Bewijs

foto: Cadbury Reseach Library, Birmingham

foto: Cadbury Reseach Library, Birmingham

Eerder blogde ik over de ‘ontdekking’ van het tot dusverre oudst bekende koranmanuscript in Birmingham, een vondst die aan alle kanten werd gezien als ‘bewijs’ voor het één of ander, of juist niet. Korte samenvatting van het voorgaande: Twee folio’s uit de bibliotheek van de Universiteit van Birmingham blijken de oudst bekende koranfragmenten te vormen. Ze zijn met de koolstofmethode gedateerd in de periode 568 – 645, met 95% zekerheid. Dat is extreem vroeg. De mogelijkheid dat de schrijver de profeet Mohammed (570 – 632) nog persoonlijk heeft gekend, is niet meer uit te sluiten. Maar afgezien van zo’n opmerkelijk borreltafelfeitje: wat bewijst deze vondst nu? Tijd voor een aantal vragen in een blogpost die meer weg heeft van een longread

1. Is het ontstaan van de koran nu gedateerd?
Nee. Op de folio’s staan 63 verzen (651 woorden) uit soera 18, 19 en 20. Op een totaal van 6236 verzen (ca.77.000 woorden) voor de hele koran is dat 1%. Conclusies over de datering kunnen nu alleen nog over die verzen worden getrokken. De folio’s horen mogelijk bij een ander manuscript in Parijs en als dat klopt, kan de reikwijdte van de datering eventueel worden uitgebreid over de verzen in dat manuscript. Ik vermoed dat het gaat om BNF 328c, het betreft dan een totaal van 502 verzen, zo’n 8% van de hele korantekst. De vergelijking tussen beide manuscripten betreft het handschrift, de scheidingstekens tussen de verzen en de wijze waarop de soera’s van elkaar worden gescheiden. De soerascheider wordt beschreven in het archief van de Bibliothèque Nationale de France:

trois filets ondulés de couleur rouge-orange sur lesquels ont été portés des points noirs courent parallèlement sur toute la largeur ; dans les deux intervales qui les séparent, des points de la même couleur ont été disposés. Dans la marge extérieure, les trois filets se rejoignent pour dessiner une palmette stylisée très grossière, en partie rognée.

Dat komt behoorlijk specifiek overeen met de soerascheider op het manuscript uit Birmingham:

M1572f1rSoerascheider01

2. Is de tekst van de verzen op de folio’s dan nu wel gedateerd?
Nee. Gedateerd is het perkament waarop de tekst staat. Er zijn geen aanwijzingen dat het perkament op het moment van beschrijven al oud was, dus vooralsnog moeten we ervan uit gaan dat de datering van het perkament ook ongeveer de datering van de tekst is. Perkament is duur en maak je niet in grote hoeveelheden voor niets. Dat wil overigens niet zeggen dat het onmogelijk is dat er oud perkament is gebruikt. Enkele resterende vellen die zijn overgebleven van een oud schrijfproject zijn zonder meer een mogelijkheid. En perkament is duur, dus dan begin je natuurlijk eerst met zoeken naar wat je nog hebt liggen.

Dat gezegd zijnde: zonder aanwijzingen voor gebruik van oud perkament heeft het geen zin om uit te gaan van die mogelijkheid. Dat lijkt eerder ingegeven door de gedachte dat de korantekst nu eenmaal niet zo oud kan zijn, en er dus wel oud perkament gebruikt moet zijn. Dat is niets meer dan een hulphypothese die een vooropgesteld dogma hoog moet houden. Anderzijds is het even dogmatisch om ervan uit te gaan dat er geen oud perkament gebruikt kan zijn, zoals Muhammad Isa Waley, een curator van de British Library naar aanleiding van deze vondst deed:

The Muslim community was not wealthy enough to stockpile animal skins for decades, and to produce a complete Mushaf, or copy, of the Holy Qur’an required a great many of them.

Dat is klinkklare onzin. Op basis van bovenstaande cijfers schat ik dat met twee folio’s per geit je ongeveer 112 geiten nodig hebt voor één koran. Tegen het einde van de periode waarin de folio’s zijn gedateerd (568 – 645) hadden de Arabieren de Levant, Egypte en Perzie al veroverd. De hoeveelheid buit moet astronomisch zijn geweest en die paar kuddes geiten die nodig waren voor deze koran moet daar slechts een fractie van zijn geweest. Een goede voorraad schrijfmateriaal is nooit weg. Bovendien kun je de redenering ook omdraaien: juist als je arm bent, moet je je perkament voor een groot schrijfproject opsparen en is de kans op gebruik van oud perkament groot.

3. Bewijst deze vondst dat de tekst van de koran vroeger anders was?
Nee, integendeel zelfs. De tekst op het manuscript verschilt nauwelijks van de tekst van de koran zoals we die nu kennen. Op 651 woorden zijn 67 verschilpunten te zien. Dat klinkt imposant, maar op 43 plekken waar in de huidige standaardtekst de letter alif staat, ontbreekt deze in het manuscript. Dat is niets anders dan een afwijkende spellingsconventie rond het wel of niet schrijven van een lange ‘a’.

Op 16 plekken ontbreekt de letter hamza, waarvan we weten dat het een later ingevoerd teken is dat oorspronkelijk geen onderdeel was van het Arabische alfabet. Het verduidelijkt waar in een woord een glottisslag (de klank tussen de twee a’s in na’apen) valt. Op één plek ontbreekt de combinatie wav-hamza , ook een spellingsconventie van later datum die de glottisslag plus ‘oe’-klank weergeeft. Verder ontbreken vijf scheidingstekens voor de verzen en staan er twee extra op plekken waar ze in de standaardeditie niet staan. De tekst komt verder geheel overeen met de tekstredactie die aan de derde kalief Uthman wordt toegeschreven.

4. Bewijst deze vondst dan dat de huidige korantekst de oorspronkelijke is?
Ook niet. Uit de islamitische traditie is bekend dat er naast de redactie van Uthman ook andere tekstredacties waren en dat er felle discussies waren tussen ‘aanhangers’ van de diverse redacties. Uthman kreeg van zijn tegenstanders zelfs de bijnaam ‘verbrander van het Boek’, omdat hij na zijn standaardisatie bevolen zou hebben dat alle andere exemplaren moesten worden verbrand. Dat is trouwens niet altijd gebeurd. Islamitische theologen hebben ook nooit echt afscheid genomen van die andere redacties en zijn afwijkende teksten eruit ook blijven gebruiken in hun commentaren en exegese. Zo weten we dat de afwijkingen tussen die teksten en de versie van Uthman behoorlijk zijn geweest.

Er is ook een koranmanuscript bekend uit Sanaa, in Jemen, dat slechts enkele decennia jonger is dan het manuscript uit Birmingham, waarop een tekstredactie is bewaard die sterk verschilt van de Uthmanische. De verschillen betreffen soms een al bekende afwijking van een andere niet-Uthmanische tekst die we uit de literatuur kennen, maar ongeveer even zo vaak is er een unieke, tot dusverre onbekend alternatief te vinden.

Wat we weten uit de islamitische traditie is dus dat er vanaf het begin meerdere tekstredacties naast elkaar hebben bestaan. Wat we weten van de oudste manuscripten lijkt dat beeld te bevestigen. Het is zo goed als onmogelijk te zeggen welke redactie nu de ‘oorspronkelijke’ was. Dat is ook een lastige vraag als je een tekst hebt waarvan zelfs gelovigen beweren dat er 22 jaar lang aan gewerkt is, van 610 tot 632, en dat er tijdens die periode al mensen waren die (delen van) de tekst optekenden. Het is ook een lastige vraag als tegenstanders en andere critici vanaf het begin al beweren dat het teksten zijn die zijn overgenomen of zelfs overgeschreven uit joodse en christelijke bronnen. Zonder eerst nauwkeurig te definiëren wat je bedoelt met ‘de oorspronkelijke tekst’, kun je met die vraag eigenlijk niets.

5. Als de geschreven tekst al zo oud is, klopt het dan wel dat de korantekst in eerste instantie vooral mondeling werd overgeleverd?
Ja, dat klopt. Een belangrijke overweging die bij dit manuscript in het achterhoofd gehouden moet worden, is dat het schrift in deze tijd nog niet voldoende ontwikkeld is om alle aspecten van de tekst vast te leggen, de klinkers voorop. Ook veel tekens die de verschillende medeklinkers uit elkaar moeten houden, zijn niet consequent toegepast. Dat wil zeggen dat teksten zoals op dit manuscript uit Birmingham vooral gefunctioneerd hebben als geheugensteun voor mensen die de tekst toch al min of meer uit hun hoofd kenden.

Dat blijkt onder andere uit de schrijfconventies. Zoals gezegd wordt de letter alif niet consequent gebruikt voor het aangeven van de lange ‘a’. Ik noemde dat hierboven een spellingsconventie, maar het kan ook betekenisverschillen veroorzaken. Zo wordt in het manuscript de spelling ql aangehouden voor zowel qul, ‘zeg!’ als voor qāla, ‘hij zei’. In de huidige standaardtekst wordt voor dat laatste de spelling qal aangehouden. Zonder die extra alif is het onderscheid tussen beide betekenissen niet in alle gevallen duidelijk uit de context en daar helpt de orale overlevering een handje.

6. Wat is er dan nu eigenlijk wél met zekerheid bewezen?
Niet bijster veel. Het is nu waarschijnlijker geworden dat de datering van de tekst van de koran zoals we hem nu kennen gelijktijdig met of kort na het ontstaan van de islam valt. Absoluut zeker is dat niet en het is ook niet gezegd dat dat voor de gehele koran geldt. De mogelijkheid dat er tekst van de koran vroeger gedateerd moet worden dan het ontstaan van de islam is – hoe revisionistisch ook – met deze datering niet uit te sluiten. Grappig genoeg is een veel latere datering van de tekst óók niet uit te sluiten, je weet immers niet absoluut zeker dat je niet pardoes een pagina gedateerd hebt waar oud perkament voor is gebruikt. Aanwijzingen daarvoor ontbreken echter.

Het enige wat nu met zekerheid kan worden gezegd is dat de tekstredactie van de 63 verzen in ieder geval een zeer oude traditie weergeeft en dat de volgorde van soera 19 en 20 in die redactie ook al vast lag. Blijkt het Parijse manuscript erbij te horen, dan kunnen we hetzelfde zeggen over de volgorde van de soera’s 10 – 11 en 20 – 23.

7. Welk onderzoek zou er nog gedaan moeten worden?
Veel. Om te beginnen zouden beide pagina’s van het manuscript gedateerd moeten worden, vooropgesteld dat ze van een verschillend beest gemaakt zijn. Als het klopt dat het onderdeel is van het Parijse manuscript, dan zouden alle pagina’s dáárvan (16 folio’s) ook gedateerd moeten worden. Alleen zo krijg je een betrouwbaar overzicht van de verdeling van de dateringen van alle gebruikte vellen en dus van de datering van het oorspronkelijke exemplaar van de koran waar het onderdeel van heeft uitgemaakt.

Inkt is niet te dateren – althans niet zonder de tekst ernstig te beschadigen – maar spectografische analyse kan wel een aanduiding geven van de samenstelling van de inkt of inkten die zijn gebruikt. Van bepaalde typen inkt is bekend dat ze pas vanaf een bepaalde periode voorkwamen. Ook zonder dat een manuscript meteen een palimpsest is, hebben de meeste manuscripten een geschiedenis in de vorm van correcties, reparaties en aanvullingen. Dat is vaak te zien aan verschillen in gebruikte inkt. Bepaalde vormen van spectrografische analyse kunnen soms weggeschraapte tekst weer zichtbaar maken. Eventueel nu nog onzichtbare correcties in de tekst kunnen dan worden onderzocht.

Schrijfstijl en handschiftanalyse kan op dit punt ook een boel zeggen. Het maakt uit of een tekst is geschreven door één hand of dat meerdere schrijvers aan een manuscript gewerkt hebben. In zo’n geval wordt de vraag wanneer een bepaalde schrijver aan een document heeft gewerkt ook weer actueel.

Op dit punt ligt er – vermoed ik, ik ben geen deskundige op dit gebied – nog een fors twistpunt. De schrijfstijl van het manuscript is Hijazi, het oudste ‘lettertype’ in de Arabische kalligrafie. Maar het oogt héél erg als Kufisch, een kalligrafeerstijl die pas later opkomt. Het manuscript is ook op diverse plekken als Kufisch gekarakteriseerd en wie het als Hijazi benoemt, meldt erbij dat het een ‘overgangsvorm’ naar het Kufisch vormt. Op basis van de stijl van het schrift zou een datering in het begin van de zevende eeuw onmogelijk zijn. Dat betekent dat óf de koolstofdatering niet helemaal goed klopt óf dat onze schrifttypologie van het vroege Arabische schrift bijgesteld moet worden. Dat laatste gaat niet zomaar: die typologie is behoorlijk goed gedocumenteerd. Die gooi je niet zomaar op basis van één losse datering weg.

DNA onderzoek lijkt niet veelbelovend. In theorie zou je ermee kunnen bekijken of de geiten (of schapen) waarvan de huid is gebruikt familie van elkaar waren en dus uit dezelfde kudde kwamen. Eventueel is het aantal kuddes zo te bepalen. Maar uit eerder onderzoek aan DNA op perkament is gebleken dat er enorm veel DNA in perkament zit: van het beest waar het van gemaakt is, van andere beesten waarvan bijvoorbeeld lijm is gemaakt om het perkament te behandelen, van beesten die in de inkt zijn verwerkt, van de mensen die het perkemant hebben bepoteld, van de kakkerlakken die eroverheen gelopen zijn. Dat wordt duur onderzoek met lastig te interpreteren resultaten.

Ten slotte vraag ik me af – wederom: dit is niet mijn specialisme – of stabiele isotopenanalyse van het perkament uitsluitsel kan geven over de regio waar het arme beest heeft geleefd. Dergelijk onderzoek wordt veel gedaan op botresten en tanden en is – in ieder geval in theorie – mogelijk op alle organisch materiaal. De verdeling van isotopen van bepaalde elementen is karakteristiek voor de omgeving waarin een organisme leeft en soms kan die regio worden ‘teruggevonden’. Ik weet niet of het mogelijk is om op die manier bijvoorbeeld de omgeving van Mekka, Jemen en Syrie uit elkaar te houden en ik weet ook niet of dergelijk onderzoek ooit op perkament is gedaan. Het zou een boel verheldering kunnen opleveren, want het is niet eens bekend waar Alphonse Mingana zijn manuscripten gekocht heeft.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Koran, Religie, Wetenschap en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

8 reacties op Bewijs

  1. Pingback: Livius Nieuwsbrief | Augustus | Mainzer Beobachter

  2. Jobbe zegt:

    Laat ik nu net Leone et al 1987 Toward a critical archaeology aan het lezen zijn. Ik voel me dus verplicht te schrijven vanuit welke doelstelling je deze analyse schreef? 😉

  3. Gewoon: gewone mensen wat duidelijker uitleggen wat het nieuws in de krant nu echt te betekenen heeft (en wat niet, vooral) 😉

    • Jobbe zegt:

      Dat lijkt me een goede zaak, voor wat mijn mening waard is! Vanuit Leone’s artikel – dat ongetwijfeld inmiddels de aanduiding ‘ietwat verouderd’ zal mogen dragen – heeft een kritische archeologie het doel de geschiedenis te demystificeren (mijn vrijelijke uitleg). Het stelt zich daarom tegenover krachten die -al dan niet bedoeld- de neiging hebben wél te mystificeren. Dit standpunt wordt actueler nog altijd herhaald door R. Greenberg, 2015.*

      Omdat een bias nu eenmaal niet te voorkomen is en een objectief bodemarchief niet bestaat (ja het bestaat wel, maar je kan het niet opgraven), moet je volgens de kritisch archeologen dus je standpunt aangeven bij elke handeling en interpretatie. Neutraliteit is in dat licht een illusie. Vandaar mijn vraag.

      Wat je schrijft lijkt me een prachtig staaltje demysitificerende archeologie, of dat nou je bedoeling was of niet. 😉

      Jobbe

      * Greenberg, 2015. ‘Ethics in Action: A viewpoint from Israel/Palestine’ in Ethics and the archaeology of violence (Gonzales-Ruibal & Moshenska eds 2015).

      • Oh, dat is een aardig kentheoretisch dilemma, want net zo goed als dat een objectief bodemarchief niet op te graven is, kun je je standpunt niet altijd objectief kennen. Daarom heet het ook bias 🙂

  4. Jobbe zegt:

    Klopt! Maar je kan wel tot op zekere hoogte bewust worden dat er sprake is van een standpunt, en dan en dan een voorzorgsprincipe hanteren. Er is wel degelijk een leereffect en bewustwording mogelijk. (Ongetwijfeld een van de achterliggende motivaties van jouw tekst 😉 )

    En daarom is reflexieve archeologie zo belangrijk. Juist ja, die tak die we in Nederland opgeheven hebben (naar mij is verteld). 😉

  5. Pingback: Hypothese | Apoftegma

  6. Pingback: Traditie onder druk | Apoftegma

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s