldig geconserveerde – archeologische vondsten waar anders geen normaal mens zich ooit voor zou interesseren. Als die prehistorische boer zijn keurig gedocumenteerde en netjes opgestapelde vuilnisbelt terug zou zien, hij zou zich rotlachen.

Geplaatst in Erfgoed, Wetenschap | Tags: , , | 4 reacties

Vooruitgang

PaAanOrgel_VincentWilkeEDVandaag zou mijn vader de negenentachtigjarige leeftijd hebben bereikt, als hij niet op zijn tweeëntachtigste was overleden. Hij was van ’26. Zijn jeugd besloeg een periode die ik alleen maar ken als het Interbellum en als die van de grote crisis. Daar heeft hij behoorlijk wat van meegekregen. Zijn moeder was huisvrouw en zijn vader – die geen opleiding had genoten – verdiende de kost met wisselend werk: als glazenwasser, in een bakkerij en in een waterstokerij (daar kon je heet water halen). Rond ’39 werd hij echter ernstig ziek en kon hij niet meer werken. Zowel voor als na de oorlog leefde mijn vader – hij was de jongste thuis – in een gezin dat het grootste deel van de tijd ‘steun’ trok. Nadat zijn vader ziek werd (hij overleed in ’47), was dat zelfs de enige vorm van inkomsten, totdat hij ging studeren.

Mijn vader kon – na de oorlog – gaan studeren omdat hij in aanmerking kwam voor een beurs. Destijds was dat een recht dat je verwierf door op school goed te presteren. Een vetpot was het niet: hij koos voor een opleiding aan een instituut één stad verderop, waarvan de diploma’s niet door het rijk werden erkend, omdat op kamers gaan wonen geen optie was. Voor iemand uit een arm gezin koos hij bovendien voor een hoogst onwaarschijnlijke opleiding: het conservatorium. Hij wilde het liefst organist worden en dat werd hij ook.

Veel praatte hij niet over die periode. Ik ken er eigenlijk maar twee anekdotes uit. De eerste: dat ze met kerstmis roggebrood met suiker aten. Voor de duidelijkheid: dat was bedoeld als een bijzonder feestelijke traktatie. De tweede anekdote is pijnlijker. Het was op een Paaszaterdag rond twaalf uur. Dat is het moment dat de kerkklokken luiden om aan te geven dat de Vasten voorbij is. Op dat moment was hij met zijn moeder – mijn oma dus – naar de HEMA gegaan en daar hadden ze zichzelf op een worstenbroodje getrakteerd. Iemand had dat gezien en het voorval doorgegeven aan de Steun, of hoe de sociale dienst destijds dan ook heette. Mijn oma werd bij haar eerstvolgende bezoek streng aangesproken op haar verspilling van gemeenschapsgeld.

Dat was vroeger. Nu is alles beter, althans dat zegt men. Maar hoe meer ik kijk, hoe minder me de verschillen opvallen. Als ik in de krant lees van hoeveel bijstandsmoeders rond moeten komen, of hoeveel ZZP’ers er bij de voedselbank lopen en waarom, zie ik die vooruitgang niet. En als ik her en der op het internet mensen zie reageren op de situatie van bijstandstrekkers, dan zie ik variaties op het worstenbroodje met grotere regelmaat langs komen dan mij lief is. Plompverloren oordelen, geponeerd door stemgerechtigden die in hun eigen mening nog niet de minste vorm van eigenaardigheid vermoeden.

Met mijn vader is het uiteindelijk helemaal goed gekomen. Zijn rijkserkende diploma’s haalde hij in. Als organist is hij erin geslaagd om een lespraktijk op te bouwen waar op een gegeven moment – en dat in de tijd dat de secularisering een doorslaand succes bleek – meer dan tachtig leerlingen in zaten. Hij gaf les, concerteerde en componeerde, en verdiende samen met zijn echtgenote – mijn moeder dus – voldoende om een huis te kopen en de kinderen regelmatig mee op reis te nemen en – later – te laten studeren. De kerk waar hij zestig jaar lang organist was, is pas kort na zijn overlijden gesloopt, alleen de toren staat er nog.

Zijn leven lang is hij beducht geweest voor armoede. En zijn leven lang is hij blijven houden van roggebrood met suiker.

Naschrift: mijn moeder belde me naar aanleiding van de eerste versie van dit stukje op en wist me nog wat extra details te vertellen. Enkele daarvan had ik nog nooit eerder gehoord en ik heb deze post dan ook de volgende dag aangepast. Normaal doe ik dat nooit, maar deze wijzigingen vullen het verhaal te goed aan.

Geplaatst in Politiek, Samenleving | Tags: , , | 2 reacties

Leegte

Stemmen01Hoe on-ge-lo-fe-lijk stom kun je zijn, met je partijgenoot aan de telefoon bespreken hoe je de burger aan het lijntje houdt, terwijl iedereen mee kan luisteren en sociale media alomtegenwoordig zijn. Nomen is in dit geval wel héél erg omen.

En het wordt nog erger: je biedt je excuses aan. Nee, niet voor het feit dat je de benadeelde burger in de maling neemt, niet voor het feit dat je de ergst denkbare vooroordelen over politici meer dan bevestigd hebt, maar voor het feit dat je daarover een publiek telefoontje hebt gepleegd, voor het feit dat je betrapt bent dus, als de eerste de beste crimineel.

En dan nóg kan het erger: wíj zijn het namelijk die op deze man gestemd hebben, en op de partijgenoten waarmee hij over het beleid inzake gaswinning in Groningen telefonisch overleg plegen moest.

Ostracisme anyone?

Geplaatst in Politiek, Samenleving | Tags: , , | 2 reacties

Kap’lah!

Klingon01Stel, de Klingons komen, eindelijk. Waar zouden ze het eerste toeslaan? Het antwoord op die vraag is niet moeilijk te geven. Vanzelfsprekend zullen de Klingons voorafgaande aan hun veroveringsactie onze planeet goed in de gaten houden en als je de plaatselijke nieuwsgaring een beetje in de gaten houdt, kom je er al snel achter dat de meest oorlogszuchtige naties in het Midden Oosten te vinden zijn. Iedereen heeft het erover hoe agressief, onverdraagzaam en eergevoelig de bevolking aldaar is. Bovendien zijn de sterkste legers van de planeet er actief: de VS en Israel. Een beetje Klingon zal direct inzien dat alleen in het Midden Oosten eer te behalen valt.

Helaas valt het met die eer nogal tegen. De Amerikanen kiezen al snel voor het behoud van hun plaatselijke invloed en hun handelsbelangen met het Klingon Imperium. Israel blijkt een veel te klein landje met veel te weinig strijdkrachten, dat met zijn kernbommen niks kan uitrichten tegen een strijdmacht die zich bedient van transporters en die de zaken het liefst man-tegen-man uitvecht. En de rest van het Midden Oosten – laten we ze voor het gemak samenvatten onder de term ‘de moslims’ – blijkt al net zo’n peulenschil als de rest van de planeet.

Stel, Marcel Hulspas is een embedded reporter bij de Klingon strijdkrachten. Dat vergt wel heel veel fantasie van u, want Marcel is een veel te mooie man om voor een Klingon door te gaan, maar probeert u het toch maar: Marcels taak is niet alleen de verslaglegging voor het thuisfront van deze bij nader inzien toch niet zo heel glorieuze verovering, maar vooral het vinden van een verklaring voor de vraag waarom het zo’n makkie was. En dan speciaal de moslims, want daar had het supreme command het meeste van verwacht. Alle Klingon intelligence wees er toch op dat dit toch het meest vechtlustige en nietsontziende soort mensen op aarde was? Vanwaar deze déconfiture?

Nu ken ik Marcel persoonlijk en ben ervan overtuigd dat hij zijn werk nauwgezet en zorgvuldig zal doen (dit is een ironisch stukje, maar deze passage is ten volle gemeend). Sterker nog, ik heb de hand weten te leggen op de tekst die hij als embedded Klingon zal gaan schrijven, en daar blijkt de degelijkheid die hem zo eigen is ook uit:

De overtuiging dat de islam zich in oorlogszaken slechts defensief tegenover de wereld der ongelovigen mag opstellen; dat er – in principe – een vorm van vrede mogelijk is in de verhouding met ongelovigen, die overtuiging was geen minderheidsovertuiging; ze leefde in grote delen van de islam. Ze werd uitgedragen door talloze imams. Niet alleen onbeduidende baardmannen in stuurloze staten als Jemen en Pakistan, maar ook zeer gerespecteerde en invloedrijke geestelijk leiders in landen als Iran, Egypte en Saoedi-Arabië. Permanente oorlog? De hoogste geestelijk leiders in de Arabische wereld vonden deze doctrine van voorzichtige vrede doodgewoon. En miljoenen moslims hoorden niet anders, en wisten niet beter. Het ging hier dus niet om een marginale groep, of een marginaal probleem. Die behoedzame tolerantie reikte tot in het hart van de islam. Wie zich moslim noemde, kon zich daar niet een-twee-drie van distantiëren.

Hoe het dan wel had moeten gaan, ziet Marcel ook:

De enige manier waarop moslims hun onderwerping aan het Imperium hadden kunnen voorkomen was: niet de kop in het zand steken, en geen zoete kreetjes slaken over ‘de ware leer van de islam met mededogen, vrede en liefde’. Ze hadden het probleem recht in de ogen moeten kijken. Hún islam had moeten veranderen en opengebroken worden. Ze had het onderwerp moeten zijn van kritische reflectie, ze had dringend onderzocht moeten worden en zorgvuldig uit elkaar gehaald, streng geanalyseerd, fel bekritiseerd. En juist de jihad – het meest waardevolle – had gekoesterd moeten worden.

De voorbeeldrol die de profeet in de islam speelde, ziet Marcel – terecht – als het kernprobleem van het hele débacle:

Hoe stond het met de Profeet? Wat wisten moslims eigenlijk van hem? Wisten ze alleen maar dat hij een ‘genade voor de mensheid’ was? Maar was hij juist niet de man die de Joden uit Medina verdreef, en massaal vermoordde? Die brutale dichters en politieke tegenstanders door sluipmoordenaars om het leven liet brengen? Die vrouwen en kinderen van onderworpen stammen onder zijn strijders verdeelde? Het ware beter geweest als bínnen de islam beter was gekeken naar die verhalen over het ontstaan van de islam, inclusief het bloed dat daarbij rijkelijk vloeide.

Geen flauwe praatjes over die fijne Mohammed, maar gewoon de keiharde, fascinerende geschiedenis zoals die door de overleveraars en de eerste biografen van Mohammed werd verteld. En daarbij dat hoogst noodzakelijke debat over het tolerante karakter van de islam, haar voorzichtige en deemoedige impulsen, die de stap naar onderwerping veel te eenvoudig hebben gemaakt.

Alle gekheid op een stokje. Marcel beweert in zijn laatste column precies het tegenovergestelde: de islam (wat dat dan verder ook wezen moge) heeft een probleem met de vele gewelddadige koranpassages en verhalen – onder andere over de profeet – die onderdeel vormen van zijn religieuze bagage. Als dat deel van die bagage niet wordt gedumpt (ik vat hem even kort door de bocht samen), zal de islam – ook al is het maar voor enkelingen – de oorzaak blijven vormen van religieus geweld.

Wat hij beweert, kan kort worden samengevat: er zijn moslims die gewelddadig zijn en die erin slagen die gewelddadigheid te beargumenteren met behulp van koranpassages en islamitische verhalen. Dat is geen nieuws. Al sinds Chesterton weten we dat elke gek erin slaagt zijn waanzin volstrekt logisch te beredeneren, dat is zogezegd het definiërende kenmerk van waanzin. Wat hij (ik bedoel Marcel, niet de gek) beweert kan bovendien volledig worden omgekeerd – zie het hierboven staande gedachtenexperiment. Ik citeer nog één keer Marcel, deze keer niet onherstelbaar verbeterd:

Want nogmaals, het islamitisch geïnspireerd terrorisme is dan misschien een geestelijke afwijking van een klein clubje, maar de ideologische wortels van dat geweld reiken tot in de kern van het geloof.

Die observatie is terecht en volkomen juist: er is in de islam rechtvaardiging te vinden voor de meest goddeloze daden denkbaar. Maar exact het omgekeerde is precies even waar – en wordt door veel meer moslims ook daadwerkelijk nagevolgd – namelijk dat islamitisch geïnspireerde vreedzaamheid misschien een afwijking van de meerderheid moge zijn, maar dat de ideologische wortels van die tolerantie óók reiken tot in de kern van dat geloof.

Geplaatst in Religie, Samenleving | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Angst

CeciNestPasUneReligion

Er zijn niet bijster veel dogma’s meer waar ik nog heilig in geloof, maar het dogma dat alle agressie in wezen angst is, is er één van. En angst eindigt alleen in agressie als die niet meer gerelativeerd kan worden. De agressor is dus bang, onverdund, puur en zuiver, 100%, zeven kleuren bagger, zoals mijn oude schermleraar placht te zeggen. Die angst kan volkomen terecht en redelijk zijn. Aan een recht op je neus af suizende vuist valt weinig meer te relativeren. Geen mens die de agressie die daarop volgt onredelijk zal noemen. Misschien wel buitenproportioneel of overdreven, maar niet onredelijk.

Maar zelfs de meest bijtende cartoon suist niet recht op je neus af. Cartoons suizen zelfs helemaal niet. Toch lukt het sommige van die papiertjes met inktvlekken om zóveel dreiging op te roepen, om zóveel angst in te boezemen, dat voor enkelen relativeren niet meer binnen het bereik van hun vermogens ligt en agressie hun enige uitweg vormt. Een Parijs drietal greep naar Kalashnikovs om ‘God is groot’ roepend een dozijn medemensen, waaronder zelfs een geloofsgenoot, dood te schieten, met maar één doel: geen grappen meer over hun diepste geloofsovertuigingen, een status aparte voor hun islam en zijn profeet, ophouden met de spot, een einde aan de angst.

Je kunt niets belachelijk maken dat niet van zichzelf al een klein beetje belachelijk is.

In deze uitspraak van Wim Kan schuilt het antwoord op de vraag hoe spot erin slaagt zoveel angst op te roepen. In zekere zin wordt iets niet belachelijk gemaakt, het is al belachelijk – al is het zelfs maar een klein beetje. Spot maakt niks nieuws: het onthult alleen maar wat er al was en dwingt de toeschouwer om dat ook onder ogen te zien. Spot opent een venster en laat zien wat er ook echt is. Het is geen fictie, het is werkelijkheid, en die is even angstwekkend als onvermijdelijk.

Het Parijse drietal heeft op die satire geen antwoord kunnen formuleren dat hen kon vrijwaren van hun angst, omdat de spot hen slechts iets liet zien wat zij al daadwerkelijk voor waar hielden, en dus niet meer kónden negeren of relativeren: dat God helemaal niet groot is, maar juist klein en nietig. Dat er niets fundamenteel heiligs is aan hun diepste overtuigingen, maar dat ze juist profaner zijn dan hun meest banale en alledaagse gedachten. Dat de ernst waarmee zij hun leven leefden ten diepste niets anders was dan een klucht.

Een beetje zichzelf respecterende gelovige, nee: een gelovige wéét dat geloven in de grond der zaak een licht komische exercitie is. En juist daarom neemt hij zijn geloof ernstig. Een gelovige beseft dat zijn diepste overtuigingen in wezen lachwekkend zijn en juist daarom acht hij ze heilig. Maar voor dat besef is een leap of faith nodig en dat is wat aan het Parijse drietal ten enen male ontbreekt. In het diepst van hun ziel zijn het ongelovigen: ze beseffen dat wat ze geloven niet klopt. Ze verdragen de spot niet, omdat die hun ongelijk blootlegt.
WhatsThisLittleWeapon

Geplaatst in Religie, Samenleving | Tags: , , | 5 reacties